Tussen 15 en 28 april 1821 leek het wel of de oude Napoleon terug was, de man die alles tot in de kleinste details regelde en niets aan het toeval overliet. Hij heeft in die twee weken elke dag aan zijn testament gewerkt en er heel wat amendementen aan toegevoegd. De laatste wilsbeschikking bevatte zowel praktische, morele als diep persoonlijke bepalingen. Het stipuleerde onder andere dat de privégelden van de keizer gelijk zouden worden verdeeld tussen de voormalige militairen en de Franse steden die hadden geleden onder de geallieerde invasies in 1814 en 1815. Pas in 1854 nam de Franse regering van Napoleon III die bepalingen ter harte. Ze diende de kosten zelf te betalen, want het fortuin van Napoleon was allang verdwenen in de zakken van bankier Lafitte, die het testament beheerde, en waarschijnlijk ook in die van zijn voormalige adjunct Montholon, die het moest uitvoeren.
...