Mario De Clercq is rechtuit en rechtaan: 'Ik zeg altijd waar het op staat, ik ben opgevoed met het idee dat eerlijkheid het langst duurt, een leugentje om bestwil zal je van mij nooit horen.' Het levert de Oost-Vlaming een controversieel imago op. Talrijk zijn de wedstrijden waarin de drievoudige wereldkampioen veldrijden door vreemde manoeuvres of incidentrijke spurten bakken kritiek over zich kreeg uitgestort. En talrijk zijn de verwensingen waarmee de bijna 37-jarige De Clercq geconfronteerd wordt omdat hij in de wedstrijden wel eens wil profiteren van het werk van anderen. Zoals onlangs, na het Belgisch kampioenschap in Wielsbeke. Sven Nijs laakte de passieve attitude van de drager van de regenboogtrui. De Clercq hoorde het hoofdschuddend aan. Moe, doodmoe wordt hij langzamerhand van alle toestanden in deze sport.
...

Mario De Clercq is rechtuit en rechtaan: 'Ik zeg altijd waar het op staat, ik ben opgevoed met het idee dat eerlijkheid het langst duurt, een leugentje om bestwil zal je van mij nooit horen.' Het levert de Oost-Vlaming een controversieel imago op. Talrijk zijn de wedstrijden waarin de drievoudige wereldkampioen veldrijden door vreemde manoeuvres of incidentrijke spurten bakken kritiek over zich kreeg uitgestort. En talrijk zijn de verwensingen waarmee de bijna 37-jarige De Clercq geconfronteerd wordt omdat hij in de wedstrijden wel eens wil profiteren van het werk van anderen. Zoals onlangs, na het Belgisch kampioenschap in Wielsbeke. Sven Nijs laakte de passieve attitude van de drager van de regenboogtrui. De Clercq hoorde het hoofdschuddend aan. Moe, doodmoe wordt hij langzamerhand van alle toestanden in deze sport. Het Belgisch kampioenschap gaf wat dat betreft voer voor discussie: toen Sven Nijs en Ben Berden zich in de finale losscheurden, werd er door beiden tot drie keer toe openlijk gesproken. De televisiebeelden registreerden het op een indringende manier. In een vlaag van ontgoocheling liet de geklopte Berden zich achteraf ontvallen dat er hem door Nijs geld was geboden. Om die woorden dan haastig weer in te slikken, zoals de omertà van het peloton gebiedt. Maar het illustreert op hetzelfde moment de hypocrisie van dit milieu. Mario De Clercq heeft achteraf niet gekeken naar de televisiebeelden van de wedstrijd. 'Als ik niet win, doe ik dat nooit' zegt de in het nationaal kampioenschap door pech achteruitgeslagen wereldkampioen. Zondag, als hij zijn wereldtitel moet verdedigen, wil hij voor die nederlaag weerwraak nemen. De snelle omloop van het Italiaanse Monopoli past hem als gegoten. Bovendien heeft De Clercq na de bittere nasleep van Wielsbeke nog iets recht te zetten: 'Na het Belgisch kampioenschap heeft Sven Nijs volgens mij op een bewuste manier geprobeerd om alle aandacht op mij af te wentelen. Door te zeggen dat ik geen initiatief nam en van het werk van de anderen wilde profiteren. Terwijl de essentie is dat hij geld heeft geboden aan Ben Berden en zo probeerde de koers te kopen. Tenminste, dat concludeer ik uit hetgeen Berden onmiddellijk na de aankomst vertelde.'DE CLERCQ: Ik was er natuurlijk niet bij. Maar ik weet wel: de eerste verklaring die je geeft, is meestal de juiste, de eerlijkste. Ik had in ieder geval al heel vroeg door dat Sven Nijs en Bart Wellens het op een akkoord hadden gegooid. Ze zouden ieder op zijn beurt proberen om mij uit het wiel te kegelen. Daar begrijp ik dus niets van. Als je wilt winnen, dan rij je toch niet tegen iemand, dan ga je resoluut zelf je kans. Bovendien: wie is er eigenlijk geflikt in het kampioenschap als je het allemaal goed bekijkt? Wellens en Nijs spreken voor de wedstrijd af dat ze mij constant gaan bombarderen. Maar wie ging er Wellens op een bepaald moment halen toen die demarreerde? Nijs. Ze gooiden het dus op een akkoord, maar Nijs heeft zijn woord niet gehouden ten opzichte van Wellens. Dus is Wellens de grote dupe van het kampioenschap. Zo zie ik het achteraf. Los daarvan: dat je de krachten moet bundelen om iemand van zesendertig jaar te verslaan, dat is toch bedenkelijk. DE CLERCQ: Het is in ieder geval geen goeie zaak. Ik zou bij mijn eerste versie zijn gebleven. Zeker weten. DE CLERCQ: Het is maar zoals je het bekijkt: is dat eigen aan het milieu of is dat eigen aan Nijs? DE CLERCQ: Niet zo, nee. Ik vind: eerlijk duurt het langst. Nijs is een heel goeie renner, maar wat dat betreft ligt hij niet zo goed bij mij. Dan spreekt Wellens me veel meer aan. Alleen: hij kijkt te veel op naar Nijs. Ik heb al eens gezegd: geef Wellens mijn inzicht en hij wint bij wijze van spreken alle wedstrijden. Maar hij is natuurlijk nog jong, hij moet de koersen beter leren aanvoelen. Maar hij moet vooral aan zichzelf denken. En voor zichzelf rijden. En niet tegen iemand anders. DE CLERCQ: Toen is het inderdaad begonnen. DE CLERCQ: Daar had ik op zich ook geen problemen mee. Alleen bestond er tussen ons voor de wedstrijd een bepaalde afspraak. En daar heeft Sven Nijs zich niet aan gehouden. Ik heb geen zin om naar buiten te brengen wat die afspraak toen inhield. Maar ik zeg wel: Nijs hield zijn woord niet. DE CLERCQ: Je moet de koersomstandigheden zien, ik vond dat ik de juiste strategie gebruikte, het zou zeker op een sprint zijn uitgedraaid. En dan maakte ik een goeie kans. Zonder pech hadden ze me vooraan niet kunnen wegboksen. Maar anderzijds moet ik toegeven dat het op een bepaalde leeftijd niet meer zo evident is om een wedstrijd open te breken. En dan moet je roeien met de riemen die je hebt. Als je bijna zevenendertig bent, loopt het allemaal niet meer zo vlot. Je hebt minder kracht, je recupereert niet meer zo gemakkelijk. Dan probeer je op een andere manier te koersen en op een andere manier wedstrijden te winnen. En soms lukt dat. Omdat je op het juiste moment de wedstrijd wat kan lam leggen. Pas op, ik heb nog goeie dagen waarin alles me lukt. Alleen: ze worden schaarser. DE CLERCQ: Ik piek naar de eindejaarsperiode en naar de kampioenschappen. Dan moet ik er staan. Maar dat betekent dat ik in oktober en november iets meer recuperatie inlas. Vroeger moest ik altijd in het begin van het seizoen een paar keer winnen, dat gaf me een gevoel van rust. Nu kan dat niet meer. Ik heb het daar niet moeilijk mee, ik denk dat ik altijd een goeie kijk op het leven heb gehad. En het leven is nu eenmaal komen en gaan. Ik wacht af hoe lang ik het nog ga trekken, ik doe daar geen concrete voorspellingen meer over. DE CLERCQ: Dat was de bedoeling. Maar hoe dichter dat WK kwam, hoe moeilijker ik het met het afscheid kreeg. Dat is niet abnormaal. Kijk naar Johan Mu- seeuw, hoeveel keer heeft die al niet zijn afscheid aangekondigd? En nu overweegt hij om zelfs na de voorjaarsklassiekers door te gaan. Het beste is dat je daarover zwijgt. Ik ga er volgende winter nog mee door, mijn contract met Palmans loopt tot maart 2004. Tegen dan ben ik achtendertig en is het de bedoeling om een andere functie binnen de ploeg uit te oefenen. Maar als het volgend seizoen niet loopt, dan kan het net zo goed zijn dat ik er in de loop van de winter mee kap. De hoofdreden waarom ik er na Zolder mee doorging, is dat het parcours waarop het wereldkampioenschap wordt gereden me zo goed ligt. We reden daar vorig seizoen voor de wereldbeker en toen dacht ik: daar kan ik normaal niet geklopt worden. Het is een heel snel circuit. Alleen moet je gespaard blijven van tegenslag. Vorig seizoen reed ik lek en werd pas elfde. Als je dat weer overkomt, mag je het vergeten, het kleinste mankement is fataal. Want het gaat enorm snel. En er is een probleem van ondergrond: we rijden daar op een soort rotsgrond waarop nogal wat uitstekende stenen liggen. Het is constant uitkijken. En met al die bochten en met een hoge snelheid is dat niet zo evident. Ik wil absoluut die vierde regenboogtrui pakken. Dat moet mijn seizoen goedmaken. Want dat is eigenlijk niet zo denderend geweest. Anderzijds: als ik verlies, dan zal ik daar niet wakker van liggen. Daarvoor is er toch te veel veranderd. DE CLERCQ: Na die derde wereldtitel in Zolder ben ik een aantal dingen heel anders gaan bekijken. Die wedstrijd was voor mij een obsessie. Toen ik won, dacht ik: alles wat nu nog komt, is meegenomen. Want ik ben het allemaal een beetje moe geworden. Niet zozeer de wedstrijden op zich, maar al die toestanden rond het veldrijden. De stress, de verplaatsingen, dat gewriemel, dat gefoefel. En dan die tralala, die verklaringen zoals na het Belgisch kampioenschap. Vroeger zou ik daar ook veel nijdiger op gereageerd hebben, ik trok me daaraan op. Nu denk ik: ach, laat ze maar doen. Ik zeg nog wel mijn gedacht, maar dat is het dan ook, ik maak me niet meer kwaad. Ik heb er eigenlijk genoeg van. Eigenlijk is dat niet goed. Je moet toch een bepaalde stress hebben, een zekere vechtlust. Maar bij mij is die vechtlust verdwenen door die derde wereldtitel. Ik ben veel relaxter met alles bezig, ik geniet meer dan ooit van het gezinsleven. En ik kan bijvoorbeeld naar het voetbal gaan zonder dat ik schrik heb om een verkoudheid op te lopen. Ik ben na Zolder echt gerust, het is een andere De Clercq. Van de ene kant voel ik me daar beter bij. Maar anderzijds denk ik: ik zou vroeger toch meer gevochten hebben na de kritiek. DE CLERCQ: Het verraste me niet dat hij mijn naam noemde, we hebben in grote lijnen dezelfde ideeën over veldrijden. Ik vond het wel een teken van respect dat hij in mij zijn opvolger zag. Maar het is natuurlijk niet De Vlaeminck die daarover beslist. Los daarvan vind ik dat Rudy De Bie het goed doet. Al zal je zijn werk pas binnen een paar jaar echt kunnen beoordelen, als blijkt wat er vanuit de jeugd doorstroomt. Natuurlijk zou deze job me hebben aangesproken, het zou prachtig geweest zijn om na je carrière bij het veldrijden betrokken te blijven. Anderzijds maak ik me geen zorgen over de toekomst. Ook al kan ik niet in de wielersport blijven, ik kan overal naartoe. Ik ben altijd een plantrekker geweest. DE CLERCQ: Ik hoop dat er vanuit het buitenland weer wat meer oppositie komt. Alleen zit dat er niet in. Als je ziet dat ik deze winter zes keer in het buitenland reed, dat zegt eigenlijk alles. Vijf jaar geleden trok ik alleen al zes keer per seizoen naar Zwitserland. Het is nu echt een Vlaams onderonsje geworden. Qua renners en qua wedstrijden. En dat is niet gezond. Volgens mij is er maar één middel om dat te veranderen: door ervoor te zorgen dat je een bepaald percentage van je UCI-punten meeneemt naar de weg. Dan zouden wij meer gegeerd worden door de wegploegen. En dan zouden de wegrenners al eens gemakkelijker een veldrit rijden. Hetzelfde met de piste. En met het mountain- biken waar het ook bergaf gaat. Tegenwoordig draait het allemaal om die UCI-punten. Lotto-Domo telt bij de samenstelling van de ploeg gewoon de punten samen, om zo in de top-10 te komen. Als je een crosser hebt zoals ik, met 2000 punten en je kan daarvan 25 procent meenemen, dan is dat heel interessant. Maar nu heeft een wegploeg niets aan mij. Net zoals ze niets hebben aan een pistier als Gilmore of aan een mountainbiker als Meirhaeghe. Sterker zelfs: Meirhaeghe pakt zilver op de Olympische Spelen en raakt nauwelijks aan een ploeg. Terwijl hij behoorlijk op de weg kan rijden. Natuurlijk zou het veldrijden geholpen zijn indien je er een olympische discipline kan van maken. Maar dat zit er niet in, daarvoor moet een discipline, hoor ik van Jacques Rogge, in vijftig landen worden beoefend. En dat zit er bij het veldrijden niet in. Hoewel, vergis je niet, er worden wedstrijden in Japan georganiseerd. En in Amerika. Maar wat kunnen wij daar gaan doen? Een trip naar Amerika kost 2500 euro. Want je moet drie fietsen en een monteur meenemen. Terwijl je een vergoeding krijgt van 300 euro. Daarom: ik zie die UCI-punten als stimulans. En zo maak je ook je eigen discipline een stuk interessanter. DE CLERCQ: Daar geloof ik dus niets van. Tenzij Wellens wereldkampioen wordt en Nijs een trapje lager moet staan. Dan zal hij meer op de weg rijden. Om weg te vluchten van het veld. Maar om dat nu zomaar te zeggen. Trouwens, hij heeft nog geen enkele koers gewonnen op de weg, met welke referentie begin je daar dan aan? Je kan beweren dat je je aangesproken voelt door Parijs-Roubaix. Maar tussen die constatering en het winnen van Parijs-Roubaix ligt er een wereld van verschil. DE CLERCQ: Hij heeft klasse en inhoud. En hij is eerlijk. Hij zegt wat op zijn lever ligt. Hoewel, vroeger meer dan nu. Er zijn momenten dat hij zich nu te veel inhoudt. Hij zegt het zelf: ik denk nu eerst na voor ik spreek. Maar volgens mij moet je niet te veel nadenken, als het op je hart ligt, dan moet je het zeggen, dan moet je je niet in bochten beginnen te wringen. Zo heb ik het altijd gedaan. En ik heb me daar altijd goed bij gevoeld. Dat andere mensen daar moeilijkheden mee hebben, is hun zaak. Niet de mijne. Ze zeggen: De Clercq is een linke, het is altijd iets met hem. Maar ik kan je verzekeren: ik ben perfect in het reine met mezelf. Jacques Sys