Bij het oversteken van een droge rivierbedding in het Okonjima Natuurpark toont de gids een put in het zand: een plaats waar een antilope of een zebra naar water had gegraven. De dieren hebben een fijne neus om het kleinste sprankeltje water op te sporen. Ze moeten wel, want een groot deel van het jaar regent het niet in Namibië, en dan is handigheid vereist om in leven te blijven. Het selectieproces is streng: wie er niet in slaagt water te vinden, is onherroepelijk verloren. Een goede techniek om water te vinden bevordert de overleving. De best aangepaste is hier het dier dat makkelijk aan water raakt.
...

Bij het oversteken van een droge rivierbedding in het Okonjima Natuurpark toont de gids een put in het zand: een plaats waar een antilope of een zebra naar water had gegraven. De dieren hebben een fijne neus om het kleinste sprankeltje water op te sporen. Ze moeten wel, want een groot deel van het jaar regent het niet in Namibië, en dan is handigheid vereist om in leven te blijven. Het selectieproces is streng: wie er niet in slaagt water te vinden, is onherroepelijk verloren. Een goede techniek om water te vinden bevordert de overleving. De best aangepaste is hier het dier dat makkelijk aan water raakt. Sommige beestjes hebben zelfs een inventieve manier ontwikkeld om water te transporteren. Aan de schaarse permanente poelen in het Etosha Nationaal Park in Noord-Namibië komen elke ochtend en vooral elke avond massa's zandhoenderen drinken. Ze drinken niet alleen, ze spetteren ook vrolijk in het water, waardoor ze hun borstveren nat maken. Met die natte borst vliegen ze soms tot vijftig kilometer ver naar hun kuikens, die ze laten drinken van de druppels in hun veren. Watertransport over lange afstand, tot de kleine beestjes zelf kunnen meevliegen voor een dagelijks drinkgelag. Dieren die elders in wat nattere omstandigheden aan hun trekken komen, hebben zich in Namibië aan een verzengende hitte en een bijna chronisch watergebrek aangepast. Op een weg aan de oostrand van de bloedhete Geraamtekust staat een groep woestijnolifanten dicht op elkaar gepakt onder een grote boom. Ze wapperen voortdurend met hun grote oren. Onderzoek heeft uitgewezen dat de dieren de diameter van de bloedvaten in hun oren aanpassen om al dan niet warmte af te staan. Ze kunnen vier tot vijf dagen zonder water. De matriarchen, de leidende vrouwtjes van een olifantengroep, weten perfect waar water te vinden is. De andere leden van de familie volgen en leren door ervaring: ze nemen haar kennis over. Als stropers de matriarch uit een groep wegschieten, is ook de rest van de familie ten dode opgeschreven als ze nog niet voldoende ruimtelijk inzicht in de omgeving had opgedaan. Er zijn zelfs aanwijzingen dat olifanten kunnen voelen dat het ergens onweert, tot 150 kilometer verderop, waarna ze in de richting van de regen trekken. Op een strand van de Geraamtekust maken twee jakhalzen ruzie om het aangespoelde karkas van een dode jonge zeeleeuw. Ze puren hun water louter uit het vlees dat ze vinden - een typische karaktertrek van echte woestijnbeesten. Er zijn zelfs woestijnleeuwen langs de Geraamtekust die op dezelfde manier aan water komen. In het droge seizoen hebben ze geen bronnetjes nodig om in leven te blijven. Het vocht van hun (meestal dode) prooien volstaat. Door het feit dat ze overwegend aaseter geworden zijn, verliezen ze ook minder vocht en energie aan jacht. Aaseter is naar onze normen een weinig bewonderenswaardige status, maar dat zal de leeuwen een zorg wezen: voor hen is het de idea-le manier om in de barre omstandigheden van de Geraamtekust te overleven. Ook sommige woestijnantilopen hoeven niet te drinken. Ze kunnen genoeg water halen uit de vruchten die ze vinden, en ze hebben speciale zakjes in de maagwand om tijdelijk water in op te slaan, zodat ze in tijden van schaarste eventjes voort kunnen. Andere dieren slaan vet in hun staart op als reserve, waar ze ook water uit puren als ze niet anders kunnen. De meeste woestijndieren zijn lichtgekleurd, zodat ze minder warmte opnemen. Het aanpassen van hun activiteit aan het vorderen van de dag kan nuttig zijn: rustig blijven op de warmste ogenblikken is een klassieker die zelfs de mensenwereld is binnengedrongen - niet alleen in woestijnomstandigheden trouwens. De oryx, een prachtige grote antilope die een van de iconen van het ecotoerisme in Namibië is, kan gewoon stoppen met zweten als het te warm wordt. Zo beperkt hij zijn waterverlies. Zijn lichaamstemperatuur kan in uitzonderlijke omstandigheden oplopen van 39 °Celsius tot liefst 45 °C. Het dier heeft een dicht netwerk van bloedvaatjes rond de hersenen ontwikkeld om het hoofd letterlijk koel te houden in een verzengende hitte. In de Namibwoestijn, die mogelijk al 80 miljoen jaar lang in zo goed als ongewijzigde omstandigheden bestaat, zodat dieren veel tijd hebben gehad om zich aan een bijna waterloos landschap aan te passen, leven grote troepen bavianen. Meteen het droogste leefgebied waarin ooit een niet-menselijke aap is gevonden. De dieren weten feilloos de kloofjes in de rotsen te vinden waaruit af en toe water sijpelt. Ze profiteren mee van de gaten die zebra's en antilopen in het zand graven om aan water te kunnen. In het slechtste geval kunnen ze een maand lang zonder rechtstreekse toegang tot water. Ze veranderen dan hun dieet en gaan op zoek naar planten met dikke bladeren en bomen met een vochthoudende bast. Ze passen ook hun gedrag aan, om oververhitting te vermijden. Jonge aapjes spelen bijna niet meer, en mannetjes jagen niet meer achter de vrouwtjes en achter elkaar. Als het echt nodig is, kunnen ze zich 'douchen' met grote scheppen koeler zand dat ze uitgraven. Zulke douches kunnen hun lichaamstemperatuur meetbaar doen zakken. Ook mensen, die geen biotoop onbenut hebben gelaten in hun exploratie van de planeet, hebben geleerd zich aan te passen aan een leven in kurkdroge woestijnomstandigheden. In de rotsen van Centraal-Namibië ontdekte een boer lang geleden wat eenvoudige werktuigen. Hij had de gezonde reflex die bij zijn volgende bezoek aan Namibiës hoofdstad Windhoek naar een museum te brengen. Archeo-logen herkenden er werktuigen voor het maken van rotsschilderingen in, en trokken op onderzoek. Zo ontdekten ze de prachtige rotsschilderingen van Twyfelfontein. Een 'twyfelfontein' is overigens een bronnetje dat soms water geeft, en soms niet. In de rotsen van Twyfelfontein is een concentratie van meer dan tweeduizend portretten van dieren te zien. Kenners interpreteren ze als een soort schooltje, waar de oorspronkelijke bewoners van de regio (de datering van de schilderingen is heel ruw, maar volgens de meeste kenners zouden ze 5000 jaar oud zijn) hun kinderen inwijdden in de finesses van de jacht en van het overleven in de woestijn. Er zijn zelfs 'kaarten' gemaakt van de posities van de belangrijkste bronnen in het gebied, permanente en 'twijfelachtige'. Er staan zeeleeuwen en pinguïns tussen de afbeeldingen van neushoornen en struisvogels, zodat de bewoners ongetwijfeld ook naar de kust trokken, waarschijnlijk om zout te zoeken. De Bosjesmannen die de tekeningen maakten, hadden - noodgedwongen - geleerd het beste van hun moeilijke leefomgeving te maken. Ze konden een tijdlang leven van het vocht van springbokken en andere kleine antilopen die ze vingen. Ze konden water meenemen in schalen van struisvogeleieren die ze als houder gebruikten. Ze leerden dat giraffen beesten zijn die verhoudingsgewijs veel water nodig hebben, zodat ze zich door giraffen naar water konden laten gidsen. Bosjesmannen zijn ook klein, zodat ze minder water en voedsel nodig hebben dan mensen van 'normale' grootte. Klein zijn kan een goede aanpassing zijn aan een moeilijk leven. De vele kolonisten die Namibië in de loop der tijden bereikten, hadden grote moeilijkheden om zich aan te passen aan eengrotendeels waterloos landschap. Nabij de gigantische zeeleeuwenkolonie van Cape Cross staat een replica van het kruis dat de eerste Europeaan die voet aan wal zette in Namibië er in 1485 plantte: de Portugese zeeman Diego Cão. Hij was aangetrokken door de massa zeeleeuwen die er zich toen al bevond. Maar hij vond geen water in de buurt, dus werd Namibië lang gespaard van koloniale veroveringstochten. Vanaf 1845 streken er in Cape Cross Britse zakenlui neer, die een handeltje in guano (dierlijke mest) opzetten, maar die al hun drinkbaar water vanuit Engeland moesten laten overvaren, samen met de werklui die ze inzetten. Het moet een vreselijke klus geweest zijn om in het bloedhete landschap gedroogde dierenmest uit te graven en in bootjes te laden om vervolgens naar Engeland te transporteren. Ook de luxueuze lodge die nu vlakbij Cape Cross gebouwd is, moet al zijn water met tankwagens laten aanvoeren. Water is een permanente bron van bezorgdheid bij de mensen in Namibië. Dat het laatste regenseizoen lang is geweest, en er overvloedig regen is gevallen, is een bron van opluchting, want de reservoirs zijn goed gevuld, zodat er weer een paar jaar zekerheid is. De verhalen over mogelijke gevolgen van het broeikaseffect hebben ook Namibië in hun greep. Door de economische crisis krijgt de diamantindustrie het moeilijk, maar er wordt onder meer geïnvesteerd in nieuwe uraniummijnen, die helaas veel water verbruiken, zodat er lokaal problemen met de drinkwatervoorziening ontstaan. Er wordt nu een grote ontziltingsfabriek voor zeewater gebouwd, maar het project ligt voor de zoveelste keer stil, omdat ontzilting een enorm duur proces is. Nochtans is Namibië een land waarin investeringen mogelijk zijn, want het heeft een stabiel regime en de corruptie is er naar Afrikaanse normen héél beperkt. Het is een van de veiligste Afrikaanse landen om als westerse toerist in rond te rijden. Vooral omdat de zwarte bevolking er relatief beperkt is, beweren lokale kwatongen. Omdat Namibië lang een onleefbaar land leek, was de bevolkingsdichtheid er altijd laag, zodat de nazaten van blanke kolonisten relatief talrijk zijn in het land. Je ziet nu wel zwarte politiemannen een dronken blanke bruut arresteren - dat was vroeger ondenkbaar. De oorspronkelijke Bosjesmannen zijn ondertussen zo goed als verplicht geweest hun nomadisch leven als jager-verzamelaar op te geven, maar ze hebben zich niet aan een territoriaal bestaan als boer kunnen aanpassen. Ze zitten geconcentreerd in trieste stadjes waarin alcoholisme een probleem is, en waarin ze met gewelddadigheid geconfronteerd worden - ze hebben als nomade lang model gestaan voor een egalitair en kalm sociaal systeem met weinig geweld. Sommige waarnemers menen dat we het best lessen trekken uit de aanpassingen van het Namibische ecosysteem aan extreme droogte, omdat, bijvoorbeeld, het Middellandse Zeegebied onder invloed van het broeikaseffect naar een Namibisch systeem zou kunnen evolueren. Helaas dreigt die evolutie veel te snel te gaan om efficiënte aanpassingen mogelijk te maken. Om als mens nu in zo'n droog systeem te overleven zullen zware investeringen nodig zijn, want de Bosjesmannen hebben altijd een uiterst lage bevolkingsdichtheid gehad, anders hadden ze die harde omstandigheden niet kunnen overleven. Wij zijn gewoon te talrijk geworden om zonder technologische verwezenlijkingen een leven in moeilijke omstandigheden aan te kunnen. DOOR DIRK DRAULANS