'Die schreeuwende volksverdrukking aanvaarden we niet. Als onze parlementairen ons niet beschermen, zullen we ze niet herkiezen. Als de ministers doof blijven, zullen we de belastingen weigeren te betalen. En aan de koning zullen we laten horen dat verkleefdheid aan de dynastie maar mogelijk is waar recht heerst!'
...

'Die schreeuwende volksverdrukking aanvaarden we niet. Als onze parlementairen ons niet beschermen, zullen we ze niet herkiezen. Als de ministers doof blijven, zullen we de belastingen weigeren te betalen. En aan de koning zullen we laten horen dat verkleefdheid aan de dynastie maar mogelijk is waar recht heerst!' Opruiende taal was dat, die begin november 1861 tot ver buiten de Antwerpse Pelikaanzaal de gemoederen opzweepte tegen de grootse plannen die de regering met Antwerpen had. Uit de woedende volksvergaderingen groeide binnen de kortste keren een nieuwe partij, die het gemeentebestuur onderuithaalde, de nationale politiek deed kantelen en een betekenisvolle rol speelde tot lang nadat de regering aan de volks-eisen had toegegeven. Krijgt het toenemende verzet tegen de Lange Wapperviaduct weldra dezelfde dimensie? Voor politici die met het dossier te maken hebben - of er zich ver vandaan willen houden - is het spookbeeld van een nieuwe Meetingpartij een electorale nachtmerrie aan het worden. Alvast angstwekkend genoeg om de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens (SP.A) tot een bocht te bewegen, en liberalen met enige historische bagage aan het piekeren te zetten. Alle vergelijkingen lopen wel ergens mank, maar een terugblik op de beroering in de jaren 1850-1860 levert toch een paar verrassende inzichten op. Aan de oorsprong van het Antwerpse ongenoegen lagen in beide gevallen grootscheepse bouwplannen, die de regering en een deel van de Antwerpse elite voor de stad koesterden. Alleen waren die plannen 150 jaar geleden van een andere aard. Het nog jonge België, en met name koning Leopold I, was er zich van bewust dat het militair onder de voet kon worden gelopen. Daarom moest tegen mogelijk gevaar uit noord, oost én zuid een vesting worden gebouwd waarin de vorst zich met zijn regering en resterende troepen zou kunnen terugtrekken, wachtend op hulp uit het buitenland. Aangezien die hulp vooral uit het Verenigd Koninkrijk werd verwacht, zou die hulp met schepen worden aangevoerd, en viel de keuze op Antwerpen. Aanvankelijk werd een versterking van de citadel in het zuiden van de stad gepland, en de aanleg van een 'kleine' fortengordel. De Antwerpenaren wilden er niet van weten. Velen herinnerden zich nog levendig hoe in 1830-1832 vanuit dat Zuiderkasteel de hele stad onder vuur was genomen. Bovendien eiste het militaire opperbevel dat in een wijde straal rond de forten niet mocht worden gebouwd, terwijl precies in die periode de stad snakte naar uitbreiding buiten de eeuwenoude leien. Het eigenbelang van veel kleine en grote grond- en huiseigenaren, en de angst van de bevolking om in geval van een militair conflict het gelag te betalen, leidden tot massaal protest tegen de militaire plannen. Het gemeentebestuur en havenkringen streefden vooral naar uitbreidingsmogelijkheden voor de stad en de haven, en maakten van dat protest gretig gebruik om te pleiten voor een fortengordel die ver buiten de stad zou liggen. Dat was niet naar de zin van het hof en de regering, die 'geen tijd wilden verliezen', en al evenmin naar die van het parlement, dat de uitgaven onverantwoord hoog achtte. Door het eensgezinde verzet vanuit Antwerpen moesten Leopold I en zijn regering bakzeil halen: mede onder invloed van buitenlandse omstandigheden werd in 1859 geopteerd voor de bouw van een 'grote' fortengordel (ongeveer waar nu de E19 rond Antwerpen loopt), op zijn beurt versterkt door vooruitgeschoven versterkingen op nog verdere afstand (ongeveer ter hoogte van wat daarom de Krijgsbaan werd). De toegeving bracht echter geen soelaas, want de agitatie tegen de militaire plannen had een wagen aan het rollen gebracht die niet meer te stoppen bleek. De publieke opinie in Antwerpen was immers uitgesproken antimilitaristisch gaan denken, en verzette voortaan tegen élke fortengordel. Op dat protest entten zich bovendien andere uitingen van ongenoegen, die eigenlijk allemaal aanstuurden op een vernieu-wing en verbreding van de democratie. Er werd tekeergegaan tegen achterhaalde politieke tegenstellingen (liberaal-katholiek) die voorbijgingen aan de échte problemen van de mensen, en er werd opgeroepen tot een hergroepering van de democratische krachten. Daarnaast weerklonken in het verzet tegen 'Brussel' de eisen voor gelijkberechtiging van de volkstaal steeds luider. Die eisen gaven de nieuwe oppositie een krachtig bijkomend elan, en leverden ook eerste successen op. Uiteraard bewogen de antimilitaristische eisen, de roep om politieke vernieuwing en de Vlaamse taaleisen veel méér mensen dan de nauwelijks enkele duizenden Antwerpenaren die toen kiesrecht hadden. En dus werd gaandeweg ook een veralgemening van het kiesrecht geëist. Via bladen, pamfletten en affiches werd opgeroepen tot open volksvergaderingen. Die aanpak had succes: al snel moest naar de grootste zalen worden uitgekeken. De massale en woelige volksvergaderingen of meetings waren toen een ophefmakende nieuwigheid, en het protest richtte zich al gauw ook tegen de arrogantie van de bestuurders, niet alleen tegen hun plannen. Aanvankelijk hadden het liberale stadsbestuur en de havenkringen het verzet tegen de 'kleine' vestingplannen gesteund. Nadat de regering daaraan had toegegeven en haar plannen grondig had bijgesteld, pleitte het stadsbestuur nog slechts voor tegemoetkomingen tegenover de grond- en huis-eigenaars rond de fortengordel. Men was er duidelijk om bekommerd de liberale regering van Charles Rogier niet in moeilijkheden te brengen. Maar juist de hooghartige reactie van de bewindvoerders op beleefde verzoekschriften, en haar misleidende vertragingsmanoeuvres, zouden het verzet nog aanwakkeren. Toen in november 1862 de Antwerpse gemeenteraad door Leopold I werd ontvangen 'als een delegatie boerenpummels door de tsaar', was de maat vol. Vrijwel de hele gemeenteraad nam ontslag, en burgemeester Jan Frans Loos beklaagde zich erover dat Antwerpen nu voor de liberalen reddeloos verloren was. De parlementsverkiezingen van juni en de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 1863 gaven hem gelijk. De stad kwam stevig in handen van de Meetingpartij, en in het parlement betekende de aardverschuiving in Antwerpen het begin van het einde voor de liberale regering. Aan de grote fortengordel werd gewoon voortgewerkt. Alleen zou snel blijken dat die achterhaald was nog voor hij was voltooid. Dat diffuus maar breed verbreid ongenoegen een nieuwe partij onverhoopt succes kan opleveren, bleek dus al 150 jaar geleden. Toen werd ook al duidelijk gemaakt dat precies de arrogantie van bewindslieden en 'experts' en hun onwil om alternatieven te onderzoeken de beste munitie levert voor nieuwkomers. Vandaag zou men dat 'gebrekkige communicatie' noemen, maar dat verandert verder niets aan de grond van de zaak: het stug vasthouden aan plannen die meer door het verleden dan door de toekomst geïnspireerd zijn. Tot slot nog dit: in de periode 1848-1870 hadden ongeveer elk jaar verkiezingen plaats. Dat waren dan wel (erg) gedeeltelijke verkiezingen, maar ze vormden toch telkens een gelegenheid om ongenoegen tot uiting te brengen - of om beleid bij te sturen. Over instabiliteit van de instellingen klaagde toen niemand. DOOR EDI CLIJSTERS