Peter Theunynck is een verliefde dichter. Daar is op zich niets merkwaardigs aan, ware het niet dat hij dat overweldigende gevoel vooral op de taal projecteert, uit een nuchter bewustzijn dat de werkelijkheid en de manier waarop we ons die voorstellen nogal van elkaar kunnen verschillen. In zijn vorige bundel, Berichten van de Pan American Airlines & Co, namen zijn bedenkingen bij de grote menselijke heldenmoed een hoge vlucht, om dan met de nodige ironie een buiklanding te maken. Hij mat zich daa...

Peter Theunynck is een verliefde dichter. Daar is op zich niets merkwaardigs aan, ware het niet dat hij dat overweldigende gevoel vooral op de taal projecteert, uit een nuchter bewustzijn dat de werkelijkheid en de manier waarop we ons die voorstellen nogal van elkaar kunnen verschillen. In zijn vorige bundel, Berichten van de Pan American Airlines & Co, namen zijn bedenkingen bij de grote menselijke heldenmoed een hoge vlucht, om dan met de nodige ironie een buiklanding te maken. Hij mat zich daarin met Panamarenko. In De bomen zijn paars en de hemel lijkt er minder thematische eenheid te zitten - er zijn verwijzingen in afzonderlijke cycli naar het werk van Gustav Klimt, Edward Hopper, Frans Masereel en de minder bekende Ray Richardson - maar toch zit die diversiteit in een mooie mal gegoten: die van het denken en het handelen, de verbeelding en de afbeelding. Theunynck zou dat ongetwijfeld allemaal willen schilderen, om er de nodige plasticiteit aan te kunnen geven, want in de Masereelcyclus De xylograaf ontstaat er zelfs een bijna materieel verband tussen de visser op de houtsnede en de drager waarop hij afgebeeld staat. Maar Theunynck is zich vooral bewust van de werelden van verschil, niet alleen tussen woord en beeld, maar ook tussen verbeelding en werkelijkheid. En dat levert de nodige spanning op, zoals in De kus van Klimt: "De bleke schouder ontbloot/ de benen naar binnen gevouwen/ haar ogen vol verlangen/ dat het overgaat. Zo is de kus/ het innigste dat niet bestaat." In het gedicht dat ernaast afgedrukt staat, laat Theunynck zien dat je met taal op zijn minst voor restitutie kan zorgen, alsof er niets is gebeurd: "Vogel in achteruit// het park in, vijver over,/ vleugels in het hout./ Geklapwiek dat ophoudt." Maar het openingsgedicht van de bundel toont al aan dat je van taal nu ook niet te veel mag willen: "Hij doorbladerde/ maar damesbladen om vormen/ in zijn winterlabyrint te lokken.// Maar ze ontbraken, wilden niet/ van zijn matrijzen weten,/ brokkelden aan de rand,/ noemden zich suikerwafels." En zo komen we uit bij een tweede mal, waar de inhoudelijke spankracht en de vorm elkaar vinden: de openings- en slotcycli zijn gewijd aan de materie die de taal moet dienen. In De Plantijnse drukkerij kraakt de verbeelding in de letterkast en in Het papieren tijdperk - de mooiste cyclus uit de bundel - krijgt het ambachtelijk vervaardigen van papier een erg sensueel karakter: "Neen, de hete adem van een liefdesnacht/ is niets, bij wat vilt met vel vermag." Je zou bijna Theunyncks hand op de jouwe vermoeden als je door deze bundel bladert. Lezeressen wezen gewaarschuwd. Paul Demets