In de naweeën van 11 september 2001 creëerde de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld de Office of Strategic Influence (het Bureau van Strategische Beïnvloeding): een gecontesteerd initiatief dat een half jaar na de oprichting, althans officieel, weer werd opgedoekt. Het had als voornaamste taak het lanceren van misleidende verhalen om de Amerikaanse belangen te dienen - de instelling werd algauw 'het bureau van desinformatie' gedoopt.
...

In de naweeën van 11 september 2001 creëerde de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld de Office of Strategic Influence (het Bureau van Strategische Beïnvloeding): een gecontesteerd initiatief dat een half jaar na de oprichting, althans officieel, weer werd opgedoekt. Het had als voornaamste taak het lanceren van misleidende verhalen om de Amerikaanse belangen te dienen - de instelling werd algauw 'het bureau van desinformatie' gedoopt. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zijn eigen propaganda-eenheid, gerund door een hotshot uit de reclamewereld. Volgens de Canadese hoogleraar Michel Chossudovsky is de belangrijkste actor in de 'Angst- en Desinformatiecampagne' van de Amerikanen echter de Central Intelligence Agency (CIA), die onder meer mediamensen zou 'subsidiëren en sponsoren'. De dramatische analyses van Time en Newsweek over een nieuwe Golfoorlog passen in dat plaatje. Ook nu doen de propagandamachines hun werk. Het beeld wordt gecreëerd dat Amerika onder vuur ligt, dat de wereld in oorlog is tegen het terrorisme, dat een 'preventieve defensieve oorlog' nodig is om de vijand te counteren. De voornaamste dreiging gaat uiteraard uit van massavernietigingswapens in handen van schurken en schurkenstaten zoals Saddam Hoessein en zijn Irak. Dat Saddam geen doetje is, mag duidelijk zijn, maar toen hij in 1988 gifgassen inzette tegen zijn eigen Koerden werd hij grotendeels met rust gelaten. Toen stond hij aan de goede kant, omdat hij tegen het islamfundamentalisme vocht. Pas nadat hij door zijn invasie van Koeweit de oliebelangen in het gedrang bracht, werd hij als een bandiet geportretteerd, een nieuwe versie van Adolf Hitler, een Arabische wraakengel die de westerse democratieën het vuur aan de schenen wou leggen. Amerikanen hebben de neiging vijandige krachten te 'overpersonaliseren', een gezicht te geven, altijd handig in een gemediatiseerde wereld waarin de mensen thuis rechtstreeks naar alle facetten van een oorlog, inbegrepen de voorbereiding, kunnen kijken. Er wordt tegenwoordig zoveel over al-Qaeda en massavernietigingswapens gepraat dat iedereen uiteindelijk gaat geloven dat de dreiging die ervan uitgaat reëel is. Heel discreet worden de twee verhaallijnen in elkaar geweven: vooral schurkenstaten als Irak zouden massavernietigingswapens leveren aan terroristische organisaties als al-Qaeda. De Verenigde Staten nemen het voortouw in deze strijd tegen het nieuwe kwaad, en veronderstellen dat de rest van de wereld hen daar dankbaar voor is. Wat vooralsnog niet het geval lijkt. Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell oogstte hoongelach met zijn zogenaamd harde bewijzen van illegale wapenproductie in Irak. Noch de wapeninspecteurs, die onder meer stellen dat Irak niet over een kernwapenprogramma beschikt, noch de Europese diplomaten zijn onder de indruk van de stelling dat een oorlog tegen Irak nodig is om ons van de ondergang te redden. Er lijkt de Amerikanen maar één manier over te blijven om de wereld van hun gelijk te overtuigen: zelf in een geheime operatie wat vaten massavernietigingswapens in Irak gaan verstoppen en die vervolgens door wapeninspecteurs laten vinden. Vorige week moest Powell nog schoorvoetend toegeven dat de informatie waarop hij zich gebaseerd had om te stellen dat Irak aan een kernwapenprogramma werkte, vals was geweest.