Een jonge boer uit pakweg Wolvertem heeft Sicco Mansholt niet meegemaakt. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werd in de tijd van zijn vader in elkaar getimmerd. De peetvader van dat beleid, Europees commissaris Sicco Mansholt, mag dan wel aan de basis van het unieke stelsel van gewaarborgd landbouwinkomen liggen, in het boerengeheugen leeft hij voort als de killer van de kleine boer.
...

Een jonge boer uit pakweg Wolvertem heeft Sicco Mansholt niet meegemaakt. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werd in de tijd van zijn vader in elkaar getimmerd. De peetvader van dat beleid, Europees commissaris Sicco Mansholt, mag dan wel aan de basis van het unieke stelsel van gewaarborgd landbouwinkomen liggen, in het boerengeheugen leeft hij voort als de killer van de kleine boer. De Groningse boerenzoon Mansholt was bezeten door de graanproductie, die de hele landbouweconomie domineert. Vandaag maakt onze Wolvertemse boer zijn rekening voor één hectare tarwe: ù kosten: 44.000 frank (1090 euro) zaaizaad, meststoffen, sproeibescherming en afschrijving van machines ù baten: 8500 kilogram tarwe maal 4,50 frank (0,11 euro) geeft 38.000 frank (948 euro) 5000 frank (124 euro) stro: niet echt een opbrengst, want het grootste deel gaat naar de eigen runderstallen 15.000 frank (372 euro) Europese premie ù opbrengst: 58.000 frank (1438 euro) baten min 44.000 frank (1091 euro) kosten geeft 14.000 frank (347 euro). De jonge landbouwer heeft daarvoor tien uur op de akker gewerkt. Zijn bruto arbeidsloon bedraagt 1400 frank (35 euro) per uur. Zonder Europese steun zou hij aan het werk op zijn tarweveld geld toesteken. Maar zo werkt het landbouwbeleid vandaag, met directe inkomenssteun aan de boeren. De Mansholt-politiek van hoge landbouwproductie dankzij gewaarborgde en stabiele prijzen voor de boeren is dood en begraven. Het nieuwe Europese beleid, dat de Ierse commissaris Ray MacSharry in 1992 introduceerde, past beter in het internationale vrije handelsverkeer en gaat de overproductie van granen, vlees en melk tegen. Europa maakte die turnaround niet luchthartig. Het was een willens-nillensantwoord op de Amerikaanse dreiging met een landbouwoorlog. In plaats van gewaarborgde prijzen krijgt de boer nu inkomenssteun. Op het vlak van landbouw rest er niet veel waaraan geen subsidie is geklonken. TIEN TON TARWE PER HECTAREEuropa bestrijdt de overproductie en stimuleert de boeren daartoe financieel tot braaklegging van hun land. Maar de productiviteit van de gewassen en de dieren zelf blijft jaarlijks met zo'n 2 tot 2,5 procent stijgen. In Mansholts tijd haalde een boer 6 ton graan van zijn veld, nu oogsten de polderboeren vlot 10 ton op hun goede kleigrond. Kweekbedrijven ontwikkelen ook steeds betere zaadvariëteiten in labs en op proefvelden. De selecties zijn aan de grond aangepast en kunnen ziekten weerstaan, en de producten voor gewasbescherming zijn wetenschappelijk gesofistikeerd. Zo klimt de tarweopbrengst van 6 tot 10 ton per hectare. En een bietenboer rooit een ongelooflijke 60 ton per hectare. Eenzelfde aardappelveld brengt 40 ton op, 10 tot 15 ton meer dan een paar decennia geleden. Zoals veel collega's is ook de Wolvertemse boer gedeeltelijk in de maïs gestapt. Dat is een tamelijk recent verschijnsel in Vlaanderen. De grote dikgebladerde planten hebben het platteland grondig veranderd en allerlei historische graanvariëteiten weggeconcurreerd. Maïs is een subtropisch graangewas, dat alleen in zuidelijker gebieden menselijke voeding biedt. Voor de Vlaamse boeren is het een aantrekkelijk gewas om dieren mee te voederen. Zij kapselen en kuilen de hele oogst in om als wintervoeding voor hun runderen te gebruiken. En bij een speciale variëteit oogsten de pikdorsers alleen de kolven, wat als ruwvoer voor varkens geschikt is. Boeren zijn niet van gisteren. Ze zijn massaal met maïs begonnen omdat de grond dan meer stikstof verdraagt, en dat vormt meteen een vluchtweg voor de mestoverschotten. Natuurlijk subsidieert Europa de productie. Maïs is immers een graansoort, hoewel de opbrengst naar dieren gaat. Maar geen Europese autoriteit waagt het om een subsidiegrens te tekenen, waarbij korrelmaïs voor menselijke voeding geschikt is en de plant alleen als ruwvoer voor dieren. Het Vlaamse succes van maïs heeft een onaangenaam nevenverschijnsel: de door Europa toegekende productiequota zijn overschreden, en als straf daalt het subsidiebedrag. De eeuwige strijd van een boer gaat erom een zo hoog mogelijke toegevoegde waarde uit zijn schaarse en dure grond te halen. Velen geloven dat dit met tuinbouw mogelijk is. West-Vlamingen kiezen dan ook gretig voor industriegroenten. Zij sluiten contracten af met fabrieken die hun bloemkolen, erwten en bonen tot conserven en diepvriesgroenten verwerken. Ook warenhuizen zijn vaste afnemers. Het biedt de landbouwer enige zekerheid, maar geen veel grotere winst. De grootdistributie weet best wat een boer op zijn graanveld verdient. Veel marge bieden ze hem daarop niet.GRAAN OP POTENProductiviteitsstijging of niet, de jonge boer heeft honderd hectare graanland nodig om een inkomen van 1,4 miljoen frank (zo'n 35.000 euro) te vergaren. Tussen de opdringende fermettes, sociale verkavelingen, industrieterreinen en zelfs nieuwe voetbalvelden is zijn bedrijf niet eens half zo groot. In Vlaanderen is er geen enkele honderdhectarenboer. En omwille van het inkomen is die boerderij meestal een gemengd bedrijf of zelfs - meer en meer - een zuiver veebedrijf. Maar het voedsel van de mens bestaat voor zeventig procent uit granen. Enerzijds zijn er broodgranen zoals tarwe en rijst en anderzijds voedergranen als rogge, gerst of haver die de dieren - ook wel 'graan op poten' genoemd - in vlees, melk en eieren omzetten. De dieren zijn tegelijkertijd zo vriendelijk om ook gras tot menselijk voedsel om te vormen. De polderboeren of die van Brabant op hun zand- en leemgrond hebben nog geluk. Zij hebben mooie graanoogsten met dito opbrengsten. Maar de West-Vlamingen tussen Wingene, Tielt en Roeselare knoeien op schrale zandgrond. Dieren bieden hen een grotere toegevoegde waarde dan een effectieve tarwe- of maïsoogst. Die boeren zijn, vanaf de jaren zeventig, met het kweken van varkens begonnen. Dat was gemakkelijk omdat een varkensstal weinig plaats inneemt. Bovendien was de voeding goedkoop in te voeren. Hoewel Europa graan aan de grenzen stopt, mogen de Amerikanen wel schepen soja en maniok aanvoeren. En in de jaren zeventig was er geen vuiltje aan de lucht, niemand zeurde over milieuproblemen. Met 7,2 miljoen varkens, waarvan 96 procent in Vlaanderen, is België een varkensland. Zo telt Vlaanderen meer varkens dan mensen. In de West-Vlaamse varkenstriangel alleen al knorren drie miljoen dieren. De varkens brachten een deel van de boerenstand meer welvaart. De toelevering, de veevoerderindustrie en de vleesverwerking floreren. Voor 30 miljard frank (743 miljoen euro) varkensvlees wordt geëxporteerd. Met anderhalve arbeidskracht - de man voltijds terwijl de vrouw nog een halve dag aan de kinderen en het huishouden besteedt - kan een varkenshoudersgezin in Wingene 1800 dieren de baas. Zo'n gesloten bedrijf heeft 200 zeugen die twee keer per jaar acht biggen werpen. De waardevolle moederdieren blijven een vijftal jaren in dienst. De biggen hebben een levensverwachting van amper zes maanden. Na twee maanden, ze wegen dan 25 kilogram, gaan ze al in de afmestfase. Na zes maanden wegen ze honderd kilogram en zijn ze slachtrijp. Zo'n varken levert 85 kilogram vlees. Slimme varkenshouders vetten zelf hun winst aan door de worpen sneller op elkaar te doen volgen - de worpindex is al hoger dan twee per jaar - en door de worpen te vergroten.SLECHTE REPUTATIEDe varkensboeren hebben slechte tijden achter de rug. Er was de varkenspest en daarna de dioxinecrisis. De 'levende' vleesprijs tuimelde tot 25 frank per kilogram (0,62 euro). Vandaag staat de varkensprijs op 65 frank (1,61 euro). Die herwaardering heeft het dier te danken aan de koeien, die lijden onder hun slechte reputatie van hormonen en gekkekoeienziekte. Vooral de Duitsers laten het gevreesde rundvlees voor wat het is en grijpen massaal naar varkensvlees. Zestig procent van de Belgische export van varkensvlees gaat naar onze oosterburen. Zo kunnen de varkenshouders financieel recupereren. Dat biedt hen ruimte om mee in de mestverwerking te investeren. De triangel blijft evenwel zorgwekkend. Hoe lang kan het feest nog duren? Europa heeft geen marktordening voor varkens. Voor runderen des te meer. Dat heeft zowel met de vlees- als met de melkoverproductie en die van de afgeleide boter te maken. Sicco Mansholt rekende nog met koeien die 4000 liter melk per jaar geven. Dankzij slimme selectie en betere voeding is de productie echter tot 6000 liter gestegen, en ze blijft stijgen. Koeien zijn melkfabrieken. Net zoals alles in de economie, zijn nu ook de koeien gespecialiseerd. Het 'dubbele ras', dieren voor melk én vlees, is verdwenen. Aan melkkoeien verdient de boer meer dan aan vleesrunderen. De melk levert al jaren een stabiel inkomen, zo'n 12 frank (0,3 euro) per liter. En de door Europa opgelegde productiebeperking kon de prijs in stand houden. Om de melkplassen droog te leggen, begon Europa in 1994 immers met de quota. Elke boer kreeg daarbij het recht om een bepaald aantal liter te produceren. Boeren met een historisch groot aantal literquota zijn rijk. Zij verhandelen en verhuren die rechten zelfs. Ooit moesten jonge boeren hun oudere collega's tot 45 frank (1,12 euro) betalen voor één liter melkrecht. Dat is pure woeker. Vandaag is die markt gereglementeerd, met 15 frank (0,37 euro) als vaste quotumprijs. Gemiddeld produceert een Belgische melkveehouder 130.000 liter per jaar. Een runderboerderij is minder rendabel dan een melkveehouderij. Het vleesverbruik daalt al jaren en de jongste tijd zelfs spectaculair. Terwijl een steak in de slagerij nog evenveel kost, is de prijs van een rund op een boerderij naar beneden getuimeld. Zo'n dier levert 490 kilogram vlees tegen 125 frank (3 euro) per kilogram, wat op 60.000 (1487 euro) frank komt. Enkele jaren geleden was dat 15.000 (372 euro) tot 20.000 frank (496 euro). De boer krijgt niet alleen geld van de handelaar, ook de Europese belastingbetaler staat hem bij. Een zoogkoe, die kalvert om de veestapel in stand te houden, heeft voor haar slacht pakweg drie keer 10.000 frank (248 euro) premie verdiend.HET EXCUUSKALFEr zijn gewoon te veel runderen in Europa, en dat is de schuld van de melkveehouderij. Om melkkoeien in productie te houden, moeten ze immers elk jaar een kalf krijgen, en na een zestal kalveren worden ze geslacht. Daar vallen geen filets pures meer uit te snijden, maar voor gehakt zijn ze best geschikt. De landbouwverantwoordelijken dromen graag over kalfloze melkkoeien. Want van de kalveren van honderd melkkoeien gaan er slechts dertig in de melkproductie, ter vervanging van hun oudere familieleden. De twintig andere koeien en de vijftig stieren komen in de vleeskalverensector of de vetmestproductie terecht. Zij versterken de overproductie aan vlees. De vetmesterij heeft een enorme productiestijging meegemaakt. Vooral omdat de runderboeren voor het wit-blauwe ras kozen. Die dieren worden vroeger geslacht dan hun zusters op het melkbedrijf, om vlees van hoge kwaliteit te leveren. De dikbillen wegen 700 kilogram en bieden een rendement aan vlees van 70 procent. Van een gewone Holsteiner, die al een pak minder weegt, is de helft afval. De negen jaar oude landbouwhervorming van MacSharry wil van de boerenfabrieken af. Extensieve landbouw moet in de plaats van de intensieve komen. De huidige Europese commissaris voor Landbouw Franz Fischler is erdoor bezeten. Onlangs kreeg hij stevige ruggensteun van Duitsland, al is het de Duitsers om milieuredenen en voedselveiligheid dan om overproductie te doen. Voedseltekort is voor de wereld geen probleem meer - al blijft honger bestaan, maar dat heeft andere economische oorzaken. In Europa is er van alles te veel. Europa schrijft, om de rundveehouderij te beperken, dan ook voor dat niet meer dan twee stuks grootvee op een hectare weide mogen lopen. De boer kan er meer koeien plaatsen, maar dan verliest hij de premies voor die dieren. Voor Vlaanderen is die regel een echte beperking, landbouwgrond is schaars. Ierse boeren vinden een uitweg in de grote onontgonnen wilde gebieden en hun collega's in Oostenrijk brengen de alpenweiden - skipistes in de winter - in rekening. Zo is het niet ondenkbaar dat de rundveehouderij naar Europese regio's met uitgestrekte, maar minder vruchtbare gebieden verschuift. Waar de runderen, om goed aangemest te worden, toch op stal blijven. Net zoals de gekkekoeienziekte wordt nu ook het mond- en klauwzeer met intensieve landbouw geassocieerd. De dieren staan in te grote aantallen te dicht op elkaar. Vroeger kende Vlaanderen geen geïndustrialiseerde rundveehouderij en het mond- en klauwzeer was een gevreesde en frequente plaag. Net zoals dat nog steeds het geval is in Afrika, grote delen van Azië, Latijns-Amerika en vermoedelijk Oost-Europa. Aan de andere kant is het evident dat het dicht met runderen en varkens bevolkte Vlaanderen besmet raakt in het geval de ziekte uitbreekt. Belgische landbouwverantwoordelijken verwerpen extensieve landbouw als onrealistisch. Er is te weinig grond. Landbouwpercelen zijn erg duur, ze kosten nu al meer dan een miljoen frank (24.800 euro) per hectare. Met twee koeien op een wei van een hectare kan geen boer leven. Maar dat het aantal varkens zal dalen, is geen riskante voorspelling. Er is te weinig grond om de mest van zeven miljoen varkens op het vlak van milieu op een verantwoorde manier te verwerken. De Europese nitratenrichtlijn kan niet blijvend overtreden worden.PROTECTIONISMEHet leed dat de landbouw nu overkomt - varkenspest, BSE en mond- en klauwzeer - heeft fundamenteel een andere oorzaak : marktbescherming. De bestaande vaccins zijn niet schadelijk voor de volksgezondheid en evenmin duur. Toch besliste Europa in 1992 dat het dierenrijk veilig was, en het tijdperk van het spuiten werd afgesloten. Daardoor kon Europa zijn markt vergrendelen voor de import van vooral Amerikaans vlees van gevaccineerde dieren. Zogezegd om gezondheidsredenen, maar in werkelijkheid alleen om de eigen interne markt te beschermen en de prijzen stabiel te houden. Europa had zichzelf de huidige miserie kunnen besparen, wordt nu weleens beweerd. Het cynisme van de geschiedenis wil dat net het Engeland van de 'liberale' premier Margaret Thatcher de grote gangmaker van de marktbescherming was en recenter de voorloper van de dierenepidemies. Alleen de kippen stellen het goed. De prijzen slaan behoorlijk aan, als gevolg van de consumentenschrik voor het rundvlees. Vroeger had elke boer wel wat kippen die op het erf rondscharrelden. Van een nevenactiviteit is de kippenkwekerij tot een industrieel bedrijf geëvolueerd. Net zoals de runderen hebben de kippen zich 'gespecialiseerd'. Sommige hebben een toekomst als braadkip, andere moeten leggen. De boekhouding van de legkippenhouder is er een van grote hoeveelheden. Weliswaar kost een ei in de winkel 6 frank (0,15 euro), de producent moet het stellen met 32 frank (0,79 euro) per kilogram (van 16 eieren), terwijl die hem 24 frank (0,59 euro) kost. Acht frank (0,2 euro) winst per kilogram. Maar duizenden kippen leggen tijdens hun legperiode van 14 maanden dan ook 340 eieren. Afgedankte legkippen na één legperiode - pogingen om ze langer te houden blijken niet rendabel - hebben nauwelijks nog marktwaarde. Een groot gedeelte werd vroeger tot veevoer verwerkt. Sinds dat niet meer mag, worden die vernietigd. Een ander deel wordt naar armere landen geëxporteerd. België is een grote uitvoerder van uitgelegde kippen naar Congo. De leghennen, opgestapeld in batterijen, maken korte werkdagen. Met kunstlicht verkort de boer de dag om de legproductie te verhogen. Hun biologische nichtjes hebben meer geluk. Toch erkent geen enkele kippenboer dat de dieren het slecht hebben in hun batterij. Vroeger was het altijd wat met de kippen: in de zomer legden ze niet omdat het te warm was, en in de winter omdat het te koud was. Nu hebben ze het het hele jaar door comfortabel. In het Europa van de extensieve landbouw is dierenwelzijn ondertussen een oprukkende bezorgdheid. Een richtlijn schrijft ruimere hokken voor de kippen voor. Ook de andere dieren krijgen Europese solidariteit. Tegen 2010 moeten kalveren in groepshuisvestingen rondlopen, en er is een welzijnsrichtlijn voor varkens in de maak. De landbouworganisaties klagen dat de concurrentie met de Verenigde Staten verzwakt. Want hoewel de Amerikanen over uitgestrekte prairies beschikken, staan honderdduizenden runderen op afmestbedrijven - feed lots - op honderd hectare stukgelopen grond samengeperst. In Little Rock in Arkansas is er zelfs een bedrijf met één miljoen kippen. Schapen zijn op de boerderijen nog steeds niet populair. De productie blijft in de hobbysfeer hangen. De zelfvoorzieningsgraad van schapenvlees bedraagt in Europa maar 30 procent. Landen als Australië en Nieuw-Zeeland vullen dat tekort aan.Guido Despiegelaere