Uiterst geschikt om in het rekje-met-de-fraaie-boeken in uw woonkamer te zetten, zijn ze wel, de zeer verzorgd uitgegeven vertalingen van klassieke teksten die sinds enkele jaren onze boekenmarkt overspoelen. Maar zijn die antieke auteurs ook nog echt te lezen? Neem nu Aristoteles, een van de grootste namen van de klassieke Griekse filosofie. Bij de Historische Uitgeverij is zopas een prachtige vertaling van zijn "Ethica Nicomachea" verschenen. In de loop van de volgende maanden volgen er nog vier werken: "Over dieren", "De ziel", "Retorica" en "Politica". Maar heeft de man die Dante in zijn "Goddelijke Komedie" "de meester van diegenen die weten" noemde en die in de scholastieke periode eenvoudigweg als "de Filosoof" werd aangeduid, de (bijna) eenentwintigste-eeuwse lezer nog iets wezenlijks te vertellen?
...

Uiterst geschikt om in het rekje-met-de-fraaie-boeken in uw woonkamer te zetten, zijn ze wel, de zeer verzorgd uitgegeven vertalingen van klassieke teksten die sinds enkele jaren onze boekenmarkt overspoelen. Maar zijn die antieke auteurs ook nog echt te lezen? Neem nu Aristoteles, een van de grootste namen van de klassieke Griekse filosofie. Bij de Historische Uitgeverij is zopas een prachtige vertaling van zijn "Ethica Nicomachea" verschenen. In de loop van de volgende maanden volgen er nog vier werken: "Over dieren", "De ziel", "Retorica" en "Politica". Maar heeft de man die Dante in zijn "Goddelijke Komedie" "de meester van diegenen die weten" noemde en die in de scholastieke periode eenvoudigweg als "de Filosoof" werd aangeduid, de (bijna) eenentwintigste-eeuwse lezer nog iets wezenlijks te vertellen? Aristoteles leefde van 384 tot 322 vóór Christus. Hij werd geboren in Stagirus, als zoon van de lijfarts van het Macedonische Hof. Op achttienjarige leeftijd ging hij naar Athene, om les te gaan volgen aan Plato's Academie. Hij bleef er tot de dood van zijn leermeester, twintig jaar later. Na enkele omzwervingen kwam hijzelf ook terecht aan het Macedonische Hof: koning Philippus vroeg hem de opvoeding van zijn tienerzoon Alexander (die later de Grote zou worden genoemd) ter harte te nemen. Hij bleef er zeven jaar, tot de troonsbestijging van Alexander. Over de invloed die hij op de latere militaire leider heeft gehad, is weinig bekend. In 335 keerde Aristoteles terug naar Athene, om er zijn eigen school, het Lyceum, op te richten. Hij zou de school twaalf jaar leiden, tot hij vrijwillig in ballingschap ging. Net zoals Socrates voor hem werd hij door de Atheense machthebbers van ongodsdienstigheid beschuldigd - in feite werden hem zijn banden met de pas gestorven Alexander kwalijk genomen. Om na de terdoodveroordeling van Socrates "een tweede misdaad tegen de filosofie te voorkomen", vertrok hij naar Euboia, waar hij een jaar later aan een maagziekte zou overlijden. Het Lyceum zou nog meer dan achthonderd jaar blijven bestaan. EEN WETENSCHAPSMENSSocrates' dramatische dood door de gifbeker blijft fascineren. Van de dialogen van Plato beschouwen we een aantal nog altijd als grote literatuur. Ook van minder bekende Griekse filosofen kennen we wel wat aansprekende uitspraken: "de mens is de maat van alle dingen" bijvoorbeeld ( Protagoras), of "de oorlog is de vader van alles" ( Heraclitus). Maar wie kan er uit Aristoteles citeren? De Stagiriet lijkt anno 1999 wel heel erg dood. Nochtans kan juist Aristoteles als een van de modernsten der antieke denkers worden beschouwd. Had de Griekse wijsbegeerte tot dan toe altijd een behoorlijk speculatief gehalte gekend en was zijn leermeester Plato eigenlijk een mysticus van formaat, Aristoteles was een wetenschapsmens in hart en nieren. Plato's gezanik over de volmaakte wereld der Ideeën kon hem niet boeien; zijn grote passie was zoveel mogelijk en zo systematisch mogelijk kennis verwerven over de tastbare, veranderlijke wereld om hem heen. De methode die hij aanwendde om tot kennis te komen, was eveneens verrassend modern: hij hechtte het grootste belang aan waarneming en ervaring. Voor zijn boeken over zoölogie en botanica verrichtte hij bijvoorbeeld uitgebreid veldonderzoek. Maar ook voor zijn filosofisch onderzoek vertrok hij vanuit een aandachtige observatie van zijn onderzoeksonderwerp: hij ging na wat de gangbare opvattingen over het te bestuderen thema waren en onderwierp ze aan een diepgravende kritische analyse, om zo tot een zuiverder inzicht te komen. Ook in de "Ethica Nicomachea" - de eerste systematische uiteenzetting over ethiek in de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte - gaat hij meestal uit van wat "men" over een bepaalde kwestie denkt. Daarbij relativeert hijzelf expliciet het wetenschappelijk karakter van zijn ethische reflectie: de aard van het onderwerp, het hoe en waarom van het concrete menselijk handelen, maakt dat men slechts tot een algemeen inzicht kan komen. Meer precisie verwachten zou even dwaas zijn als van een wiskundige retorische argumenten te accepteren of van een redenaar strikte bewijzen te verwachten. Het onderzoek naar "het praktische leven", zoals hij het formuleert, is niet gebaat bij a priori's maar moet uitgaan van de dagelijkse levenservaring. Uit die levenservaring blijkt dat alle menselijk handelen gericht is op een doel en dat dit doel het geluk is. Wat het geluk is en vooral hoe een mens dit het beste kan bereiken, is de centrale vraag van de Ethica. Geluk moet daarbij niet louter in zijn verhevenste, morele betekenis worden begrepen. Voor Aristoteles is het een synoniem voor het geslaagde leven van de burger in de stadstaat. Het is dus ook afhankelijk van een aantal materiële voorwaarden, zoals daar zijn: welstand, vrijheid, gezondheid, en een lang leven - "één zwaluw maakt nog geen zomer, evenmin als één enkele dag; zo volstaat één enkele dag of een korte tijd ook niet om een mens volkomen gelukkig te maken."STREVEN NAAR GELUKIn de Griekse samenleving zijn er drie gangbare opvattingen over het geluk, aldus Aristoteles: de ordinaire mensen stellen geluk gelijk aan genot, ontwikkelde en sociaal actieve mensen identificeren geluk met maatschappelijk aanzien, en een beperkte elite vindt het geluk in een leven gewijd aan studie. Anders dan zijn voorgangers Socrates en Plato sluit Aristoteles zich niet zonder meer aan bij deze laatste opvatting: niet iedereen moet filosoof worden om gelukkig te zijn. Volgens Aristoteles ligt het geluk voor de mens in de verwezenlijking van zijn eigenheid, van de mogelijkheden die hem onderscheiden van de andere dieren. Aangezien de mens zich voornamelijk onderscheidt door zijn redelijk vermogen, moet de rede het sleutelbegrip zijn voor het gelukkige leven. Maar ook hier stelt de Stagiriet zich uiterst pragmatisch op: geluk bereikt men niet zozeer door theoretische kennis of inzicht, maar door zijn gezond verstand te gebruiken in de dagelijkse beslissingen van het leven. In zijn streven naar geluk heeft de mens niet zozeer behoefte aan de wetenschap van een Anaxagoras, de geleerde sterrenkundige, als wel aan het praktische vernuft van een Pericles, de Atheense leider die de machtsverhoudingen in zijn stad perfect aanvoelde. Om tot dit geluk te komen, moet de mens volgens Aristoteles door goede gewoonten een "voortreffelijk karakter" verwerven. Aristoteles gaat uitgebreid in op de "voortreffelijkheden" - een neutralere term van de vertalers voor het ouderwetse woord "deugden" - die zo'n karakter kenmerken: dapperheid, matigheid, vrijgevigheid, vriendelijkheid, geestigheid, rechtvaardigheid, oprechtheid, schroomvalligheid, bedaardheid... Al deze deugden zijn volgens Aristoteles houdingen die het midden houden tussen een tekort en een teveel: tussen vermetelheid en lafheid, tussen ongevoeligheid en onmatigheid, tussen gierigheid en verkwisting, tussen norsheid en vleierij, tussen lompheid en platte grappenmakerij... Waarmee Aristoteles niet bedoelt dat de beste weg altijd de gulden middenweg is: soms kan angst of woede verantwoord zijn, of kan het nodig zijn om veel geld uit te geven. Het komt erop aan altijd in de juiste mate dapper, vrijgevig te zijn tegenover de juiste persoon, op het juiste ogenblik, met de juiste bedoelingen en op de juiste manier. De mens moet, net zoals in de geneeskunde of de navigatie, van geval tot geval altijd weer opnieuw nagaan welke houding in een bepaalde situatie vereist is.Umberto Eco noemt Aristoteles een van de drie dode filosofen - naast Augustinus en Thomas van Aquino - met wie hij weleens een praatje had willen maken: hij had een goed verstand en hij was een man van de wereld. Ik zie geen reden om het niet met de Italiaanse meester eens te zijn. Of ik door de lectuur van de Ethica veel wijzer geworden ben, is een andere vraag. Misschien heeft gezond verstand onvermijdelijk iets banaals. Aristoteles, "Ethica", vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Christine Pannier en Jean Verhaeghe, Historische uitgeverij, Groningen, 358 blz., 1500 fr.Christine Albers