Kader Abdolah is een schrijver die niet gebukt gaat onder valse bescheidenheid. Zijn nieuwste onderneming is al helemaal ambitieus - kennelijk heeft zijn laatste roman, Het huis van de moskee (2005), hem op een spoor gezet. Het mag misschien enige verbazing wekken bij iemand die als zijn favoriete auteurs Multatuli en W.F. Hermans noemt en ervoor uitkomt niet gelovig te zijn, maar Abdolah heeft nu het leven van de profeet Mohammed uit de moslimse overlevering bewerkt tot een roman. En vooral: hij heeft zich ook gewaagd aan een nieuwe vertaling van de Koran.
...

Kader Abdolah is een schrijver die niet gebukt gaat onder valse bescheidenheid. Zijn nieuwste onderneming is al helemaal ambitieus - kennelijk heeft zijn laatste roman, Het huis van de moskee (2005), hem op een spoor gezet. Het mag misschien enige verbazing wekken bij iemand die als zijn favoriete auteurs Multatuli en W.F. Hermans noemt en ervoor uitkomt niet gelovig te zijn, maar Abdolah heeft nu het leven van de profeet Mohammed uit de moslimse overlevering bewerkt tot een roman. En vooral: hij heeft zich ook gewaagd aan een nieuwe vertaling van de Koran. Daar valt het een en ander over te zeggen. Laten we beginnen met zijn Koranvertaling. Daarin heeft hij zich zoveel vrijheden gepermitteerd dat je hier moeilijk nog van een vertaling als dusdanig kunt spreken. Dat hij de inderdaad warrige traditionele volgorde van de soera's (hoofdstukken) in de Koran, die grosso modo van lang naar kort zijn gerangschikt, heeft vervangen door een min of meer chronologische - dus de volgorde waarin ze volgens de overlevering aan Mohammed zijn geopenbaard - is daarbij nog het minste euvel. Op zijn manier is dat zelfs nuttig, omdat je zo inderdaad de ontwikkeling van diens boodschap iets (zij het niet veel) beter kunt volgen. Maar Abdolah heeft wel bijzonder véél geschrapt: een kwart à een derde van de originele tekst. En in wat hij niet heeft geschrapt, zet hij dingen nogal eens naar zijn hand. Dat doet hij bovendien nog weleens in het Jip-en-Janneke-taaltje waarmee zijn kennismaking met het Nederlands begon, en dat hij blijkbaar nooit helemaal achter zich heeft gelaten. Die ingrepen zijn duidelijk vanaf het allereerste begin: de rituele formule 'Bismillah ar-Rachmaan ar-Rachiem', 'In de naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle', waarmee alle soera's openen, heeft hij veranderd in 'In de naam van Allah / Hij is lief / Hij geeft / Hij vergeeft'. Nu kun je veel zeggen, maar niet dat de god van de Koran 'lief' is. Meer nog dan zijn oudtestamentische collega Jahweh schept Allah groot behagen in bedingungsloser Gehorsam, zoals dat in een ander soort Duitsland dan het huidige heette, in absolute gehoorzaamheid en onderworpenheid dus, en wie het waagt daar kanttekeningen bij te maken, mag de onbarmhartigste straffen verwachten. Bijvoorbeeld: 'Zij die onze woorden negeren, zullen Wij in het vuur laten branden. Telkens als hun huid totaal verbrand is, krijgen ze een nieuwe huid opdat ze de daadwerkelijke straf kunnen voelen. God kan alles', zoals Abdolah soera 4: 56 vertaalt, waarbij de laatste drie woorden zijn onbedoeld lachwekkende weergave zijn van 'God is waarlijk geweldig (of: almachtig) en wijs'. Nu we het toch over deze vierde soera hebben: opvallend is dat Abdolah net voor het geciteerde vers een tiental toch niet geheel betekenisloze verzen weglaat. Verzen waarin de Joden vervloekt worden. Zou het om dezelfde reden zijn als waarom hij in zijn weergave van het leven van de profeet enige minder fraaie van Mohammeds daden ten opzichte van de Joden zedig verzwijgt? De ongeprovoceerde overval op het Joodse plaatsje Chaibar in 628, bijvoorbeeld, goed 100 kilometer ten noorden van Medina, waar de meeste mannen vermoord werden en vrouwen en kinderen als slaven weggevoerd, wordt hier in twee regeltjes afgedaan. De uitroeiing van de Joodse stam Koeraiza wordt zelfs niet genoemd. Overigens verzwijgt Abdolah niet dat Mohammed redenen had om de Joden vijandig gezind te zijn. Zij wilden zijn gezag niet erkennen en spanden samen met de Mekkanen, die dat evenmin erkenden. Niettemin vraag je je af wat de schrijver bezield kan hebben om deze zin op papier te zetten: 'Hij (= Mohammed) wachtte op een gelegenheid om de Jodenkwestie definitief op te lossen.' Zou Abdolah wérkelijk nooit van de zinsnede ' die Endlösung der Judenfrage' hebben gehoord? Tegelijk is De boodschapper allerminst een hagiografie. De rechtgelovigen zullen het, op grond van het feit dat de Koran hier onverbloemd als een bedenksel van Mohammed zelf wordt gepresenteerd, zelfs als regelrecht blasfemisch van zich af werpen. Godsdienstig bevlogene, poëet, roverhoofdman, vrouwenverslinder - de profeet was het allemaal, zo blijkt. Maar wie wérkelijk een goed boek over Mohammed wil lezen, schaffe zich beter Hans Jansens tweeluik De historische Mohammed aan. KADER ABDOLAH, DE KORAN. EEN VERTALING + DE BOODSCHAPPER. EEN VERTELLING, DE GEUS, BREDA, 382 BLZ. + 266 BLZ. IN CASSETTE, 39,90 EURO. DOOR herman jacobs