Nee, 2004 was geen prettig jaar voor de Antwerpse OCMW-voorzitster Monica De Coninck (SP.A). Nochtans was ze eraan begonnen met veel goede moed en met het vaste voornemen om het sociaal beleid in Antwerpen nog beter af te stemmen op de noden van de Antwerpenaren.
...

Nee, 2004 was geen prettig jaar voor de Antwerpse OCMW-voorzitster Monica De Coninck (SP.A). Nochtans was ze eraan begonnen met veel goede moed en met het vaste voornemen om het sociaal beleid in Antwerpen nog beter af te stemmen op de noden van de Antwerpenaren. Daar was een fusie van alle openbare ziekenhuizen in het ZiekenhuisNetwerk Antwerpen (ZNA) niet vreemd aan. Die operatie was een nieuwe stap om het financiële huishouden van het OCMW op orde te zetten. Snel nadat De Coninck in april 2001 OCMW-voorzitster werd, kwam er een analytische boekhouding, met hulp van consultant BDO. Een jaar later ontdekte De Co- ninck dat de Antwerpse ziekenhuizen virtueel failliet waren. Tegenover hun gezamenlijke waarde van 375 miljoen euro stond een schuldenberg van 525 miljoen euro. In februari 2003 sloten het OCMW en de stad een Valentijnsakkoord. Door de overname van de schuld op korte termijn (300 miljoen) gaf de stad ademruimte aan het OCMW en de ziekenhuizen. 'Het was ondenkbaar dat een netwerk met 6000 patiënten per dag en 6000 personeelsleden over de kop zou gaan', zegt De Coninck. 'In negen maanden tijd hebben we dan het ZNA tot stand gebracht. Voor dat huzarenstuk heeft heel Europa bewondering en in Antwerpen plukken we de vruchten. In 2004 zijn de financiële prestaties van het ZNA 40 procent beter dan in 2003.'Maar over die positieve wending hing een schaduw. Bedrijfsrevisoren keurden enkel onder voorbehoud de ziekenhuisrekeningen van 2002 en 2003 goed. Bovendien was er door de splitsing van het OCMW en de ziekenhuizen een beginbalans nodig voor het ZNA, met een overzicht van de wederzijdse schulden en vorderingen. Omdat OCMW-ontvanger Erik Peeters die klus maar niet kon klaren, moest het accountantbureau Ernst & Young dat ten slotte doen. Die oefening scheepte De Coninck in oktober op met een nieuwe 'affaire'. Voor 22,5 miljoen euro is er in de OCMW-boeken geen helder spoor. De tussenstand luidt: ontvanger Peeters is preventief geschorst door de OCMW-raad, en alweer een ander bureau, Unisys, zoekt sinds 1 december een verklaring voor dat 'gat' in de boekhouding. MONICA DE CONINCK: Het gaat niet over een gat, maar over een krediet dat het OCMW in het verleden opnam voor de ziekenhuizen. Als ze dat geld niet hebben ontvangen, is het ZNA verlost van die schuld aan het OCMW. Maar in dat geval zijn er andere OCMW-uitgaven mee gedaan. Ik denk niet dat hier iemand met 22,5 miljoen euro is buitengegaan. Samen met de OCMW-raad wil ik weten waarvoor die som dan wel gediend heeft. Unisys controleert dat nu. DE CONINCK: Ik weet het niet. In de audit van Unisys zit een forensisch luik om na te gaan of fraude mogelijk is geweest en of die ook bewezen kan worden. Want dat laatste is nog heel wat anders. Aan Ernst & Young ontleen ik het beeld van de Chinese vaas, die elke dag enkele centimeters opschuift en plots weg is omdat iemand ze heeft meegenomen. Maar nogmaals, ik heb geen aanwijzingen dat er grote of kleine bedragen van de OCMW-rekening zijn gehaald. Het hoeft ook niet per se te gaan over geld dat ontvreemd is. Een frauduleuze boekhouding is ook fraude. Ik hoop vooral dat Unisys snel klaarheid schept zodat we eindelijk verlost zijn van de financiële perikelen bij het OCMW. DE CONINCK: Er was al maanden overleg met de ontvanger geweest. Maar we boekten geen vooruitgang. Ondertussen had ik met het stadsbestuur gecommuniceerd over het probleem, omdat ik zonder oplossing de rekening 2003 en de begroting 2005 van het OCMW niet kon voorleggen. De stad is ook onmiddellijk geïnformeerd over het rapport van Ernst & Young. Ik wilde het onder geen enkel beding onder de mat vegen of, zoals sommigen me hadden aangeraden, de zwartepiet naar de ziekenhuizen doorschuiven. Maar nog voor ik zelf iets aan de OCMW-raad en de pers kon meedelen, was er al een lek op het stadhuis geweest en werd ik in het defensief gedrongen. DE CONINCK: We konden het in elk geval missen als kiespijn dat de zaak pas in de aanloop naar de verkiezingen van 2006 zou losbarsten. Bij het begin van mijn OCMW-voorzitterschap werd ik geconfronteerd met een onverklaarbaar tekort van 40 miljoen euro. Dat hebben we weggewerkt. De stad is bijgesprongen en het OCMW betaalt gedurende acht jaar telkens 5 miljoen terug. Begin 2002 was er die enorme put bij de ziekenhuizen en nu ligt er een derde financieel verhaal op mijn bord. Dat is niet meer fair. Ik ontvlucht mijn verantwoordelijkheid niet. Maar na alles wat we al hebben opgekuist, wil ik voor die 22,5 miljoen niet op mijn eentje de storm trotseren. DE CONINCK: De ontvanger heeft naar eigen zeggen de vestzak-broekzakoperatie tussen het OCMW en de ziekenhuizen voor het grootste deel verduidelijkt. Maar dat had hij al veel vroeger kunnen doen. Bovendien is er geen uitleg voor de geldstroom naar het OCMW vanuit de thesaurie die onder zijn bevoegdheid valt. Er is nog iets merkwaardigs. De advocaten van Peeters hebben de OCMW-raad bestookt met procedurele argumenten, terwijl zijn nota met cijfers en bedragen niet in alle kaftjes zat die werden uitgedeeld. Ook niet in het mijne. Maar een week later bleken de vakbonden, de pers en sommige OCMW-raads- leden er wel over te beschikken. Het is alleszins geen officieel document. Er is vooral veel mist gespuid. DE CONINCK: Een aantal topambtenaren van het OCMW was inderdaad niet opgezet met een verzelfstandiging van de ziekenhuizen. Maar waarom hebben ze de financiële situatie van die instellingen dan laten verrotten? Net daardoor was er geen andere keuze dan een splitsing. Ik ben al bijna vier jaar bezig om te vermijden dat het OCMW dezelfde weg opgaat als de ziekenhuizen, en door andere overheden gedwongen zou worden om zijn eigen potje te koken. Daarom hamer ik zo op het belang van een transparante werking. DE CONINCK: Die cumul is net een voordeel. Met iemand van een andere politieke partij als ZNA-voorzitter zou het pingpongballetje nu nog heen en weer gaan. Daaraan heeft niemand een boodschap. Ik zie mezelf als een moeder van twee kinderen. Ze zijn me beiden even dierbaar. Maar ze moeten ook goed met elkaar omgaan. Doen het OCMW en het ZNA dat niet, dan verliest Antwerpen een enorm potentieel om te antwoorden op de stijging van de zorgvraag. DE CONINCK: Een OCMW-voorzitter moet het personeel vertrouwen. Maar ik heb snel ervaren dat er weinig communicatie tussen belangrijke ambtenaren was. Ze hoeven niet samen op café te gaan. Ze moeten wel samen de bedrijfsproblemen van het OCMW aanpakken. (heftig) Het is heel moeilijk om mensen aan te spreken op wat ze níét doen. Zo herinner ik me een hallucinant overleg met de stad. Ik moest op honderd en één financiële vragen antwoorden. Ik had het gevoel dat ik een poetsvrouw was die de rotzooi van jaren opruimde, terwijl de anderen toekeken, vertelden waarom dingen niet kunnen en zo nog meer rotzooi maakten. Toen heb ik gezegd dat het hun job is om oplossingen voor te stellen en dat ik wel een politieke beslissing zal nemen. DE CONINCK: Sommigen hebben me dat kwalijk genomen. Maar ik heb niemand persoonlijk beschuldigd. Ik heb op processen in de werking van een overheidsdienst gewezen en op de politieke machteloosheid om daar vat op te krijgen. Als een politicus met een betaalkaart een flesje parfum of een handtas koopt, staat hij weken op de voorpagina van de krant. Maar hij zou niet mogen wijzen op een negatieve dynamiek in een administratie. Dat begrijp ik niet. DE CONINCK: Bij het OCMW hadden alleen de secretaris, de ontvanger en ik een Visa-kaart. Maar na de Visa-crisis op het stadhuis is dat systeem ook bij ons afgeschaft. Ik betaal nu met mijn eigen kaart en ik geef de betaalbewijzen aan de hoofdbode. Tijdens de Visa-crisis hebben raadsleden van het Vlaams Belang hier minstens vijf keer de boeken gecontroleerd, maar niets gevonden. Naar aanleiding van die 22,5 miljoen euro zijn ze opnieuw in de OCMW-kelders gedoken om kopieën te maken. Omdat hun haring niet braadde bij andere Antwerpse journalisten, zijn ze dan maar naar 't Pallieterke en 't Scheldt getrokken. Waar gaat het over? Over inkopen bijvoorbeeld die ik in juni 2002 deed voor 95 euro, niet voor mezelf maar om te koken voor een groep ambtenaren na een teambuilding. Of over een boek dat ik niet voor mij kocht, maar als geschenk voor de directeur van het Stuyvenbergziekenhuis, die met pensioen ging. Wat is daar mis mee? Niets. Maar dergelijke pogingen om iemand te beschadigen horen er blijkbaar bij als je onder vuur komt te liggen. DE CONINCK: Dat is typisch. Om het leiderschap van een vrouw in vraag te stellen worden er altijd emotionele redenen bij gesleept. Politici zijn sowieso achterdochtig. Maar ik ben ook open en gepassioneerd met mijn opdracht bezig. Tegelijk kan ik u verzekeren dat ik nog nooit zo kalm ben geweest als tijdens mijn mandaat als OCMW-voorzitster. Ik vul die functie zo rationeel mogelijk in. Maar waarom zou ik niet verontwaardigd mogen zijn als ik na vier maanden nog geen antwoord op mijn vragen heb gekregen van de OCMW-ontvanger? DE CONINCK: Wie het schoentje past, trekt het aan. Ik zeg trouwens ook dat heel veel mensen bij het OCMW hard werken. De top moet ervoor zorgen dat ze dat in de beste omstandigheden kunnen doen en het goede voorbeeld geven. In een jaar tijd heb ik met 6000 mensen binnen en buiten het OCMW gesproken. Zij weten dat ik probeer om de juiste vragen te stellen en vastgeroeste zaken in beweging te krijgen. Door de problemen te benoemen en te benaderen zoals gewone mensen dat ook zouden doen, heb ik volgens mij tamelijk veel krediet bij de Antwerpenaren. DE CONINCK: (denkt even na) Dat zou kunnen. De opdracht van een OCMW-voorzitter wordt zwaar onderschat. Gelukkig heb ik veel steun van de OCMW-raad, met daarin ook twee parlements- leden (Cathy Berx van CD&V en Mieke Vogels van Groen!, nvdr). Die werkt heel goed in Antwerpen. Ik merk dat ook als mensen van andere OCMW's bijvoorbeeld onze sociale supermarkt bezoeken en vernemen hoe dat initiatief past in ons beleidsplan. Vooraf denken ze het ergste over Antwerpen, maar dan zijn ze verrast. Mijn sterke kant is het verzinnen van vernieuwende, pragmatische oplossingen. Ik neem dagelijks aan een tiental vergaderingen deel. Met alles wat ik daarvan opsteek, probeer ik één beleidsgerecht te maken. Een grondige hekel heb ik alleszins aan het ambtelijke refrein 'dat kan niet' of 'we zijn ermee bezig'. Dat wil ik niet meer horen. DE CONINCK: Nee, maar ik ben er wel van geschrokken dat driekwart van de mensen niet van verandering houdt. Dat heb ik zelf ervaren in het OCMW en de ziekenhuizen. Ik heb daar rekening mee leren houden. Soms kan je versnellen, soms moet je gas terugnemen. En altijd weer is goede communicatie nodig. Uiteindelijk heb je als OCMW-voorzitter zes jaar om iets te realiseren. Mijn grote bekommernis is dat de nieuwe dynamiek van het OCMW duurzaam is en aansluit bij de veranderingen in de samenleving. DE CONINCK: Ik zie er twee die elkaar hopelijk ooit zullen kruisen. Ten eerste is er de vergrijzing. Het is goed dat we gezonder zijn en langer leven, maar de zorgvraag zal sterk toenemen. In de rusthuizen van het OCMW is de gemiddelde leeftijd nu al 85,5 jaar en in onze serviceflats is dat 86,5 jaar. Over tien jaar is de helft van de Antwerpse bevolking ouder dan 55 jaar. De tweede uitdaging is de werkloosheid van jongeren en van de zeer verscheiden groep van migranten: allochtone Belgen van de tweede en derde generatie, asielzoekers, illegalen, enzovoorts. DE CONINCK: De toenemende zorgnoden vergen de inzet van veel arbeidskrachten en dus moeten we ook de mensen van vreemde afkomst daartoe opleiden en een baan geven. Anders kunnen we veel zorgvragen van ouderen niet beantwoorden. Tegelijkertijd zal een verzuurde generatie van 30- en 40-jarigen de achterstelling niet meer aanvaarden en mogelijk belanden in de hoek van het extremisme en fundamentalisme. DE CONINCK: In de beeldvorming blijft het OCMW nauw verbonden met armen en sukkelaars. Maar in Antwerpen slaat tweederde van onze activiteiten û in ziekenhuizen, rusthuizen, serviceflats, enzovoorts û op mensen die het wel min of meer goed hebben. We hebben Antwerpen opgedeeld in 40 wijken van tien- tot vijftienduizend mensen. In elke wijk moet er een rusthuis zijn en komt er een dienstencentrum. Daar worden activiteiten georganiseerd om de vereenzaming van mensen tegen te gaan. Veel ouderen hebben geen familie meer en soms ook geen kinderen. Daarnaast is er een dispatching van zorgtaken: een klus bij iemand thuis, poetshulp, een warme maaltijd, een bad met verzorging, enzovoorts. Het OCMW staat daar samen met privé-organisaties en de stad voor in. DE CONINCK: We hebben daarover afspraken gemaakt. Het OCMW richt zich tot mensen met een leefloon en mensen voor wie het VDAB-aanbod te hoog gegrepen is. Het vertrekpunt is een attitudetraining. We maken met hen de balans van hun leven en hoe ze de toekomst zien. Ze worden weerbaarder door hen te leren in groep te werken, op tijd op te staan, enzovoorts. In negen op de tien gevallen boeken we resultaat. Ik reik ook graag zelf de 'diploma's' uit. Dan pols ik naar hun dromen en die zijn meestal heel eenvoudig: een huis, werk, een partner en eventueel kinderen. Na die eerste training kunnen ze een opleiding sanitair, decoratietechnieken of elektriciteit volgen en ervaring opdoen op een stageplaats. Dat kan ook binnen het OCMW. Dikwijls vervangen ze nadien iemand die met pensioen gaat of elders gaat werken. Net door hun ervaring met bestaansonzekerheid en OCMW-hulp worden het onze beste werkkrachten. DE CONINCK: In een grote stad is het gemakkelijker om je weg te stoppen na een echtscheiding, een faillissement of een ander sociaal ongeluk. De kloof tussen rijk en arm neemt toe. En voor mensen die uit de boot vallen, is het steeds moeilijker om zich weer aan boord te hijsen. Daarbij spelen kennis en opvoeding een grote rol. Sommigen zijn als kind zo verwend geworden dat ze nooit geleerd hebben om zich te weren voor een dak boven hun hoofd of andere materiële dingen. Bij anderen merk je dat ze uit een eenoudergezin komen. Het effect van het groeiend aantal echtscheidingen wordt alsmaar groter. Steeds meer mensen hebben ook psychologische problemen. Vooral mannen, ook allochtone mannen, kampen daarmee. Ze kunnen niet meedraaien of ze vluchten in een je m'en foutisme. Vrouwen die een beetje lief en mooi zijn, hebben kennelijk meer mogelijkheden om vooruit te komen. Bij allochtone meisjes is er bovendien een grote drive om te studeren, een eigen weg te zoeken en niet meer met een man uit hun land van herkomst te huwen om thuis weg te raken. DE CONINCK: Nee. In Antwerpen verblijven ongeveer 10.000 illegale mensen die in de asielprocedure zitten of die zijn afgewezen. Velen komen via de steden en gemeenten rond Antwerpen. Die houden hun straatbeeld liever proper, terwijl het Antwerpse OCMW kan bijspringen voor huisvesting, een school voor de kinderen, medische zorg. Dat maakt een spanningsveld zichtbaar. We proberen in Antwerpen een zo goed mogelijk sociaal beleid te voeren, maar dat trekt ook meer volk aan. Het ZNA bijvoorbeeld heeft bij 150 andere OCMW's vorderingen van ziektekosten van patiënten lopen. Of neem met hiv besmette zwangere vrouwen. Voor hun medische begeleiding doen we een beroep op het Tropisch Instituut en een schitterende dokteres in een van de ziekenhuizen. Daardoor is slechts 10 procent van de kinderen ook met hiv besmet. Dat lokt andere vrouwen die je niet aan hun lot kan overlaten. DE CONINCK: Ik word regelmatig uitgenodigd door serviceclubs om over het OCMW te vertellen. Terwijl ik telkens verwonderd ben dat bijna niemand weet dat het OCMW met 6000 personeelsleden en een budget van bijna 600 miljoen euro het grootste bedrijf van Antwerpen is, zijn de aanwezigen elke keer verbaasd over de professionaliteit van onze werking. Dat hun belastinggeld goed wordt gebruikt, kunnen ze waarderen. Die houding nemen ze mee in hun andere sociale contacten. Zo maken ze het draagvlak van het OCMW groter. DE CONINCK: Voor het Vlaams Belang zal het nooit goed zijn. Bij het OCMW werven we bijvoorbeeld geregeld mensen met een vreemde naam aan. Tijdens de geheime stemmingen daarover is een aantal OCMW-raadsleden net om die reden altijd tegen. Dat is puur racisme. Vreemdelingen die geen werk hebben, zijn volgens het Vlaams Belang luieriken en profiteurs. Maar als ze werk kunnen krijgen, dan houdt die partij hen tegen. Het VLD-verhaal over rechten en plichten volg ik gedeeltelijk wel. Ik ben de eerste om arme en sociaal kwetsbare mensen een kans te geven en zelfs een tweede kans. Maar ik ben ook hard als iemand met mijn voeten speelt. Het is niet omdat het OCMW bij velen blijft doorgaan voor 'de bank van de Lange Gasthuisstraat', dat dat in de praktijk zo is. Met mensen die we helpen, worden afspraken gemaakt en integratiecontracten gesloten. Wie zijn engagement niet nakomt, krijgt een sanctie. Het valt me trouwens op dat veel jongeren en allochtonen de mechanismen van onze sociale zekerheid niet kennen. Bij het OCMW kan je in een direct contact nog uitleggen dat mensen met een leefloon eigenlijk betaald worden door de gemeenschap om een opleiding of een taalcursus te volgen, en dat ze dat dan ook moeten doen. Bij een eenrichtingsverkeer is noch het OCMW, noch iemand met een leefloon gebaat. Door Patrick Martens'Ik heb een grondige hekel aan het ambtelijke refrein 'dat kan niet' of 'we zijn ermee bezig'.''Bijna niemand weet dat het OCMW met 6000 personeelsleden en een budget van bijna 600 miljoen euro het grootste bedrijf van Antwerpen is.''Een frauduleuze boekhouding is ook fraude.'