Roland Jooris verdient een plaats in het dichterspantheon : een bloemlezing.
...

Roland Jooris verdient een plaats in het dichterspantheon : een bloemlezing.In een gesprek met Willem M. Roggeman in 1976 zei Roland Jooris (1936) al : ?Ik reageer mijn plastische ingesteldheid in woorden af.? De weerbarstige manier waarop hij de taalmaterie tot haar essentie herschrijft, heeft hem al die tijd tot een verkeerd begrepen, onpopulaire en schromelijk onderschatte dichter gemaakt. Toen hij in 1970 door het Kreatief-nummer van Lionel Deflo bij de nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen werd ondergebracht, ontstond een eerste misverstand. De nieuw-realisten wilden dat gedichten een terloops karakter hadden, als een spiegel van de toevallige werkelijkheid. Jooris was echter veeleer gepreoccupeerd met de problematische relatie van poëzie en werkelijkheid. Zoals Roger Raveel, met wie Jooris altijd een hechte artistieke band heeft gehad, de waarneming van de werkelijkheid bevroeg door witte vlakken op zijn doeken aan te brengen. De werkelijkheid valt slechts gedeeltelijk samen met het kunstwerk, want er is ook de kunstmatigheid die ontstaat door onze waarneming, constateerde Jooris met zijn eerste bundels. Niet toevallig gaf hij in 1974 een bundel de titel ?Het museum van de zomer? mee. In die bundel lichtte voor het eerst ook de taalspanning op, een touw dat hij in de daarop volgende bundels almaar strakker om de gedichten heeft geknoopt. Die spanning droeg dan weer de stempel van het minimalisme, een kunstopvatting waarbij één van de grondleggers, Ad Reinhardt, stelde : ?Teveel in de kunst is teveel.? Dat kon je zeker Jooris niet aanwrijven toen hij noteerde : ?Vogel wipt / Tak kraakt. / Lucht betrekt. // Bijna niets om naar te kijken / en juist dat / bekijk ik.? Hier gaat het niet zozeer om een soort poëtische verwondering en oog voor het detail, maar over een poëticale verbazing dat de taal over de mogelijkheid beschikt om met haar onderwerp aan de haal te gaan, hoezeer de dichter de dingen in het gedicht ook probeert vast te leggen. EEN WERKELIJKHEID IN TAALAls hij het in een ander gedicht, met een verwijzing naar Paul vanOstaijens?Melopee?, over een kano heeft, besluit hij : ?in gelijkmatige / rimpelingen / spant een rivier / zichzelf weer op.? Op die manier schreef Jooris zich letterlijk weg uit de visualisering van de werkelijkheid in al haar onvatbaarheid, om zich te richten naar de onvatbaarheid van de werkelijkheid van het gedicht zelf. Dat gebeurde in fasen : in bundels als ?Een konsumptief landschap? (1969), ?Laarne? (1971) en ?Het museum van de zomer? brengt Jooris de werkelijkheid geleidelijk aan onder in de taal en toont verbazing over de visualiteit en de tastbaarheid van de taal die zich met de werkelijkheid oplaadt ( ?vanmorgen drong links / een stuk weide als een / groot vlak in dit gedicht ; / ik dacht : straks is een / gedicht een weide, een / concrete gebeurtenis?). Vanaf ?Bladstil? (1977), over ?Akker? (1982) tot ?Uithoek? (1991) schept hij dan geleidelijk aan een werkelijkheid in taal. Dat gaat natuurlijk gepaard met verdwijnen, verstilling en versobering, die zich ook uit in de karige, formele koppigheid van de gedichten die steeds compacter worden, met regels die soms slechts uit drie woorden bestaan. In ?Geschilderd of geschreven? ( Yang), een schitterende essaybundel die Jooris in 1992 publiceerde, zegt hij daarover : ?Het opgaan in de dingen. In hun zwijgen. Hun zwijgen tot taal maken, dat is (...) de taak van de dichter die met kunst en natuur bezig is.?Roland Jooris wil zich naar de essentie van het zich uitsprekende gedicht toeschrijven. In ?Density? uit ?Bladstil? toont hij aan dat het gedicht daarom nog niet volkomen in zichzelf mag opgaan en zo verdwijnen : ?Amper beweegt / het woord amper / in de wind / die nergens is. // Zeg nu niets. / Veeg niets uit. / In het eenzelvig vlak / van de avond. Waartegen / nauwelijks en nergens.? Daarmee wordt een tweede misvatting over Jooris' poëzie duidelijk : het idee dat de tendens naar versobering en uitpuring van de taal uiteindelijk naar een eindpunt zou leiden en de dichter het zwijgen zou opleggen. EEN INTRIGERENDE TRANSPARANTIEDe jury die hem voor ?Uithoek? met de Dirk Martensprijs bekroonde, leek dat te suggereren. Niets is minder waar : de recente gedichten van Jooris rollen zich inderdaad in hun ding-zijn op als de kei die in ?Uithoek? vaak als metafoor opduikt, maar ze zijn opgeladen met betekenis en laten een hoekig, weerbarstig karakter zien, waarin echter nog altijd scherven uit de werkelijkheid oplichten, zodat ze zeer leesbaar blijven. Jooris componeert zijn gedichten niet tot volmaakte, verstilde akkoorden, maar laat ze zichzelf ook ?de-componeren?. Zijn gedichten worden er niet alleen zeer eigentijds door, maar ze krijgen ook een intrigerende transparantie door hun plasticiteit. Het lyrische ik verdwijnt weliswaar vanaf ?Akker?, want het is niet meer de dichter die zich door zijn observaties laat leiden, maar de schrijfact zelf die de vorm en de inhoud bepaalt : ?in schrijven / schaaft elk woord / zijn enkelvoud.? Toch kan het gedicht zich nooit loszingen van zijn maker : ?Tussen mens en ding, tussen het ik en het woord, loopt nu eenmaal de onverbiddelijke grens van bewustzijn en tijd?, concludeert samensteller Stefaan Evenepoel in zijn zeer verhelderend essay bij de bloemlezing. Door die onmogelijkheid en de weerbarstigheid die daaruit voortvloeit, lijkt Jooris helemaal niet in stilte te zullen verdwijnen, maar plaats te maken in de woorden voor een zoektocht naar de talige verschijning van de dingen ( ?Het is het hoekige / dat de tong dwingt / de taal / in haar gedokker / gedrongen?). Hoe het zover is kunnen komen, wordt overzichtelijk duidelijk gemaakt door de bloemlezing. Enkele recente, nog ongepubliceerde gedichten laten trouwens zien dat Jooris weliswaar zijn plaats in het pantheon verdient, maar nog niet bijgezet hoeft te worden. Paul Demets Stefaan Evenepoel, ?Bloemlezing uit de poëzie van Roland Jooris?, Dichters van nu 9, Poëziecentrum, Gent, 221 blz. Roland Jooris : scherven uit de werkelijkheid.