De geelkuifkaketoe is een grote, smetteloos witte papegaaiachtige die in veel dierentuinen te bewonderen is. De vogel is ook erg populair bij privéverzamelaars. Een ongewenst gevolg van dat succes is dat hij in de natuur met uitsterven bedreigd is. Hij wordt zo intens gevangen om de lucratieve handel in kooivogels te voeden, dat er in zijn bosrijke leefgebied in Indonesië waarschijnlijk geen vijfduizend exemplaren meer overblijven. Zijn biotoop staat daarenboven onder druk van menselijke ontginning.
...

De geelkuifkaketoe is een grote, smetteloos witte papegaaiachtige die in veel dierentuinen te bewonderen is. De vogel is ook erg populair bij privéverzamelaars. Een ongewenst gevolg van dat succes is dat hij in de natuur met uitsterven bedreigd is. Hij wordt zo intens gevangen om de lucratieve handel in kooivogels te voeden, dat er in zijn bosrijke leefgebied in Indonesië waarschijnlijk geen vijfduizend exemplaren meer overblijven. Zijn biotoop staat daarenboven onder druk van menselijke ontginning. Maar zijn succes als volièrevogel kan vreemd genoeg ook de redding van de soort betekenen. Een van de grootste populaties van de geelkuifkaketoe bevindt zich nu in de parkgebieden van de stadstaat Hongkong, zo meldt Frontiers in Ecology and the Environment. Vogels die uit gevangenschap zijn ontsnapt, slaagden erin zich aan te passen aan het stedelijke milieu. Ze planten er zich zelfs voort: ze zijn al met meer dan tweehonderd. De vrees bestaat dat hun succes ten koste zal gaan van lokale diersoorten, met wie ze in competitie treden. Maar er is geen enkele soort bij die zo zeldzaam is als de kaketoe. Er wordt nu overwogen een deel van de 'onnatuurlijke' populatie te vangen voor de handel, om zo de druk op de wilde populaties te verminderen. Wetenschappers hebben het in deze context over een 'conservatieparadox': wat moet je aanvangen met populaties van verwilderde exemplaren van bedreigde diersoorten in een onnatuurlijke omgeving? Het artikel lijstte 49 soorten bedreigde dieren (en planten) op die het wonderwel goed doen in een onnatuurlijke biotoop. De Javaanse maina, een soort spreeuw, krijgt het kwaad in zijn natuurlijke leefomgeving, maar ontsnapte volièrevogels floreren in Singapore. Van de banteng, een rund uit de Indonesische wouden, leven er ondertussen meer op het Australische continent, waar er in 1849 twintig werden uitgezet voor de jacht, dan in hun oorspronkelijke biotoop. Het Braziliaanse goudkopleeuwaapje is zo goed als uitgestorven in zijn kustregenwoud, maar uit gevangenschap ontsnapte diertjes koloniseren de bosrijke zones in en rond de stad Rio de Janeiro. Dieren kunnen zich uiteraard ook op natuurlijke wijze aan een leven in de stad aanpassen. Steden zijn een recent verschijnsel, maar toch zitten ze vol dieren, en niet alleen duiven en ratten. Een schoolvoorbeeld van een natuurlijke aanpassing van een wilde vogel aan een stadsmilieu is onze merel. Tot ver in de negentiende eeuw was dat een vrij schuwe bosvogel, maar nu is hij een van onze algemeenste tuinvogels. Hij durft zelfs te broeden op een brievenbus tegen een muur, in een bloembak op het terras van een appartement of op het richeltje voor een van de lampen van een verkeerslicht. Bij de overgang van bos- naar stadsvogel heeft de merel zijn gedrag fundamenteel aangepast. Vroeger migreerde hij in de winter, nu is hij standvogel. In een stad broedt hij vroeger (en misschien ook later) dan in zijn oorspronkelijke bosbiotoop. Hij kan er ook een hogere dichtheid van soortgenoten aan. Stadsmerels gaan omzichtiger om met dingen die ze niet kennen dan merels van het platteland. Ze worden meer met risico's geconfronteerd, zodat ze voorzichtiger zijn. In het algemeen zijn stadsvogels slimmer dan vogels op het platteland - naar analogie met de gedachte dat een stad ook mensen slimmer maakt, omdat er meer te beleven is dan op het platteland. Zo nemen stadsvogels sneller nieuwe voedingsmethoden in hun arsenaal op dan vogels van het platteland. Biology Letters publiceerde een studie met de boodschap dat ook Angry Birds vooral in een stad gevonden worden: de diertjes komen er agressiever uit de hoek. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ze er in grotere dichtheden voorkomen, omdat er meer eten te vinden is en ze dus kleinere territoria hebben. Een nadeel is wel dat de kans op de overdracht van parasieten daardoor ook groter is. Vogels zouden in een stad gemakkelijker ziek worden dan op het platteland. Van onze koolmees is bekend dat ze een beter leven heeft op het platteland dan in de stad. Bioloog Jacques de Satgé van de Universiteit Antwerpen won begin dit jaar de tweejaarlijkse 'Ornithologieprijs Wim Dings - de Wielewaal' met een studie over mezen in een stedelijke omgeving. Die vinden in de parken minder inheemse bomen zoals eiken, waarin de grote aantallen rupsen leven die ze nodig hebben om hun jongen groot te krijgen. Het groeiende aantal vetbollen in tuinen kan dat tekort niet compenseren. Het gevolg is dat er in een stadsomgeving per nest een derde minder jonge koolmezen uitvliegt dan in een bos. De jongen zijn daarenboven lichter, waardoor hun overlevingskansen verkleinen. De studie besloot dat de mezenpopulaties in onze tuinen waarschijnlijk constant worden aangevuld door diertjes afkomstig van bossen. Een verslag in Biology Letters toonde aan dat koolmezen in een stadsomgeving ook sneller sterven dan op het platteland, omdat ze als gevolg van stress versneld verouderen. De stress uit zich in een grotere slijtage van de telomeren: de kapjes die op de uiteinden van chromosomen zitten om ze te beschermen tegen aftakeling. Ook bij de mens kan slijtage van de telomeren tot een snellere veroudering leiden. Iets meer dan de helft van de mensheid leeft vandaag in een stedelijke omgeving, en naar alle verwachtingen zal dat tegen 2050 minstens twee derde zijn. Steden breiden zich snel uit. De Vlaamse ruit tussen Brussel, Leuven, Antwerpen en Gent is in feite al één groot verstedelijkt gebied. Dieren zijn dus verplicht zich aan te passen als ze niet ten onder willen gaan. Het is verbazend hoe goed dat soms gaat. The Journal of Experimental Biology meldde dat onze egels zich in een verstedelijkte omgeving goed thuis voelen. Hun territoria zijn er een stuk kleiner dan op het platteland: gemiddeld 5 versus 50 hectare, waardoor ze zich minder hoeven te verplaatsen. Voor hun verplaatsingen wachten ze dikwijls tot na middernacht, wanneer het een stuk rustiger is. De egel is een van de voornaamste slachtoffers van ons verkeer. Ook vossen doen het goed in steden. De indruk bestaat zelfs dat ze het in steden beter doen dan op het platteland, waar ze nog altijd geviseerd worden door jagers en andere dieronvriendelijke sujetten. In New Scientist verscheen een verslagje over de evolutie van het bestand van stadsvossen in Engeland, die als een 'explosie' wordt omschreven. De stadsvossenpopulatie zou er sinds de jaren 1990 vervijfvoudigd zijn tot ongeveer 150.000 exemplaren. Op het platteland zou de populatie de laatste twintig jaar wel achteruitgegaan zijn. Zelfs grote dieren als wolven en beren worden in Europa en elders almaar vaker in een vermenselijkte leefomgeving gezien. Twee weken geleden werd in Nederland nog een zwervende wolf doodgereden. The Journal of Applied Ecology meldde dat in Zwitserland, dat nog veel nagenoeg ongerepte natuur heeft, wolven bij voorkeur in door de mens beïnvloede leefgebieden terechtkomen. Daar zou het leven wat gemakkelijker zijn, want er is meer (en gemakkelijker) eten te vinden. Hetzelfde geldt voor beren. Volgens The Journal of Zoology vertoeft de bruine beer in Slovenië nu de helft minder lang in winterslaap dan vroeger, omdat hij kan rekenen op 'menselijk' voedsel, zoals afval. Beren worden steeds meer beesten van vuilnisbakken. Ze worden uit hun bos naar dorpen en steden gelokt, maar dat kan ook een ecologische valkuil zijn, omdat ze er minder oud worden en minder jongen krijgen. Een stedelijke leefomgeving ontneemt de roofdieren hun klauwen, besloot een artikel in Proceedings of the Royal Society B. Aan de andere kant van het biodiversiteitsspectrum staan beestjes als insecten. Steden kunnen verrassend hoge aantallen insecten herbergen, hoewel hun diversiteit er doorgaans een stuk kleiner is dan in - min of meer ongerepte - landelijke gebieden. Proceedings of the Royal Society B meldde vorig jaar dat hommels in steden minder lang leven dan op het platteland, omdat ze meer met parasieten te maken krijgen. Maar ze leven wel intenser, waardoor ze meer bloemen bezoeken (en bevruchten). Bioloog Frederik Hendrickx van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen meldde vorige maand met een aantal collega's in Global Change Biology dat verstedelijking nadelig is voor de diversiteit van insectenpopulaties. Ze toonden dat aan door onderzoek van loopkevers op 81 plaatsen in ons land. Keversoorten met korte vleugels raken in steden met hun versnipperde groengebieden niet gemakkelijk van de ene plek naar de andere, waardoor ze verdwijnen. Een deel van het verlies wordt gecompenseerd door het feit dat steden aantrekkelijk zijn voor soorten die het graag warm hebben. Steden zijn met hun asfalt en mensenmassa's wat warmer dan het platteland. Een overzichtsartikel dat begin dit jaar in Proceedings of the National Academy of Sciences verscheen, registreerde 1600 aanpassingen van dieren uit de hele wereld aan een verstedelijkte leefomgeving. Slechtvalken vervangen kliffen als uitvalsbasis door richels op kerken en hoge flatgebouwen. Regenwormen worden genetisch zo bijgestuurd dat ze beter bestand zijn tegen zware metalen en andere vervuilers in een door mensen aangetaste bodem. Spinnen worden groter, mogelijk omdat ze meer eten vinden. Vlinders vliegen in de lente vroeger uit als gevolg van de globale opwarming, die zich in steden nog sterker manifesteert dan elders. 'Overal om ons heen zien we snelle biologische evolutie', besloten de auteurs. 'De mens is momenteel waarschijnlijk de sterkste evolutionaire stuwkracht in de wereld. Verstedelijkte leefomgevingen bewijzen hoe flexibel de darwiniaanse selectieprocessen zijn. Soorten kunnen hun gedrag in minder dan enkele tientallen jaren tijd substantieel aanpassen als ze in een stadsomgeving terechtkomen.' Een geluk bij een ongeluk is dat stadsmensen doorgaans toleranter staan tegenover wilde dieren dan mensen op het platteland. Daar worden soorten zoals de vos als een regelrechte bedreiging gezien en is de angst voor besmetting met door dieren overdraagbare ziektes ook groter. Voor mensen in de stad zijn wilde dieren een vorm van surrogaat voor de natuur die ze moeten missen. Maar als dat het welzijn van de dieren ten goede komt, is daar niets op tegen. Veel soorten hebben het moeilijk genoeg met de overdonderende menselijke aanwezigheid. Door DIRK DRAULANSIn het algemeen zijn stadsvogels slimmer dan vogels op het platteland. Ze gedragen zich ook agressiever.