© The Economist/T.C.
...

© The Economist/T.C.Bahro Tahir is niet de slimste rekruut in het nieuwe Iraakse leger. Verleden week begon hij zijn basisopleiding voor de vierde keer. Niet uit vrije wil, laat dat duidelijk zijn. Tahir voelt er niet zoveel voor om mensenrechten te studeren of te trainen in de zinderende hitte. Volgens de instructeurs van de Iraakse academie stuurt het leger alleen diegenen naar de basisopleiding die te dom zijn om er onderuit te muizen of die geen vrienden hebben. 'Ze vertelden me dat ik computerlessen zou volgen', klaagt Tahir, terwijl iedereen in zijn buurt begint te grinniken. Iedereen behalve een andere vaste klant in de basisopleiding, maar die blijkt doof te zijn. De instructeurs hebben momenteel echter weinig oog voor de kwaliteit van hun manschappen. Twee maanden geleden stopten de VS met het uitbetalen van de soldaten en droegen die taak over aan het Iraakse ministerie van Defensie. Sindsdien hebben de soldaten geen dollar meer gekregen. Ook de taal zorgt voor problemen, want de helft van de troepen spreekt Arabisch en de andere helft Koerdisch, terwijl slechts een handvol instructeurs beide machtig zijn. Het grootste probleem is echter het gebrek aan goede leiders. De Amerikaanse majoor Donald McArdle schatte dat amper vijf procent van alle leerlingen aan de academie de drang voelt om zijn land te helpen. 'Een optimistische schatting', vinden zijn collega's. In de voorbije weken hebben de Iraakse veiligheidsdiensten de controle gekregen over sommige gebieden van Bagdad en Mosul. Tegen het einde van het jaar, tijdens de verkiezingen, zouden die troepen voldoende leden moeten tellen om zo de macht van de Amerikaanse soldaten langzaamaan over te nemen; want de VS willen begin 2006 beginnen met het terugtrekken van sommige troepen. Je reinste waanzin. De meeste Iraakse eenheden zijn corrupt, slecht bewapend, hebben zwakke leiders en kunnen alleen eenvoudige operaties aan. Bovendien bestaat er een groot gevoel van wantrouwen tussen de Amerikanen en de Irakezen: troepen op Amerikaanse basissen worden, omwille van de veiligheid, met hekken afgezonderd van hun 'gasten'. De Iraakse troepen kunnen onderverdeeld worden in twee categorieën. Er zijn er die een toonbeeld zijn van onbekwaamheid en lafheid. Wanneer er gevochten wordt, mag je er zeker van zijn dat de meesten wegvluchten, zelfs wanneer ze bijgestaan worden door Amerikaanse soldaten. De eenheden die wel bekwaam zijn, bijvoorbeeld sommige politiecommando's, gedragen zich al te ijverig en worden beschuldigd van martelpraktijken. Toch willen de meeste Amerikaanse bevelhebbers de zaken niet zo negatief voorstellen. Veel van hen zijn al voor de tweede of derde keer in Irak en willen vooral niet nog eens terugkomen. Daarom betrekken ze vaak Irakezen bij hun missies, zodat het lijkt alsof de Amerikaanse troepen langzamerhand overbodig worden. Maar tijdens operaties in Tal Afar bleek duidelijk hoeveel de Irakezen bijdragen. Niets. De Koerdische generaal lag lui en onbekommerd uit te rusten. En toch. Ondanks alles is er wel degelijk vooruitgang geboekt. Een jaar geleden bestond er amper een Iraaks bataljon dat door de Amerikanen was getraind. In vergelijking met vorig jaar zijn er ook een pak minder deserteurs. Het enige dat nog ontbreekt, zijn goede bevelhebbers. Ongeveer 40 procent van het leger zou, mits enkele goede leiders, kunnen functioneren met minimale steun van de Amerikanen, en 25 procent zou dat zelfstandige stadium binnen zes maanden bereiken. Op een goede infrastructuur en politiedienst moeten ze waarschijnlijk nog iets langer wachten. Vertrouwen in het eigen kunnen zal er in ieder geval pas komen onder een echte Iraakse regering, wat mogelijk nog een jaar duurt. Topofficieren van het Amerikaanse leger menen dat de VS er niet aan moeten denken om hun troepen binnen de twee jaar terug te trekken. Een recente inval met Iraakse soldaten en politieagenten in Khalis, een district ten noorden van Bagdad, toonde zowel de vooruitgang als de tekortkomingen. De bevelen van de Iraakse officieren zorgden voor paniekaanvallen onder de troepen. Veel soldaten wilden niet meer deelnemen aan de missie en klaagden over hun medische toestand of over de kwaliteit van de wapens. De meesten namen vervolgens pijnstillers om te kalmeren. 'Het is beter dat ze medicijnen nemen dan dat ze weglopen', vertelde een Iraakse officier. 'De soldaten hebben weinig militaire ervaring en de opstandelingen zijn uiterst gewelddadig.'Nadat ze het eerste doelwit, een huis, omcirkeld hadden, begonnen de gedrogeerde soldaten met hun kalasjnikovs in de lucht te schieten. Toen ze binnen waren, namen ze twee jongeren gevangen en schoten een derde, die probeerde te vluchten, in de schouder. De jongeren bekenden dat ze aanvallen van opstandelingen hadden gefilmd. Ze waren soldaten van het oude regime en vroegere inwoners van Faluja. De gewonde gevangene kreeg geen medische bijstand en de Iraakse soldaten zetten hun rooftocht verder. Dat de soldaten bang zijn, is niet zo verwonderlijk. De voorbije twee maanden is het geweld spectaculair toegenomen, zelfs naar Iraakse maatstaven. Meer dan duizend mensen werden vermoord, meestal door zelfmoordterroristen. Op 14 juni kwamen maar liefst 22 personen om het leven door een zelfmoordaanslag, en meer dan 80 anderen raakten gewond. Dit incident vond plaats in Kirkuk, een olierijke stad die gebukt gaat onder een machtsstrijd tussen Koerden en Arabieren. De voorbije week vond men dozijnen lichamen van soldaten en aannemers van de regering, de meesten afgemaakt met een hoofdschot. Dat vloekt natuurlijk met het idee dat de verkiezingen in januari het tij hadden gekeerd, hoewel sommigen aan de top van het Amerikaanse leger de ogen sluiten voor het negatieve nieuws. 'Ik denk dat er elke dag vooruitgang wordt geboekt', verklaarde luitenant Michael Gibler onlangs in Mosul, een stad waar meer dan 30 zelfmoordaanslagen werden gepleegd in april en begin mei. 'Natuurlijk zijn er hier problemen met schietpartijen en terroristen. Maar we doen ons best om dat te veranderen.' Luttele minuten later werd de kolonel gebeld met de boodschap dat vier van zijn soldaten gewond raakten bij een bomaanslag. Natuurlijk valt er hier en daar ook positief nieuws te rapen. Sinds de verkiezingen - waarbij slechts weinigen van de opstandige soennitische Arabieren naar de stembus trokken - waren er toch gesprekken tussen leiders van de soennitische gemeenschap en Amerikaanse functionarissen, waaruit bleek dat de volgende verkiezingen wel meer steun zouden krijgen. Onlangs maakte de nationale minister van Veiligheid bekend dat aan sommige opstandelingen amnestie zou worden verleend, wat een breuk moet veroorzaken tussen de soennieten die rebelleren uit angst voor hun gemeenschap en de echte fanatici. Toch is stabiliteit niet in zicht. Soennieten weigerden tot voor kort elk aanbod om plaats te nemen in een commissie die de nieuwe grondwet moet helpen opstellen. Het is een feit dat veel meer soennitische Arabieren gestemd zouden hebben als het klimaat minder vijandig was geweest. Hun gebieden zijn nog steeds onveilig. Het geweld neemt zelfs toe. Verscheidene dorpen zoals al-Qaim en Haditha worden in feite geregeerd door rebellen, ondanks Amerikaanse luchtaanvallen. Die volgden op een gevecht waarin de Amerikaanse soldaten lichtjes in de minderheid waren. Zelfs in Faluja, de symboolstad bij uitstek voor de Amerikaanse overwinning, zouden de opstandelingen aan een come- back werken. Ondertussen blijft het sektarische geweld groeien. De voorbije twee jaar werden regelmatig sjiitische pelgrims vermoord op de weg tussen Bagdad en de heilige steden Najaf en Kerbala. Onlangs begonnen sjiitische militanten aan vergeldingsacties, hoewel dat niet strookt met het bevel van ayatollah Ali Al-Sistani, de invloedrijkste geestelijke. Verleden maand werden veertien soennitische geestelijken vermoord, wat de aanzet was voor zware vergeldingsacties in de sloppenwijken van Bagdad. Zowel grote en opvallende opstanden als kleinschalige sektarische moorden blijven maar voortduren in Irak. Toch voorspellen weinig Iraakse commentatoren een burgeroorlog. De soennieten zijn te versplinterd en de sjiitische leiders, veilig in hun democratisch verkozen meerderheid, willen dergelijk conflict vermijden. Op 28 mei wist Moqtada Al-Sadr, een tot dan strijdlustig sjiietenleider, gesprekken te organiseren tussen soennitische geestelijken en de sjiitische leiders van de Badr-brigade, de gewapende arm van de grootste sjiitische partij Sciri die verantwoordelijk wordt geacht voor de dood van vele geestelijken. De Amerikanen waren opgelucht, hoewel ze nog hoopten dat Sadr ermee zou ophouden de Amerikaanse en Israëlische vlag te gebruiken als deurmat voor zijn moskee in Bagdad. Dan zijn er uiteraard nog de jihadstrijders. In Tal Afar reed vorige maand een Libanese jongen, met zijn hand vastgebonden aan het stuur en een bom naast hem, in op een uitvaartplechtigheid. Hij vermoordde 25 mensen. Iets later arriveerden twee andere zelfmoordterroristen in dezelfde stad, wat aan 35 mensen het leven kostte. De slachtoffers werden blijkbaar uitgekozen omdat ze lid waren van twee stammen, de Sada en de Jola. Dat zijn seculiere groepen, die het niet goed kunnen vinden met een andere stam, de Qarabash, die dan weer goed opschiet met plaatselijke islamisten. Het lijkt erop dat je in het huidige Irak de zelfmoordterroristen zomaar van straat kunt plukken. Wie wil er nu zo graag sterven? De Amerikaanse inlichtingendiensten staan voor een raadsel. Wanneer je informatie vraagt over Abu Musab Al-Zarqawi, een beruchte Jordaanse terrorist - volgens sommigen heeft hij maar één been - antwoordt een oudere Amerikaanse woordvoerder: 'We weten niet eens hoeveel benen hij heeft.'Tot voor kort geloofde men dat al de kandidaat-zelfmoordenaars buitenlanders waren, Irakezen doen zoiets niet. Dat lijkt meestal te kloppen. Als men al in staat is de identiteit en nationaliteit van een zelfmoordterrorist te achterhalen, blijkt het vaak om een buitenlander te gaan. Zo vond men mensen uit Saudi-Arabië, Jordanië en Syrië, alsook Palestijnen en Jemenieten. De meesten kwamen waarschijnlijk het land binnen via Syrië. Maar nu de islamisten in Irak radicaler worden, is het aantal zelfmoordterroristen van eigen bodem steeds kleiner. Onlangs werden er enkelen in Mosul gearresteerd. Het ging om universiteitsstudenten uit de middenklasse, op een vrouw van middelbare leeftijd na. Dit is een strategische ramp voor de VS. Zij droomden van een Irak waarin iedereen kon genieten van een liberale democratie. Een beeld dat schril contrasteert met de Iraakse terroristen die her en der opduiken en niets anders willen dan de vernietiging van de regering en de Amerikaanse troepen. Zij blijven doorvechten totdat de Amerikanen zich terugtrekken, maar wie zegt dat ze dan ophouden? Vanuit tactisch oogpunt vormen de zelfmoordterroristen geen grote bedreiging voor de goedbeveiligde Amerikaanse soldaten. De Iraakse veiligheidsdiensten daarentegen zijn steeds vaker het doelwit. In mei werden maar liefst 270 Iraakse soldaten en politieagenten vermoord, de meesten van hen door zelfmoordaanslagen. Op 25 juni vermoordde een terrorist, vermomd als soldaat, minstens 23 mensen en verwondde 29 anderen in Khalis. Zelfs zonder Amerikanen te vermoorden jagen de zelfmoordterroristen het dodenaantal de hoogte in. De constante dreiging zorgt ervoor dat de troepen sneller naar de wapens grijpen. Veel onschuldige motorrijders worden beschoten, wat leidt tot extra spanning en opstanden. Alleen al in het oosten van Mosul gebeurt dit vijf keer per maand. Op 14 juni namen Amerikaanse soldaten twee auto's onder vuur aan een controlepost in Ramadi, waardoor vijf onschuldige burgers werden vermoord. De soldaten waren kort voordien aangevallen door een zelfmoordterrorist, wat hun gespannen houding verklaart. Er zijn natuurlijk ook Amerikanen die het allemaal wat zachter willen aanpakken. Vorige week vroegen soldaten in Mosul aan winkeluitbaters hoe ze het stelden en of ze hulp nodig hadden. Maar het blijft een intimiderend gezicht om soldaten, geweer op de schouder, van winkel naar winkel te zien sluipen. Een winkelier vroeg hen zelfs om overdag weg te blijven, want ze jaagden de klanten weg. En toch lijken de inwoners van Mosul, net als de meeste Irakezen, moeite te doen om samen te leven met hun bezetters. Vorig jaar belden amper honderd mensen naar het meldcentrum dat informatie verzamelt over de opstandelingen. Sinds de verkiezingen ontving het centrum tussen de drie- en vierhonderd telefoontjes, wat ervoor zorgde dat meer terroristen werden gedood of opgepakt. Wanneer je verder trekt naar het westen, in de richting van de Syrische grens, groeit de indruk dat er hoop is voor de soldaten in Irak. Amerikaanse haviken beschuldigden Syrië ervan opstandelingen over de grens te helpen, maar het is moeilijk te achterhalen hoe ze dat te weten waren gekomen. Tot voor kort hadden de Amerikanen maar 450 troepen om een grens van 320 kilometer te controleren en de orde te bewaren in verschillende vijandige steden zoals Tal Afar, met 250.000 inwoners. Vorig jaar vond daar zelfs een heuse veldslag plaats tussen Amerikaanse troepen en opstandelingen. In april werd een regiment van 4000 Amerikanen naar dat gebied gestuurd. Elke stad bleek er in handen van opstandelingen, en Tal Afar was een spookstad. Winkelramen waren met planken dichtgespijkerd, scholen waren gesloten en het ziekenhuis lag vol gewonde verzetsstrijders. De 200 politieagenten van Tal Afar schuilden in een Ottomaans gebouw. De Amerikanen vermoedden dat de burgemeester van de stad een aanhanger van het verzet was. Sindsdien hebben de Amerikanen een andere, succesvollere tactiek toegepast: meer troepen betekent meer veiligheid. Troepen patrouilleren onafgebroken in de vernielde straten van Tal Afar. Kolonel McMaster geeft toe dat soldaten veel fouten maakten. Zo hadden ze de neiging om elke man die er als een potentiële militair uitzag te arresteren. Nu baseren de troepen in Tal Afar zich op informatie, wat ervoor zorgt dat de gewone bevolking geneigd is mee te werken. Dat heeft al geleid tot situaties waarbij één goede tip tot 28 verdachten opleverde. Zulke acties zijn een succes en bevestigen wat elke Amerikaanse soldaat in Irak al wist: er zijn te weinig troepen om de veiligheid te garanderen. Zelfs het regiment in Tal Afar staat onder grote druk, want er zijn onvoldoende manschappen om de grens met Syrië goed te kunnen controleren. Volgens een commandant kunnen de soldaten het lastiger maken voor de wapensmokkelaars, maar de vele zelfmoordterroristen tegenhouden is onmogelijk. Wanneer de troepen naar het noorden trekken, vallen er gaten in het zuiden, en vice versa. Met de eenheden die momenteel beschikbaar zijn, kunnen dergelijke problemen niet worden opgelost. Copyright The Economist/T.C.De meeste Iraakse eenheden zijn corrupt, slecht bewapend, hebben zwakke leiders en kunnen alleen eenvoudige operaties aan.