In haar vierde jaarrapport sinds 2002 raamt de Studiecommissie voor de Vergrijzing dat de overheid in 2030 bijna 11 miljard euro (of 3,6 procent van het bruto binnenlands product) meer zal moeten uitgeven dan nu om de kosten van de veroudering van de bevolking op te vangen. Die toename is volledig voor rekening van de pensioenen en de gezondheidszorg (de extra uitgaven in deze twee sectoren zijn samen goed voor 5,4 procent van het bbp of meer dan 16 miljard euro). Dalende kosten voor werkloosheid, kinderbijslag en brugpensioen houden de globale rekening van de vergrijzing (inclusief een welvaartsaanpassing van een half procent per jaar voor de sociale uitkeringen) enigszins binnen de perken.
...

In haar vierde jaarrapport sinds 2002 raamt de Studiecommissie voor de Vergrijzing dat de overheid in 2030 bijna 11 miljard euro (of 3,6 procent van het bruto binnenlands product) meer zal moeten uitgeven dan nu om de kosten van de veroudering van de bevolking op te vangen. Die toename is volledig voor rekening van de pensioenen en de gezondheidszorg (de extra uitgaven in deze twee sectoren zijn samen goed voor 5,4 procent van het bbp of meer dan 16 miljard euro). Dalende kosten voor werkloosheid, kinderbijslag en brugpensioen houden de globale rekening van de vergrijzing (inclusief een welvaartsaanpassing van een half procent per jaar voor de sociale uitkeringen) enigszins binnen de perken. Volgens de studiecommissie, die in 2001 samen met het Zilverfonds in het leven geroepen werd en die wordt geleid door de Leuvense emeritus Theo Peeters, ging vorig jaar 23,7 procent van het bbp op aan sociale uitgaven. In 2030 zal dat aandeel oplopen tot 27,3 procent (zie grafiek 'Meerkosten van de vergrijzing'). Nieuw is dat ze voor de gezondheidszorg een onderscheid maakt tussen 'acute' en 'langdurige' zorg en dat ze voor de pensioenen heeft gekeken naar de drie stelsels (werknemers, zelfstandigen en ambtenaren). Daarbij is ook gelet op de effecten van de pensioenhervorming van 1996. De regering-Dehaene II schakelde toen de pensioenleeftijd en -berekening van mannen en vrouwen stapsgewijze gelijk. Zodoende zal vanaf 1 januari 2009 ook voor vrouwen de pensioenleeftijd 65 jaar zijn. Daardoor zijn er in 2010 in de leeftijdsgroep van 60 tot 64 jaar 12.000 vrouwen meer aan het werk, maar zullen er ook 28.000 werkloze vrouwen meer zijn en zullen er nog eens 35.000 vrouwen meer een andere sociale uitkering ontvangen. Door die pensioenhervorming en ook omdat er door de oorlogsjaren 1940-1945 minder gepensioneerden bij komen, dalen de extra pensioenuitgaven eerst nog. Maar na 2010 nemen ze snel toe. De extra kosten in de gezondheidszorg stijgen ononderbroken tot 2030. In haar nieuwe raming rekent de studiecommissie de 513 miljoen euro mee, die vorig jaar in de ziekteverzekering werd uitgegeven boven de norm (een reële groei van 4,5 procent per jaar) die de regering-Verhofstadt II zichzelf heeft opgelegd. Die norm moet volgens de commissie na 2007 dalen tot 2,8 procent. Anders lopen de kosten van de vergrijzing tegen 2030 helemaal uit de hand. Volgens premier Guy Verhofstadt (VLD) en begrotingsminister Johan Vande Lanotte (SP.A) is de regering echter strenger dan de commissie, want minister van Sociale Zaken Rudy Demotte (PS) moet in 2005 al de budgetoverschrijding van vorig jaar compenseren. De reële groei van de uitgaven in de gezondheidszorg zou dit jaar slechts 1,2 procent mogen zijn. Wie het reilen en zeilen van de ziekteverzekering kent, weet dat dit ondanks een nieuwe gezondheidswet en ministeriële volmachten meer dan een krachttoer wordt. De ramingen van de studiecommissie staan of vallen met een aantal sociaal-economische hypothesen (een productiviteitsgroei van 1,75 procent per jaar; een daling van de werkloosheid tot 7,5 procent; een stijging van de werkgelegenheidsgraad tot bijna 68 procent). Hoe relatief dit optimisme is, toont een vergelijking tussen de vier rapporten van de commissie totnogtoe (zie grafiek 'Vier rapporten over vergrijzing in 2000-2030' ). Dan stijgen de meerkosten van de vergrijzing van 3,1 procent van het bbp in 2000 naar 5,6 procent in 2030. Bovendien doet die toename zich vooral de laatste vijf jaar voor. Toen viel de economische groei tegen en bleef de werkgelegenheidsgraad hangen rond 60 procent, maar deed de regering toch nieuwe sociale uitgaven (zoals het verhogen van de minimumpensioenen en de uitgavengroei van 4,5 procent in de gezondheidszorg). Verhofstadt wil dat de commissie in haar rapport van 2006 kijkt naar de regeringsinspanningen voor het begrotingsevenwicht, het Zilverfonds, de aanvullende pensioenregelingen en het loopbaaneinde. Vande Lanotte onthoudt dat de commissie de versnelling van de meeruitgaven voor de vergrijzing niet meer verwacht tussen 2010 en 2012, maar pas vanaf 2014. Dit geeft de regering meer tijd om de overheidsschulden te doen dalen van 95 procent van het bbp nu naar 50 tot 60 procent dan. Dat schept volgens Vande Lanotte een budgettaire ruimte van 2 procent van het bbp, of ruim de helft van de middelen die nodig zijn om de extra kosten van de vergrijzing op te vangen.