De Belgische suikerindustrie is grotendeels in handen van één bedrijf: de Tiense Suikerraffinaderij. Zij neemt 70 procent van de omzet en 68 procent van de quota voor haar rekening. De rest wordt onder drie kleintjes verdeeld: Suikergroep uit Moerbeke-Waas bezit 18 procent van de quota's, Sucrerie Fontenoy en Veurnese Suikerfabriek elk 7 procent.
...

De Belgische suikerindustrie is grotendeels in handen van één bedrijf: de Tiense Suikerraffinaderij. Zij neemt 70 procent van de omzet en 68 procent van de quota voor haar rekening. De rest wordt onder drie kleintjes verdeeld: Suikergroep uit Moerbeke-Waas bezit 18 procent van de quota's, Sucrerie Fontenoy en Veurnese Suikerfabriek elk 7 procent. De Tiense Suikerraffinaderij, die bijna even oud is als België, was tot 1989 eigendom van de familie Wittouck. In dat jaar beslisten de erven om hun aandelenpakket voor een slordige 35 miljard frank (867,6 miljoen euro) aan de Duitse groep Südzucker te verkopen. Vorig jaar produceerde het bedrijf uit Mannheim 3,6 miljoen ton suiker, waarmee het de nummer één in Europa is. Südzucker, een coöperatieve vennootschap van bietenkwekers die niet op de beurs is genoteerd, bezit bovendien 16,4 procent van de Europese quota. Nog een eerste plaats. Naar Europese maatstaven is de concentratie van de Belgische suiker bescheiden. In 8 van de 15 lidstaten is de volledige productie in de handen van één bedrijf. Volgens de lobbyisten van de zoete zaak wordt de hoge suikerprijs danig overroepen. In een brochure die ze onlangs in politieke kringen toelichtten, komen ze tot het besluit dat zelfs de armste gezinnen geen reden tot mopperen hebben. Suiker betekent slechts een minieme uitgave in hun voedingsbudget, nauwelijks 0,7 procent. Voor de suikerindustrie zijn de gezinnen trouwens niet echt belangrijk. Ze nemen niet eens 13 procent van het verbruik voor hun rekening. De rest gaat naar de industriële verbruikers, waar de chocolade- en de frisdrankindustrie de grootste afnemers zijn. Een heel aparte plaats neemt Coca-Cola in dat op zijn eentje 10 procent van de Europese en Belgische suikerproductie opslorpt. Daarmee is Coca-Cola de grootste klant van de suikerlobby, maar ook de onverzoenlijkste tegenstander. De Europese suikerordening kost de Amerikaanse multinational miljarden. Ondanks naarstig lobbywerk, ook in België, slaagde Coca-Cola er niet in om het suikerfront te breken. De Belgische suikerindustrie gaat er prat op dat ze tot de productiefste van Europa behoort. Dat is niet gelogen. Volgens een vertrouwelijke studie die het Netherlands Economic Institute (NEI) vorig jaar voor de Europese Commissie maakte, presteert België met Nederland en het Verenigd Koninkrijk het beste. In deze drie landen bedroegen de productiekosten in de jaren negentig slechts 19.750 Belgische frank (490 euro) per ton, tegen 29.000 frank (719 euro) tot 31.000 frank (768 euro) voor de hele Unie. Zoiets verdient lof, maar roept ook vervelende vragen op. Aangezien de verkoopprijs in die jaren tussen de 31.500 frank (780 euro) en de 33.000 frank (818 euro) lag, komen de auteurs van de NEI-studie op pagina 76 tot het besluit dat de winstmarge in landen als België rond de 45 tot 50 procent per ton schommelde. Die ontdekking verklaart misschien waarom de studie maandenlang in de lade van de Europese Commissie werd opgeborgen. De cijfers bevestigen immers het gelijk van de Rekenkamer, die de Commissie amateurisme bij de berekening van de interventieprijs aanwrijft. In punt 33 van haar verslag van september 2000 schrijft ze: 'Over het belangrijkste deel, de kosten voor de verwerking van suikerbieten tot witte suiker, heeft de Commissie alleen gegevens van het orgaan dat de belangen van de verwerkende industrie behartigt. Deze gegevens zijn niet gedetailleerd genoeg om de kosten na te gaan. De bruikbaarheid van deze informatie is twijfelachtig.' Paul Goossens