Dirk Draulans
Dirk Draulans Bioloog en redacteur bij Knack.

De menselijke fysiek kent grenzen. Die zijn jaren geleden bereikt. Topsport en records steunen nu op technische bijsturingen. En op een betere medische omkadering – een eufemisme voor doping.

Wie is de beste wielrenner aller tijden? Geen Belg die daaraan twijfelt: Eddy Merckx. Werelduurrecordhouder van 1972 tot 1984. Toen kwam Francesco Moser met zijn speciale fietsen. De Italiaan hield het record tot in 1993. Daarna was er geen houden meer aan. De grens werd om de haverklap verlegd en verpulverd. Als de Merckx van toen en de huidige recordhouder, de Brit Chris Boardman, samen op een baan van vierhonderd meter gereden zouden hebben, zou Boardman onze nationale trots liefst vijftien keer gedubbeld hebben. Toch haalt niemand het in zijn hoofd om Boardman als een beter wielrenner te omschrijven. Ondertussen vraagt hoogleraar in de sportgeneeskunde Kenny De Meirleir van de VUB zich af hoe het komt dat de winnaar van een tijdrit in de Ronde van Frankrijk in 1991, met zijn tijd op hetzelfde parcours in ’95 slechts 31ste geëindigd zou zijn.

Of neem de wat vergeten Miel Puttemans, die in 1972 een legendarisch wereldrecord op de vijfduizend meter liep. Ondertussen draait de wereldrecordhouder op de tienduizend meter, de Keniaan Paul Tergat, zijn rondes gemiddeld even snel af als onze Miel toen. Vanaf 1992 kende het record op de tienduizend meter een snelle verbetering. De besttijd over vijfduizend meter dook vanaf 1994 in vrije val omlaag. Professor Walter Van Rensbergen van de VUB, expert inzake langeafstandlopers, stelt in BodyTalk – een nieuwsbrief over sport, beweging en gezondheid – vragen bij deze ontwikkelingen. Nooit werden de records sneller aangescherpt dan de jongste jaren. De plotse prestatieverbeteringen bleven wel alleen komen van de absolute top. De twintigste tijden op jaarbasis volgden een min of meer natuurlijke evolutie.

ER ZIJN GEEN HONDERD RONALDO’S

Hoe blijft de atleet zijn grenzen verleggen? Het lijkt de logica zelve dat er een natuurlijke limiet op het fysieke kunnen van de mens staat. De weinige wetenschappelijke gegevens die daarover beschikbaar zijn, staven deze stelling. Sportarts Hans Cooman van het Stedelijk Ziekenhuis Aalst: “Het is moeilijk om na te gaan of de huidige atleten meer of betere fysiologische eigenschappen hebben dan hun voorgangers. Inzake uithouding is de maximale zuurstofopname de prestatiebepalende parameter. In 1937 werd bij de toenmalige wereldrecordhouder op de dubbele mijl een maximale capaciteit tot zuurstofopname gemeten die vergelijkbaar is met deze van de huidige toppers. De maximale melkzuurwaarden in het bloed na topinspanningen tonen de jongste dertig jaar geen verschillen. Dat lijkt erop te wijzen dat het inspanningsniveau dat gehaald kan worden, niet veranderd is.”

De gemiddelde mens wordt wel steeds groter. Voor krachtsporten als verspringen en de werpnummers is lengte een doorslaggevende factor. Een deel van de verbeteringen van topprestaties komt uiteraard op het conto van een grondiger selectie. Vroeger was sport iets voor de elite, nu behoort ze aan de massa. Er zijn almaar meer mensen waaruit gerekruteerd kan worden. Tot voor kort onontgonnen gebieden, zoals de Afrikaanse hoogvlakten, leveren sporters met fysiologische aanpassingen die hen biologisch voorbestemmen tot topprestaties. Wie zijn jeugd op tweeduizend meter hoogte doorbracht, brengt de zuurstof die de fysieke actie voedt, dertig procent sneller in omloop dan een laaglander.

Rekrutering blijft cruciaal: er lopen geen honderd Ronaldo’s in de wereld rond. Het is dus zaak ze op te sporen. “Het Oost-Duitse successysteem steunde niet alleen op doping, maar ook op een grootschalige screening van kinderen, die niet altijd even democratisch in een bepaalde richting werden geduwd”, benadrukt professor De Meirleir. “België evolueert momenteel in de verkeerde richting. Wij zijn al biologisch benadeeld vanaf onze geboorte, en daarbovenop gooien we nog eens het probleem dat we veel te vroeg met specifieke competities beginnen. Een beetje competitie is goed voor de motivatie, zeker in België waar, in tegenstelling tot Nederland, het spelelement in de sport belangrijker lijkt dan de lichamelijke gedrevenheid. Maar het is essentieel dat de basismotorische eigenschappen zich goed ontwikkelen, en dat scholen aan uithouding en lenigheid werken. Nu leggen jonge wielrenners op school een briefje van hun ouders voor om niet te moeten meeturnen, omdat ze denken dat dit slecht is voor hun sportcarrière. Dat is totaal funest.”

DE KLASSIEKE BLOEDDOPING VAN VIREN

Iedereen krijgt een zekere genetische aanleg tot sporten mee. Voor de meesten van ons geldt de volkswijsheid dat van een ezel geen koerspaard gemaakt kan worden. Gedreven amateurs en goede subtoppers kunnen van hun potentieel relatief gemakkelijk negentig procent activeren. Om de rest vrij te maken, is een wetenschappelijke aanpak van de training aangewezen. De Finse afstandsloper Paavo Nurmi en de Hongaar Emil Zatopek verlegden grenzen door respectievelijk het trainingsvolume op te voeren en de intervaltraining te introduceren. Ook nu kunnen trainingsschema’s het verschil maken. Expert Jan Olbrecht, die zwemmers, motorcrossers en atleten begeleidt: “We zijn nu zover dat een fout van twee procent in een trainingsschema het verschil tussen een podiumplaats en de anonimiteit kan betekenen. Er is nog progressie in de records mogelijk, vooral in jonge sporten als de triatlon. Maar in de gerijpte disciplines uit de atletiek en het zwemmen zitten we dicht tegen de fysiologische grens aan. Het vereist nu minstens zes jaar volgehouden en optimale trainingsinspanningen om aan de top te geraken. Lang niet iedereen kan dat mentaal aan.”

Uiteraard kunnen technische snufjes een tandje laten bijsteken. De snelle tartanbanen leverden lopers een winst van een seconde per ronde op in vergelijking met de voorheen klassieke sintelbaan. Merckx was de laatste renner die met een gewone fiets de baan optrok. In het snelschaatsen sneuvelden records bij bosjes na de introductie van de klapschaats. De klassieke “bloeddoping” gaf de Finse olympische kampioen op de tienduizend meter Lasse Viren in 1972 vleugels. Maar het valt te vrezen dat het fondlopen nooit meer zal zijn wat het was voor de introductie in de sportwereld van het biotechnologisch aangemaakte succesgeneesmiddel erythropoïetine (epo): een hormoon dat de aanmaak van rode bloedlichaampjes bevordert. Bij gezonde mensen zorgt het voor een groter uithoudingsvermogen en een snellere recuperatie. Uitermate geschikt dus voor gebruik bij volgehouden inspanningen, zoals lopen over lange afstand of het rijden van een Ronde van Frankrijk.

“In 1992 verscheen er in de International Journal of Sports Medicine een studie die het effect beschreef van epo op wielrenners, voetballers en roeiers”, vertelt doctor Chris Goossens, tot voor kort arts van de Belgische wielerbond en lid van de antidopingcommissie van de Vlaamse Gemeenschap. “Het ging om het toedienen van een therapeutische dosis die in ziekenhuizen gebruikt wordt voor de behandeling van lichte bloedarmoede bij nierpatiënten, en die op korte termijn geen neveneffecten had. De zuurstofcapaciteit verhoogde met drie procent. Het is duidelijk dat dit in extreme gevallen tot tien, en misschien zelfs vijftien procent kan worden opgedreven. Omdat epo toelaat dat een lichaam zelfs bij zware inspanning normaal functioneert, worden bovendien de gevolgen van uitputting gecounterd. Het netto-effect van gebruik van het middel benadert dus zeker de vijftien procent. Op het niveau van de topsport is dat veel.”

AANVAL OP DE COL DE LA MADELEINE

Epo maakt dus het verschil. Het middel kwam eind de jaren tachtig in circulatie. De perikelen rond de Festina-wielerploeg van wereldkampioen Laurent Brochard en de Franse would-be winnaar van de Ronde van Frankrijk Richard Virenque, zijn het beste bewijs van zijn succes. Festina is een amalgaam van twee wielerploegen (PDM en RMO) die een kwalijke faam inzake dopinggebruik opbouwden onder impuls van twee heerschappen met een ongezonde reputatie: de Franse ploegleider Bruno Roussel en de Belgische arts Eric Ryckaert, die al lang is genoemd als sleutelfiguur in de illegale epo-handel. De combinatie werkte. Vanaf 1993 ging het steil bergop met Festina. Haar renners legden de Spanjaard Miguel Indurain in de bergen het vuur aan de schenen. Berggeit Virenque ontpopte zich in 1996 tot algehele verbazing als tijdrijder en podiumbeklimmer. In 1997 sloeg de ploeg iedereen met verstomming, onder meer door op de Col de la Madeleine omzeggens collectief te demarreren.

Maar in 1998 was de Tour voor Festina snel afgelopen: verzorger Willy Voet werd nog voor de proloog op een smokkelweg tussen België en Frankrijk in een officiële wagen van de ploeg betrapt met naar verluidt genoeg epo om de ziekenhuizen van een Vlaamse provincie te bevoorraden. De Belgen zitten, net als in de veeteelt, goed ingebakken in het wereldje van sporthormonen en andere verboden producten. In de uithoudingsdisciplines komen we sportief bijna niet meer aan de bak, maar de beste buitenlandse teams doen een beroep op onze deskundigheid inzake medische begeleiding. Ongetwijfeld een gevolg van onze baanbrekende rol in de ontwikkeling van de wielrennerij. Zelfs de wereld van de vrije liefhebbers en hun kermiskoersen zit vol pillen. Wielrenners met meer ambitie dan talent vinden moeiteloos de weg naar artsen en apothekers in plaatsjes als Zepperen en Lovendegem.

Harde bewijzen voor het gebruik van epo in de atletiek bestaan er vooralsnog niet. Toch trok de Belgische loper Vincent Rousseau al scherp van leer tegen wat hij het veralgemeend epo-gebruik in zijn wereld noemde. Expert Van Rensbergen fronst de wenkbrauwen bij de explosie van topprestaties op de lange afstand in de jaren negentig: “Tot 1990 bestond er geen doping waar de langeafstandloper baat bij had. De spierversterkende middelen van de werpers en de sprinters hadden voor hem meer nadelen dan voordelen. Van amfetaminen gaat hij zijn honderd vijftigste wedstrijd op rij nog prettig vinden, maar zijn persoonlijk record zal hij er niet mee opdrijven. Epo is echter een geschikt product om zijn prestaties te verbeteren, zeker omdat het bijna niet kan worden opgespoord. Het gebruik is aanlokkelijk als er veel geld te verdienen valt met het verbeteren van een record of het deelnemen aan meetings met hoge startpremies.”

DE VROUW MET DE BAARD

Het opduiken in de Tour van de omerta – het hardnekkige zwijgen – rond het gebruik van epo was een sterke aanwijzing dat de praktijk stevig in het rennerscircuit geworteld zit. “De mensen willen topsport”, stelt sportarts Cooman. “Als er geen records komen, of als de renners trager zouden rijden dan vroeger, zullen ook de kijkcijfers lijden. Dus moet er gewerkt worden aan middelen tot verbetering. Aangezien er vooralsnog geen betere mensen worden gemaakt, moeten andere bronnen worden aangeboord. Doping hoort daarbij. Zelfs iemand van de Afrikaanse hoogvlakten kan zuiver geen tien kilometer in 26 minuten lopen. Ook het werelduurrecord van Boardman is volstrekt irreëel. Maar de records zullen blijven sneuvelen. Anders verzeilen alle disciplines in het straatje van de anabolicarecords bij de krachtnummers of de achthonderd meter voor vrouwen. Het record over 800 meter is al sinds 1983 in handen van Jarmila Kratoshvilova uit het toenmalige Tsjecho-Slovakije, en het wordt zelfs niet meer benaderd. Dat de vrouw eruitzag of ze zich elke dag twee keer moest scheren, zegt natuurlijk veel. In deze disciplines is men ooit veel verder gegaan dan de natuurlijke evolutie mogelijk maakte.”

De vraag rijst of er zonder doping nog records mogelijk zijn. Trainingsexpert Olbrecht gelooft van wel: “We weten niet wat het effect is van dopinggebruik voor een talentvol iemand die optimaal op een goede training reageert. We weten wel dat onder meer epo bij mensen met minder talent tot betere trainingsresultaten leidt. Ook trainingsfouten kunnen door dopinggebruik worden opgevangen. Een vorm van competitievervalsing, want het is niet langer de beste die wint. De Amerikaanse sprinter Ben Johnson was een tweederangswinner. Want nadat hij op het gebruik van doping was betrapt, lukte hem niets meer. De loopbaan van zijn landgenoot Carl Lewis duurde daarentegen zo lang dat het uitgesloten is dat hij doping gebruikte, tenzij misschien op het einde. Niemand kan ongestraft meerdere keren per jaar boven zijn natuurlijk beschermingsniveau gaan. Toch bewijst, bijvoorbeeld, onze schoolslagzwemster Brigitte Becue, die honderd procent clean is, dat langdurige trainingsinspanning de dopingrecords van de Oost-Duitse en Chinese manvrouwen kan neerhalen.”

Het dopinggebruik ontaardt dikwijls in een “biologische wapenwedloop”. Vele mensen met de beste bedoelingen moeten uiteindelijk op de verboden stimuli terugvallen om zich te handhaven tegen roekeloze veelgebruikers. Valsspelers halen altijd een voordeel, tenzij het valsspelen zo courant werd dat het deel werd van het systeem – dan spelen talent en andere eigenschappen weer mee. “Een vicieuze cirkel”, vreest sportarts Goossens. “Ik krijg hier jonge gasten over de vloer, junioren in de wielrennerij, van wie de ouders veel geld op tafel willen leggen voor goede pillekes om zoonlief snel naar de amateurs en vervolgens naar de professionele top door te laten stoten: de loopbaan is kort, en het intellectuele niveau vaak te laag om later nog goed geld te verdienen. Dit is een rechtstreeks gevolg van de laksheid waarmee onder meer ons land altijd met dopinggebruik omging. Omdat er nooit tegen opgetreden werd, ontstond een schadelijke sfeer van onschendbaarheid.”

VERLAGING VAN DE PIJNDREMPEL

De middelen van morgen duiken al sporadisch op in de sportwereld, dikwijls nog voor de wetenschap zelfs maar bij benadering klaar is met een evaluatie. In de autokoffer van Festina-verzorger Voet stak onder meer perfluorocarboon (PFC): een synthetische zuurstofoverdrager die ontwikkeld wordt om mensen met massaal bloedverlies na een zwaar ongeval snel aan nieuw bloed te helpen. Onder meer op het gereputeerde brandwondencentrum van Neder-over-Heembeek kende men het product niet eens, omdat het de experimentele fase nog niet ontgroeid is. Maar een ongediplomeerde soigneur van coureurs reed er wel mee rond: het middel wekt voor renners dezelfde effecten op als epo. Verder circuleert in de wielrennerij sinds kort de insulineachtige groeifactor: een supergroeihormoon dat spierversterkend werkt, maar waarvan momenteel alleen vermoed kan worden welke schadelijke nevenwerkingen hij op termijn zal uitlokken.

Biotechnologische ontwikkelingen kunnen niet meer gestopt worden. De vrees is reëel dat prutsen aan het lichaam even normaal zal worden als sleutelen aan de fiets of de trainingsschema’s. “Ik denk dat biomedische begeleiding – om het eens beleefd uit te drukken – niet meer uit de topsport te bannen valt”, meent Cooman. “Dus kan men beter een gecontroleerd kader creëren, want anders zal de hypocriete situatie blijven bestaan dat niet langer de beste wint, maar wel de leepste: de persoon die zich omringt met begeleiders die zich niet met een illegale apotheek in hun wagen laten betrappen. Gecontroleerd dopinggebruik is nodig om topsport in stand te houden en het zwarte dopingcircuit uit te roeien. Professionele sporters moeten de vrijheid krijgen zich medisch te laten begeleiden. Maar voor iedereen die geen prof is, kan men niet streng genoeg zijn.”

Professor De Meirleir is radicaal tegen deze visie: “Dopinggebruik blijft knoeien met het menselijk lichaam. Het gaat om wetenschappelijk onverantwoord gebruik van geneesmiddelen die voor iets anders zijn ontwikkeld. En het blijft gevaarlijk. De combinatie van epo en vochtverlies bij grote inspanning leidt tot dik bloed en grote risico’s voor de gezondheid. Eind de jaren tachtig stierf waarschijnlijk een vijftiental jonge wielrenners na experimenten met epo. En waar gaat het eindigen? Wat als de biotechnologen binnenkort op de markt komen met kunstmatige endorfinen en andere producten die rechtstreeks op de hersenen en het zenuwstelsel inwerken, en onder meer de pijndrempel van een sporter beduidend zullen verhogen? Want zoiets zal de volgende stap zijn.”

Volgens sportarts Goossens was tot voor kort onder meer de Belgische wielerbond op de goede weg om het probleem op te lossen: “Er waren plannen om de jeugd met een doorgedreven begeleiding te motiveren om het kalmpjes aan te doen. Mensen die over hun toeren gingen, moesten een tijd stilgelegd worden. Onder meer door natuurlijke training en het inbouwen van rustperiodes zouden beloftevolle jongeren zo evolueren dat ze op een leeftijd van 23 jaar volwaardig konden presteren. Wie zich, bijvoorbeeld, op de Ronde van Frankrijk concentreert, kan daarin ook zonder doping goed presteren. De zuiverste sport blijft de mooiste. Merckx die in een heroïsche bergrit de tegenstand op tien minuten reed: dat was toch prachtig. Nu komen in de bergen zestig renners binnen de tien minuten aan.”

De plannen werden echter afgevoerd door bondsbonzen die niet wilden horen dat er een probleem was, om de goede naam van de wielersport niet te bezwadderen. Een houding waarvan de gevolgen de jongste weken glashelder aan het licht kwamen. “Nu mogen we de rol niet meer lossen”, besluit Goossens. “Laten we in alle rust toegeven dat er een probleem was, en met een nieuwe lei beginnen. Anders moet iedereen op dit moment weg uit de topwielrennerij, en is er jarenlang geen topwielersport meer. Er moet ook een nieuwe antidopingcommissie komen, met bekwame mensen die goed betaald worden, zodat ze behoorlijk kunnen werken. Als iedereen op alle niveaus zijn verantwoordelijkheid neemt, raken we er wel uit.”

Een ongediplomeerde soigneur van coureurs rijdt rond met middelen die ze in de medische wereld amper kennen.

“Iemand heeft iets in mijn drinkbus gestopt.”

Dirk Draulans

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content