Cijfers vertellen zelden het hele verhaal en dat geldt ook als het om de officiële telling van het aantal werklozen gaat. Er is in de voorbije jaren zo duchtig met dat getal gerommeld dat het voor een niet-ingewijde bijna niet meer te volgen is wie daar nu nog wordt bijgerekend en wie niet. Internationale vergelijkingen zijn zo mogelijk nog riskanter omdat de verschillende landen andere definities gebruiken van wat nu precies een werkzoekende is.
...

Cijfers vertellen zelden het hele verhaal en dat geldt ook als het om de officiële telling van het aantal werklozen gaat. Er is in de voorbije jaren zo duchtig met dat getal gerommeld dat het voor een niet-ingewijde bijna niet meer te volgen is wie daar nu nog wordt bijgerekend en wie niet. Internationale vergelijkingen zijn zo mogelijk nog riskanter omdat de verschillende landen andere definities gebruiken van wat nu precies een werkzoekende is.Cijfers zeggen dus niet alles, maar ze vormen toch een aanwijzing van een ontwikkeling in een of andere richting. Neem het Vlaamse werkloosheidscijfer voor de maand oktober, dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling vorige week niet zonder trots bekend maakte. In vergelijking met een jaar geleden, wist de VDAB, telt Vlaanderen bijna elf procent werkzoekenden minder en werden er zo'n veertig procent meer aangeboden jobs geteld. Daarmee bevinden wij ons, in het noorden van België, weer op het niveau van 1978. Er zijn regio's en sectoren waar bedrijven geen werkvolk meer kunnen krijgen. Er gingen daarbij al meteen stemmen op om maar wat te schrappen in projecten voor sociale economie, wegens overbodig geworden. Laten we toch maar niet te snel gaan, want die vergelijking met 1978 klopt niet helemaal. Oudere werklozen, bijvoorbeeld, werden toen nog netjes meegeteld, ondertussen zijn ze uit de statistieken geschrapt. De overheid gaat ervan uit dat ze geen werk meer zoeken, en dus ook niet echt werkloos zijn. Dat zijn, parenthesis, toevallig wel de mensen die de federale premier Guy Verhofstadt opnieuw aan de slag wil zien: er werken bij ons nog zo weinig vijftigers en prille zestigers dat de totale activiteitsgraad van de bevolking internationaal bekeken laag uitvalt. Met andere woorden wil dat ook zeggen: omdat ze niet werken, dragen ze niet bij tot de sociale zekerheid maar eten ze mee uit die grote ruif. We zijn in het recente verleden nu eenmaal bijzonder gul geweest met uitstapregelingen allerhande; die evolutie terugdraaien zal niet meevallen. Bovendien is het werk op de vloer ook niet meer wat het anderhalve generatie geleden was. Het ritme ligt hoog en stress is niet meer het voorrecht van goedbetaalde managers alleen. Er zal veel inventiviteit nodig zijn om mensen die het wel gezien hebben toch in het arbeidsproces te houden - op een manier die ze aankunnen en accepteren en die nuttig is voor het bedrijf. Het neemt niet weg dat de ontwikkeling in Vlaanderen opmerkelijk is. Een regio zoals Roeselare bijvoorbeeld, heeft met nog goed vijf procent werklozen bijna een situatie van volledige tewerkstelling bereikt. Toch mag de Vlaamse minister voor Werkgelegenheid Renaat Landuyt zich nog gelukkig prijzen dat hij ook het toerisme in zijn portefeuille heeft. Want zijn jubelcommuniqué over de Vlaamse werkloosheidscijfers, waaraan hij verder ook geen verdienste heeft, haalde een dag later de Franstalige Belgische kranten niet. Le Soir wist wel dat de minister er aan denkt om de kust (toerisme, dus) weer Belgisch te noemen, in plaats van Vlaams - zoals dat onder Luc Van den Brande gebruikelijk was geworden. Hoe zou het komen dat die informatie relevanter werd geacht? De realiteit is dat het Franstalige landsgedeelte de Vlaamse evolutie op de arbeidsmarkt bijlange na niet volgt. Zolang er zich daar geen kentering voordoet, heeft elke federale regering een aanzienlijk probleem. Het is in die omstandigheden voor een minister van Tewerkstelling en Arbeid vrijwel onmogelijk om een beleid op poten te zetten dat voor het hele land hetzelfde is. Wat Laurette Onkelinx desalniettemin probeert. Het verklaart misschien voor een deel waarom haar plannen in Vlaanderen op zoveel ongeloof botsen: de werkelijkheid die zij in het zuiden waarneemt, waar ze vandaan komt en die ze kent, verschilt namelijk grondig van die in het noorden - waar ze duidelijk onvoldoende mee vertrouwd is. De prioriteiten liggen dan bijna vanzelfsprekend helemaal anders. Wallonië heeft de opgelopen achterstand niet volledig aan zichzelf te wijten. Maar het heeft ook te maken met een attitude. Met de manier waarop de overheid zich gedraagt tegenover de burgers en het ondernemersinitiatief. Onder meer door de druk van het Vlaams Blok is er daarover in Vlaanderen nagedacht. De idee dat de regering moet zorgen voor een beter bestuur is gegroeid uit gesprekken onder Vlaamse politici. In Wallonië moet dat debat, zo lijkt het, nog beginnen. Zolang het niet wordt gevoerd, zal er weinig veranderen.Hubert van Humbeeck