Voor wie investeert in een beleggingsfonds, zijn er om te beginnen de kosten bij aan- en verkoop. De eenmalige instapkosten variëren van fonds tot fonds en bedragen gemiddeld 2 tot 3 procent van het investeringsbedrag. Voor sommige fondsen betaal je een intredevergoeding van 5 procent.
...

Voor wie investeert in een beleggingsfonds, zijn er om te beginnen de kosten bij aan- en verkoop. De eenmalige instapkosten variëren van fonds tot fonds en bedragen gemiddeld 2 tot 3 procent van het investeringsbedrag. Voor sommige fondsen betaal je een intredevergoeding van 5 procent.Bij aankoop van een deelbewijs in een beleggingsfonds betaal je ook beurstaksen. De fiscus hanteert twee verschillende tarieven. Voor kapitaalfondsen (die hun inkomsten herbeleggen) betaal je 1 procent bij aankoop en 0,5 procent bij verkoop. Het gaat hier om een verhoogde beurstaks, omdat de opbrengst van deze fondsen niet wordt onderworpen aan roerende voorheffing. Kies je voor een bevek met couponuitkering, dan kom je in aanmerking voor een verlaagde beurstaks van 0,14 procent bij aankoop. Bij verkoop wordt in dit geval geen beurstaks aangerekend. Je betaalt wel roerende voorheffing (15 tot 20 procent) op de uitgekeerde coupon. Op lange termijn kies je best voor een verhoogde beurstaks. Die heb je na ongeveer twee jaar immers terug door de uitgespaarde roerende voorheffing. Op kortere termijn is een verlaagde beurstaks voordeliger, hoewel de instapkosten dan zwaarder doorwegen. Het is weinig rendabel om een obligatiefonds dat 4 procent opbrengt na één jaar te verkopen, als je daarvoor 3 procent instapkosten hebt betaald. Dan zijn er de jaarlijkse kosten, in de eerste plaats de beheerskosten. Voor het beheer van aandelenfondsen is dat gemiddeld 1 procent van het beheerde vermogen, voor obligatiefondsen doorgaans niet meer dan 0,5 procent. De overige werkingskosten zijn geraamd in de verkorte prospectus, die verplicht ter beschikking moet liggen van de belegger. Gemiddeld bedragen ze een kwart procent van het beheerde vermogen per jaar. Samengeteld belopen de jaarlijks kosten voor aandelen- of gemengde fondsen doorgaans ruim meer dan 1 procent.RECHTSTREEKS BELEGGEN IN AANDELENVoor elk beursorder dat je plaatst, betaal je een makelaarsloon aan de bank of beursvennootschap, gemiddeld ongeveer 1 procent van de aankoopprijs. Daarbovenop komt onder meer nog de beurstaks van 0,17 procent die zowel bij aan- als verkoop van de aandelen moet worden betaald. Hoeveel kosten je in totaal betaalt, hangt af van de grootte van je order. Voor een klein order (ongeveer 50.000 frank) is dat ongeveer 1,5 procent, voor een middelgroot order (250.000 frank) ongeveer 1 procent. Bij nog grotere orders zakken de kosten onder de 1 procent. Hoe meer orders je geeft, hoe meer kosten je vanzelfsprekend zal moeten betalen. Stel dat je een pakket aandelen koopt van 50.000 frank en ze later weer verkoopt voor 60.000 frank. Voor dat bedrag koop je een nieuw pakket dat je al snel weer van de hand doet voor 50.000 frank. Status-quo? Niet echt. Je betaalt vier keer 1,5 procent makelaarsloon, of een bedrag van 3.300 frank. Daarbij komt 374 frank beurstaks, in totaal een verlies van 3.674 frank. Als je obligaties koopt bij uitgifte - op de primaire markt - zijn er geen kosten verschuldigd aan de bank of beursvennootschap. Je betaalt enkel een beurstaks van 0,14 procent op de aankoopprijs. De meeste nieuwe obligaties worden uitgegeven a pari. Dat wil zeggen dat ze tegen 100 procent van de nominale waarde worden aangeboden (of tegen een prijs die er net boven of onder ligt). Koop je een reeds eerder uitgegeven obligatie op de beurs - de secundaire markt - dan rekent de bank of beursvennootschap wel kosten aan. Die zitten meestal verborgen in de aan- en verkoopprijs en bedragen, afhankelijk van de ordergrootte, 1 tot 2 procent. De prijs van de obligatie inclusief alle kosten en taksen wordt uitgedrukt in procenten, bijvoorbeeld 106 procent (of boven pari). Dat betekent dat je voor een obligatie die op de vervaldag 100.000 frank waard is, bij aankoop 106.000 frank moet neertellen. Dat verschil van 6 procent moet je delen door de restlooptijd van je obligaties om te weten in welke mate je jaarlijks rendement bij benadering vermindert. Heeft de obligatie nog een restlooptijd van zes jaar, dan ligt het werkelijke rendement ongeveer 1 procent lager dan het opgegeven couponrendement. Wie zelf obligaties koopt, betaalt 15 procent roerende voorheffing, op de uitgekeerde coupon.K.D.D.