Kunstboekenuitgever Jan Denolf (Ludion) heeft een uitgelezen schare cultuurjournalisten aan tafel genodigd voor de lancering van Geheime kennis, de Nederlandse vertaling van het opzienbarende boek van de bekende Britse schilder met de grote bril. In de kantoren van Vooruitzicht, zeven hoog in een flatgebouw aan het Antwerpse Zuidkwartier, zal het gezelschap vrijdag het luchtig geïllustreerde boekwerk doorbladeren bij het aperitief, wachtend op de komst van David Hockney (65) in eigen persoon. Volgens plan zal de meester ondertussen door conservator Paul Huvenne worden rondgeleid in de zalen van het Museum voor Schone Kunsten, waar een goed deel van de Secret knowledge opgeslagen ligt. Het is immers meester Hockneys stellige overtuiging dat Jan van Eyck, Hans Memling en Antonello da Messina - om slechts die te noemen - de plotselinge doorbraak van de realistische detailweergave van de dingen in de vijftiende eeuw niet met het blote oog realiseerden, maar met behulp van optische instrumenten.
...

Kunstboekenuitgever Jan Denolf (Ludion) heeft een uitgelezen schare cultuurjournalisten aan tafel genodigd voor de lancering van Geheime kennis, de Nederlandse vertaling van het opzienbarende boek van de bekende Britse schilder met de grote bril. In de kantoren van Vooruitzicht, zeven hoog in een flatgebouw aan het Antwerpse Zuidkwartier, zal het gezelschap vrijdag het luchtig geïllustreerde boekwerk doorbladeren bij het aperitief, wachtend op de komst van David Hockney (65) in eigen persoon. Volgens plan zal de meester ondertussen door conservator Paul Huvenne worden rondgeleid in de zalen van het Museum voor Schone Kunsten, waar een goed deel van de Secret knowledge opgeslagen ligt. Het is immers meester Hockneys stellige overtuiging dat Jan van Eyck, Hans Memling en Antonello da Messina - om slechts die te noemen - de plotselinge doorbraak van de realistische detailweergave van de dingen in de vijftiende eeuw niet met het blote oog realiseerden, maar met behulp van optische instrumenten. Wie ook maar een beetje vertrouwd is met de West-Europese kunstgeschiedschrijving, weet dat de stelling van meneer Hockney zoveel betekent als vloeken in de kerk. Met de mogelijkheid van het gebruik van optica in de schilderkunst wordt in het algemeen slechts vanaf de zeventiende eeuw rekening gehouden, en dan nog zeer schoorvoetend - bij Jan Vermeer van Delft bijvoorbeeld. Nu is David Hockney er de man niet naar om zomaar wat uit zijn nek te kletsen. Bijgestaan door fysicus Charles Falco en kunsthistoricus Martin Kemp van de universiteit van Oxford, legde hij de oude West-Europese schilderkunst onder de loep en ontdekte technieken die verloren zijn gegaan. Zijn verleidelijk geloofwaardig klinkende bevindingen zijn echter alsnog niet te bewijzen. Documenten om ze te staven, doken nog niet op, en zonder archivalia neemt de kunstwetenschap niets voor absolute waarheid aan. Jan van Eyck - om dicht bij huis te blijven - moet hebben ingezien dat hij een holle spiegel kon gebruiken als een lens waardoor hij beelden op een plat vlak kon projecteren. Zo hoefde hij slechts met de zilverstift over de contouren te gaan om ze feilloos en zonder aarzelingen te tekenen. De primitieve holle spiegel zou later zijn vervangen door betere instrumenten als de camera lucida, waarmee volgens Hockney de Franse schilder Jean-Auguste-Dominique Ingres zijn verbluffend rake portretten aan de lopende band kon produceren. In staat om bewonderend stil te staan bij de schrandere inzichten van meneer Hockney, kunnen we ze ook enigszins relativeren. Het ware meesterschap van een kunstenaar ligt immers niet zozeer in zijn vermogen om zonder haperingen een fotografisch realistische weergave van de werkelijkheid te fabriceren, maar vooral in de wijze waarop hij een unieke innerlijke visie weet te vertalen in een sterke beeldende schepping. Dat geldt zowel voor Van Eyck, Ingres als voor Hockney zelf. Daarmee wil vooreerst geen kwaad woord gezegd zijn over de geheime kennis die de Britse schilder achterhaalde. Die is immers de vrucht van een scherpe, aandachtige en langzame ontleding van de opbouw, de ruimte en de gebruikte technieken van honderden meesterwerken van de West-Eeuropese schilderkunst tot het einde van de negentiende eeuw, wanneer de intrede van de fotografie het bezitten van geheime kennis goeddeels irrelevant maakte. Alleen kan men met wat nostalgie noteren dat Hockneys aanstekelijkheid nu al een tijdje op het vlak van het belerende en technisch-ambachtelijke ligt en minder op het creatieve. In de wolstad Bradford in Yorkshire, waar hij in 1937 in een gezin van militante arbeiders geboren werd, liep hij als knaap graag op de rand van de stoep met twee verschillend gekleurde sokken aan. Hij voelde er niets voor om zich in het leger te laten uniformeren en werkte als gewetensbezwaarde in ziekenhuizen. Velen die hem in 1962 met wit geverfd haar in een goudlamé jasje het Royal College of Art in Londen zagen verlaten, hielden hem voor een boy genius die het in zich had om met het idioom van de popart van zijn generatie hoogst eigenzinnige, oorspronkelijke dingen te doen. Met typisch Britse flair nam hij overal en altijd een pose aan. Met kunst was hij bezig om 'elders' te kunnen zijn, en 'anders' dan de anderen. Zo nestelde hij zich in Californië, aangetrokken door de zon en de jongens. De uitgepuurde en gestileerde acrylschilderijen die hij er in de jaren zestig maakte, zinderen van licht, water en naakte lichamen onder de douche of in het zwembad. De jongens zijn overgeleverd aan de stilte en een onderhuids gevoel van verlatenheid - ondanks de troostende aanwezigheid, soms, van een bevriende blik. Jack Hazan verhief deze episode in het leven en het werk van David Hockney tot legendarische proporties in zijn tv-documentaire A Bigger Splash. Dat was ook de titel van Hockneys schilderij van het moment vlak na de duik, het hoog opspattende water boven het blauwe diep in een verlaten zwembad. Vrienden betekenden alles voor Hockney, hij verwende ze en vereeuwigde hen in de jaren zeventig op indrukwekkende, monumentale portretten. Zijn superieur gevoel voor lijn, vorm en kleur deden onweerstaanbaar aan Henri Matisse denken. Dat kwam onder meer tot uiting in etsen, die ook met Hans Holbein zijn vergeleken, en in kostuum- en decorontwerpen voor theater en opera. ( The Rake's Progress op muziek van Igor Strawinsky, Giacomo Puccini's Turandot en vele andere.) Stijlen op zich fascineerden hem mateloos. Hij schilderde nu eens in een half-Egyptische, dan weer in een illusionistische, scenische of vlakke stijl, of in een combinatie daarvan. In de fotografie ontdekte hij midden de jaren zeventig een terrein waarin hij voluit kon experimenteren. De collagetechniek en de gefacetteerde perspectieven die Pablo Picasso en Georges Braque in hun kubistische schilderijen toepasten, transfereerde Hockney naar de fotografie, waardoor hij een soort kruisbestuiving tussen de twee media tot stand bracht. Tegelijk experimenteerde hij met het vervaardigen van kleurendrukken via nieuwe reproductiemiddelen als de fax- en fotokopiemachine en de computerprint. Als schilder probeerde hij zijn voorkeur voor traditionele categorieën - stilleven, portret, landschap, genreschilderkunst - te verbinden met de formalistische stijlprincipes van de moderne abstracte kunst. Dat leverde degelijk werk op, maar zonder de touch of genius, de intensiteit van de swimming pool-periode. In de catalogus van de retrospectieve in 1989 in Los Angeles, New York en Londen omschreef Christopher Knight het centrale thema in Hockneys werk als de polariteit tussen het diepe verlangen naar verbondenheid en het verschrikkelijke feit van het alleen zijn. Zijn ster mag in de jaren tachtig beginnen te tanen zijn, hij verdween nooit echt uit de publieke belangstelling, dankzij zijn uitgesproken standpunten en opvallende levenswandel. 'Hij was de eerste Britse kunstenaar die als een showbizz-ster behandeld werd', noteerde David Lee in The Independent on Sunday. Toenemende doofheid weerhield er hem niet van om in de media het debat tegen allerlei vormen van kleinburgerlijke schijnheiligheid aan te gaan. Hij nam stelling voor pornografie (en heeft een eigen pornocollectie), tegen de anti-rokershysterie en voor het gebruik van softdrugs. Zijn innemende persoonlijkheid leverde hem meer sympathie op dan aversie, wat vooral tot uiting kwam toen vele van zijn vrienden overleden aan de gevolgen van aids. Altijd geneigd om de jongere generaties kunstenaars met vaderlijk geduld en vriendelijkheid in te wijden in de Geheime kennis van oude meesters en de knepen van het vak van de modernen, zal hij niet zo licht aan de vergetelheid prijsgegeven worden. Jan BraetVrienden betekenden alles voor Hockney, hij verwende ze en vereeuwigde hen in indrukwekkende portretten.