Elk medicament heeft bijwerkingen, elke remedie nadelen. Processen die genezing van maatschappelijke kwalen moeten brengen, ontsnappen niet aan die regel. Zoals in de geneeskunde, kan men hopen dat de schadelijke neveneffecten vanzelf verdwijnen, of ze op hun beurt bestrijden.
...

Elk medicament heeft bijwerkingen, elke remedie nadelen. Processen die genezing van maatschappelijke kwalen moeten brengen, ontsnappen niet aan die regel. Zoals in de geneeskunde, kan men hopen dat de schadelijke neveneffecten vanzelf verdwijnen, of ze op hun beurt bestrijden. Een van de belangrijkste maatschappelijke verwezenlijkingen van de aflopende eeuw is de grotendeels gerealiseerde sociale gelijkheid van de vrouw. Het proces heeft veel onrecht uit de samenleving weggenomen, maar ook schade aangericht. Een neveneffect dat zich sinds enkele jaren manifesteert en in toenemende mate irriteert, is de verminking van de taal. Men moet vrezen, dat het een moeilijk herstelproces zal zijn dat de samenleving het onbevangen spraakvermogen terug kan geven. Neem het probleem van de voornaamwoorden, en laat ons het geknoei met de substantieven nog buiten beschouwing laten. Het probleem dook op omstreeks het begin van de jaren tachtig toen de verontwaardiging opkwam om het gebruik van mannelijke voornaamwoorden ter aanduiding van zowel mannen als vrouwen. Wat altijd als normaal werd beschouwd, werd plots een bron van ergernis. Het aanstootgevend taalgebruik kon in haast elke tekst vastgesteld worden, van krantenartikels tot de grondwet. "Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan voor het algemeen nut", leest men in artikel 16 van de Belgische grondwet. "Zijn eigendom? Alleen het zijne? Kan zij van het hare wèl worden ontzet? Natuurlijk niet, want de grondwet discrimineert niet tussen man en vrouw; hij negeert deze laatste alleen maar. Aan die stuitende situatie moet een einde worden gemaakt, werd aangevoeld. Daartoe zijn in principe meerdere mogelijkheden denkbaar. In de praktijk kwam er maar één in aanmerking, de meest radicale die ook de meeste schadelijke effecten heeft op de taal. De eenvoudigste oplossing zou die van de inschikkelijkheid zijn geweest. Hou er gewoon mee op discriminatie te zoeken in teksten die niet de bedoeling hebben te discrimineren. Alle Belgen zijn gelijk voor de wet, stelt de grondwet uitdrukkelijk (art. 10) en hij maakt geen uitzondering voor vrouwen. Waarom zou men dan in deze tekst betekenissen leggen die er niet in liggen? Zo ook met de krant die schrijft dat een automobilist alleen mag rijden als hij niet gedronken heeft. De krant beweert daar niet dat zij wel gedronken mag hebben. Het gebruik van "hij" is alleen maar een oude gewoonte die verder geen misverstanden moet wekken. De taal is wel vaker niet letterlijk te nemen. ER MOEST ABSOLUUT EEN BREUK MET HET VERLEDEN ZIJNMaar dat standpunt, hoe redelijk ook, kende geen genade in de ogen van de nieuwe puristen. Het is de ongecorrigeerde oude praktijk, en die stuit tegen de borst. Een andere mogelijkheid werd geboden door een kleine semantische operatie uit te voeren. Het woordenboek zou voortaan moeten vermelden dat het persoonlijke voornaamwoord "hij" twee betekenissen heeft: het is de onderwerpsvorm van de "derde persoon, mannelijk, enkelvoud", en ook van de "derde persoon zonder geslachtsaanduiding, enkelvoud". Dat "hij", als duizenden andere woorden, twee strikt te onderscheiden betekenissen heeft, kan geen bezwaar zijn. Op dezelfde manier zou ook het bezittelijk voornaamwoord "zijn" naar een mannelijke persoon kunnen verwijzen, ofwel naar een persoon van wie het geslacht in het midden gelaten wordt. Het probleem zou daarmee de wereld uit zijn. Het woordgebruik kan blijven wat het is, zonder dat het discrimineert en zonder de slordigheid waar men in het eerste geval nog over kon vallen. Deze oplossing is correct en perfect, maar ze was kansloos. Wat ontbreekt, is de breuk met het verleden, de uitdrukkelijke rechtzetting van wat altijd krom was geweest en verdragen werd maar nu niet langer geduld kan worden. Dat het taalgebruik in de praktijk onveranderd zou blijven, is precies het probleem. Een derde mogelijkheid voldoet aan de eis van gelijkheid en ook aan het manifeste verlangen naar verandering en duidelijkheid. De werkwijze is wat omslachtig, maar juist dat kan ertoe bijdragen dat de nonchalante taalseksist zich van zijn tergend gedrag bewust wordt. Als hij of zij door zijn of haar woordkeuze de helft van de mensheid over het hoofd placht te zien, moet hem of haar maar geleerd worden dat het tijd is het leven te beteren. Laat dat hem of haar duidelijk zijn. Zo hoort het. Of toch bijna. Om elk restant van ongelijkheid weg te werken zal men "hem of haar", "hij of zij", enzovoort geregeld afwisselen met "haar of hem", "zij of hij", enzovoort. Op die manier wordt iedereen ontzien. Behalve de lezer(es). Die krijgt onophoudelijk stopwoordjes te slikken die geen ander doel dienen dan de auteur te beschermen tegen het verwijt van seksisme. Het ritme van de zinnen is kapot, de structuur ontwricht door een ballast van obligate woordjes. De gebaldheid is weg, de tekst verwatert. Maar dat wordt geacht een kleine prijs te zijn voor het ideaal van de gelijkheid van de geslachten.DE LEERLINGEN LEREN NIET-SEKSISTISCH SCHRIJVENDe Verenigde Staten, altijd op de bres voor de mensenrechten, namen ook in deze zaak het voortouw. Al lang verschijnt daar geen boek meer waarin de "he's" en "she's" elkaar niet krampachtig in evenwicht houden. Met enige vertraging volgde Europa en schakelde ook hier elke auteur die de gevoeligheden van zijn of haar tijd kent, over op het opsommend gebruik van de mannelijke en vrouwelijke voornaamwoorden. Op school leert de lera(a)r(es) haar of zijn leerlingen niet-seksistisch schrijven. Een kniesoor die nog stilistische bezwaren maakt. De derde oplossing voldoet aan de eisen van de nieuwe etiquette. We zitten ermee. Men leest geen boek of artikel meer zonder over de hij/zij-, hem/haar-constructies te struikelen. De gelijkheid van de geslachten is verzekerd, maar de taal is gehavend. De afzichtelijke combinaties hangen als dode gewichten en tegengewichten in de zinnen die men slechts hinkend kan lezen. De schrijver die niemand wil kwetsen en niemand negeren en toch zijn zinnen vlot wil laten vloeien, kan alleen maar hopen dat de kwaal overgaat. Pas dan kan hij weer vrijer leven. En de lezer ongehinderd lezen. Ook als hij een zij is.DOOR GERARD BODIFEE