John Dewey, de belangrijkste Amerikaanse sociaal filosoof van de twintigste eeuw, definieerde politiek als 'de schaduw die big business op de maatschappij werpt'. Hij vervolgde dat er niets zou veranderen zolang de macht in handen bleef van 'de leiders van de zakenwereld, die winst willen via privécontrole over het bankwezen, de gronden en de industrie. Die zakenwereld versterkt zijn macht nog eens door zijn greep op de pers, op persagentschappen en op andere middelen voor publiciteit en propaganda.' Hervormingen volstaan dus niet. Er is een diepgaande sociale verandering nodig om van echte democratie te kunnen spreken.
...

John Dewey, de belangrijkste Amerikaanse sociaal filosoof van de twintigste eeuw, definieerde politiek als 'de schaduw die big business op de maatschappij werpt'. Hij vervolgde dat er niets zou veranderen zolang de macht in handen bleef van 'de leiders van de zakenwereld, die winst willen via privécontrole over het bankwezen, de gronden en de industrie. Die zakenwereld versterkt zijn macht nog eens door zijn greep op de pers, op persagentschappen en op andere middelen voor publiciteit en propaganda.' Hervormingen volstaan dus niet. Er is een diepgaande sociale verandering nodig om van echte democratie te kunnen spreken. Het politieke systeem dat hier onder vuur ligt, vertoont nog enige gelijkenis met het oorspronkelijke ontwerp ervan, maar de bedenkers ervan zouden onthutst zijn te zien hoe het zich ontwikkeld heeft. Vooral het feit dat het juridische systeem rechten van personen toepaste op 'collectieve entiteiten' (vennootschappen), is ontstellend. In hedendaagse internationale economische overeenkomsten - ten onrechte 'vrijhandelsakkoorden' genoemd - gaan die rechten veel verder dan die van personen van vlees en bloed. Elke verdere stap in die ontwikkeling brengt een ernstige slag toe aan klassiek liberale principes, aan democratie en aan de marktwerking. Bij wet worden van de machtige en onsterfelijke 'personen' die zo gecreëerd werden, morele gebreken verlangd die we bij echte mensen als pathologisch zouden bestempelen. Een belangrijk principe van het Anglo-Amerikaanse bedrijfsrecht is dat bedrijven uitsluitend mogen uit zijn op materiële winst. Ze mogen liefdadigheidswerken verrichten, maar alleen als die een positieve invloed hebben op hun imago, en bijgevolg op hun winst en hun marktaandeel. Rechtbanken gaan soms nog verder. Een hoger hof in Delaware merkte op: 'Hedendaagse rechtbanken erkennen dat de zakelijke voordelen die nu wettelijk aan vennootschappen zijn toegekend, onaanvaardbaar zullen worden voor de vertegenwoordigers van een wantrouwig publiek, tenzij vennootschappen zich meer inzetten voor liefdadigheid en onderwijs.' De 'greep op de middelen voor publiciteit en propaganda' waar Dewey het over had, moet dus gebruikt worden om te vermijden dat 'een wantrouwig publiek' inziet hoe het vlechtwerk van staat en ondernemingen in elkaar zit. Het oorspronkelijke ontwerp werd duidelijk verwoord door de meest invloedrijke van de bedenkers ervan, namelijk James Ma-dison. Hij beweerde dat de macht in handen moest zijn van 'de rijkdom van de natie. De meer bekwame mensen zonder eigendom of zonder hoop eigendom te verwerven,' zo bedacht hij aan het eind van zijn leven, 'kunnen niet genoeg begrip opbrengen voor de rechten van die eigendom. Daarom mogen ze er ook geen macht over hebben.' De rechten zijn niet die van de eigendom, die immers geen rechten heeft, maar die van de bezitters. En die moesten volgens Madison dus meer rechten hebben dan gewone burgers. Madison kende waarschijnlijk Adam Smiths opmerking dat 'de regering, voor zover ze er is om eigendom te beschermen, eigenlijk in het leven geroepen is om de rijken te beschermen tegen de armen, of mensen die eigendom hebben tegen hen die er geen hebben'. Op de Constitutionele Conventie waarschuwde Madison zijn collega's voor het gevaar van democratie: wat zou er in Engeland gebeuren 'mochten alle klassen stemrecht hebben'? De bevolking zou dat stemrecht gebruiken om land eerlijker te verdelen. Om dat onrecht te voorkomen, raadde hij aan 'de rijke minderheid te beschermen tegen de meerderheid', wat ook gebeurde. Het probleem dat Madison zag, was verre van nieuw. Het gaat terug tot de eerste klassieker in de politieke wetenschap, de Politika van Aristoteles. Van alle bestuursvormen die hij besprak, vond Aristoteles democratie 'de meest aanvaardbare', hoewel hij natuurlijk een beperkte democratie van vrije mannen in gedachten had, net als Madison 2000 jaar later. Aristoteles vond dat er ook enkele tekortkomingen aan deze bestuursvorm verbonden waren, want de armen zouden 'het goed van hun buur begeren'. En als de rijkdom te veel geconcentreerd was, zouden de armen hun macht als meerderheid gebruiken om de rijkdom gelijkmatiger te verdelen. 'In een democratie moeten de rijken ontzien worden. Niet alleen mag hun eigendom niet verdeeld worden, maar ook hun inkomen moet gevrijwaard blijven... Wat een geluk in een staat te leven waar de burgers gematigd maar voldoende bemiddeld zijn! Want waar enkelen veel hebben en anderen niets, ontstaat het gevaar voor een extreme democratie.' En die erkent de rechten van de rijken niet. Aristoteles en Madison hadden het over hetzelfde probleem. Toch kwamen ze tot tegenovergestelde conclusies. Madison stelde voor de democratie in te perken, terwijl Aristoteles het had over de ontwikkeling van een welvaartsstaat die de ongelijkheid binnen de perken moest houden. Als democratie echt wil werken, zei hij, 'moeten maatregelen genomen worden die voor (iedereen) een blijvende welvaart kunnen verzekeren'. 'Belastinggeld moet worden verdeeld onder de armen' om hen de mogelijkheid te geven 'een kleine boerderij te kopen, of op z'n minst aan handel en landbouw te doen'. Aristoteles stelde ook 'publieke maaltijden' voor die bekostigd moesten worden met de opbrengsten van 'gemeenschappelijk land'. (...) Hoewel de volksstrijd door de eeuwen heen veel overwinningen behaald heeft voor vrijheid en democratie, gaat de vooruitgang over een oneffen pad. Er is een spiraal van vooruitgang onder druk van het volk, gevolgd door achteruitgang als de machthebbende instanties hun krachten bundelen om de vooruitgang, minstens gedeeltelijk, ongedaan te maken. Hoewel de spiraal normaal opwaarts gaat, is de achteruitgang soms zo groot dat de bevolking bijna volledig buitenspel gezet wordt via pseudoverkiezingen, zoals de 'karikatuur' van 2000 en de nog ergere vertoning van 2004. In wetenschappelijke tijdschriften vraagt men zich voorzichtig af of 'het politieke systeem van de Verenigde Staten nog wel levensvatbaar is'. Sommigen vergelijken het ministerie van Justitie onder George W. Bush met dat van de nazi's; anderen zien parallellen tussen het beleid van Bush en dat van het fascistische Japan. De huidige maatregelen om de bevolking kort te houden, roepen ook nare herinneringen op. Fritz Stern, een vooraanstaande specialist in de geschiedenis van Duitsland, begint zijn recente overzicht van 'het verval van Duitsland van beschaving tot nazibarbarij' met de volgende opmerking: 'Vandaag maak ik me zorgen over de nabije toekomst van de Verenigde Staten, het land dat in de jaren dertig een toevluchtsoord was voor veel Duitstaligen', onder wie hijzelf. Niemand kan naast de link met het hier en nu kijken, wanneer Stern verwijst naar Hitlers duivelse oproep voor zijn 'goddelijke missie' als 'de verlosser van Duitsland'. Stern wijst er ook op dat Hitler van de politiek een 'pseudoreligieus' gegeven maakte dat helemaal paste in de 'traditionele christelijke leer'. Hij leidde een regering die toegewijd was aan 'de basiswaarden' van de natie, met 'christelijkheid als het fundament van onze nationale moraal en de familie als het fundament van het nationale leven'. Hitlers vijandigheid tegenover de 'liberale seculiere staat', die hij deelde met de meeste protestantse geestelijken, stimuleerde 'een historisch proces waarbij de ontevredenheid over een ontluisterde seculiere wereld tot uitdrukking kwam in een extatische vlucht in irrationaliteit'. Er mag niet vergeten worden dat dit snelle verval in barbarij plaatsvond in het land dat in wetenschap, filosofie en kunst de trots was van de westerse beschaving. Vóór de waanzinnige propaganda van de Eerste Wereldoorlog beschouwden vele politieke wetenschappers in de VS Duitsland als een toonbeeld van democratie. Amos Elon, een van de vooraanstaande Israëlische intellectuelen - die overigens door zijn wanhoop uit te spreken over het sociale en morele verval in Israël zichzelf verbande - beschrijft de Joodse gemeenschap in Duitsland ten tijde van zijn jeugd als 'de seculiere elite van Europa. Ze waren de kern van het modernisme - leiders, die de kost wonnen met de kracht van hun geest en niet met die van hun spieren. Tussenpersonen, geen land-arbeiders. Journalisten, schrijvers, wetenschappers. Als het allemaal niet zo'n verschrikkelijke wending genomen had, zouden we vandaag de lof zingen voor de cultuur van Weimar. We zouden haar vergelijken met de Italiaanse renaissance. Wat daar gebeurde op het vlak van literatuur, psychologie, schilderkunst en architectuur, gebeurde nergens anders. De wereld had iets dergelijks niet meer gezien sinds de renaissance.' Amos Elon overdrijft niet. Er mag ook niet vergeten worden dat de nazi's voor hun propagandatechnieken de mosterd haalden bij de bedrijfswereld. Die technieken waren in de Anglo-Amerikaanse maatschappijen voor het eerst uitgetest. Ze zochten hun toevlucht tot eenvoudige 'symbolen en slagzinnen' die men 'tot vervelens toe herhaalde' en die angst en andere basisemoties opriepen, op de manier van reclameadvertenties. 'Goebbels huurde een groot deel van de belangrijkste reclamemensen in Duitsland in voor zijn ministerie van Propaganda', en pochte dat hij 'Amerikaanse reclame-methodes zou gebruiken' om 'het nationaalsocialisme te verkopen' zoals bedrijven dat doen met 'chocolade, tandpasta, en medicijnen'. Het was allemaal angstaanjagend efficiënt, en het leidde tot het plotse verval van beschaving in barbarij waarover Fritz Stern zo onheilspellend schrijft. Duivels messianisme: het is een haast natuurlijk devies voor leidende groepen aan de extreme zijde van het spectrum, vastberaden op zoek naar kortetermijnbelangen voor een beperkt aantal machtssectoren en naar wereldoverheersing. Je moet al ziende blind zijn om niet te begrijpen dat dit de drijfveer is van de huidige politiek van de VS. De doelstellingen van de regering en de methoden die ze gebruikt om die te bereiken, stuiten stuk voor stuk op tegenstand van het publiek. Daarom is het nodig de houding van het publiek met alle macht te manipuleren, en daarvoor worden de instrumenten gebruikt die ook de grote vennootschappen aanwenden om gedrag en opvattingen te beïnvloeden.