WILLIAM D'HAESELEER: De huidige energievormen en ûbronnen zijn voor het grootste deel verantwoordelijk voor de CO2-uitstoot. Maar daaruit zomaar afleiden dat we minder energie mogen verbruiken, is eigenlijk fout. Wat we nodig hebben, is propere energie. Alleen is die er nog niet. En dus moeten we proberen zo zuinig mogelijk met de huidige, minder schone energie om te springen. Wat niet makkelijk is, gezien de explosieve groei van de wereldbevolking.
...

WILLIAM D'HAESELEER: De huidige energievormen en ûbronnen zijn voor het grootste deel verantwoordelijk voor de CO2-uitstoot. Maar daaruit zomaar afleiden dat we minder energie mogen verbruiken, is eigenlijk fout. Wat we nodig hebben, is propere energie. Alleen is die er nog niet. En dus moeten we proberen zo zuinig mogelijk met de huidige, minder schone energie om te springen. Wat niet makkelijk is, gezien de explosieve groei van de wereldbevolking. D'HAESELEER: Als de mensen over energiebesparing spreken, gaat het meestal om het aanpassen van de verbruiksmentaliteit: minder kilometers rijden met de wagen en de thermostaat lager zetten. Maar zo'n gedragswijziging is moeilijk op lange termijn in stand te houden. Energie is nu eenmaal niet zó duur en we leveren niet graag op comfort in. De focus is daarom verplaatst naar rationeel energiegebruik: even veel comfort met minder energie. Helaas zijn energiezuinige technologieën vaak duurder. Een bonus- en belastingbeleid kan een en ander ondervangen, maar energieheffingen liggen doorgaans nogal gevoelig, vanwege de nefaste economische gevolgen die ze kunnen veroorzaken, vooral dan voor het concurrentievermogen van onze industrie. D'HAESELEER: Programma's die de mensen en de industrie stimuleren om meer performante technologieën te gebruiken, zoals spaarlampen en betere sturingen van elektromotoren. Die zijn op termijn ook voor de consument goedkoper, maar de investeringskost schrikt soms nog af. Een ander idee is het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling naar energievriendelijke technologieën. Maar daar is geld voor nodig. Dat geld zou kunnen komen van een kleine heffing op het stroomtransport via het distributienet. De consument voelt dat amper, maar het gevaar is reëel dat de overheid het elektriciteitsnet uiteindelijk als een handige belastingontvanger gaat beschouwen. Voor de industrie kan je dan weer werken met ESCO's, of Energy Service Companies. Dat zijn firma's die het energiebeheer van een bedrijf onder de loep nemen en daarna adviseren hoe dat bedrijf zijn energiekosten kan verlagen. De overheid zou kwaliteitslabels kunnen uitdelen aan die ESCO's. Alleen bij heel grote industriële bedrijven werkt zo'n systeem niet, omdat zij doorgaans hun energiezaken beter kennen dan de ESCO's en bovendien hun processen vertrouwelijk wensen te houden. Maar met hen kun je zogenaamde benchmark-convenanten sluiten. Je vergelijkt hen met soortgelijke bedrijven in het buitenland, maakt een besparingsdoelstelling op, en legt een belasting op als ze die niet halen, of stelt hen vrij van heffingen als ze die wél halen. Deze convenantenaanpak is de aan te bevelen weg voor een verbetering van de energie-efficiëntie van een bedrijf. Maar of dit systeem ook het beste middel is om de globale CO2-uitstoot te verminderen, is dan weer een andere vraag.