Gevaccineerde personen produceren antistoffen tegen de virussen en bacteriën waartegen ze werden ingeënt. Daardoor krijgen die ziekteverwekkers geen kans om zich te vermenigvuldigen: ze worden meteen vakkundig uitgeschakeld door de antistoffen van het gealarmeerd...

Gevaccineerde personen produceren antistoffen tegen de virussen en bacteriën waartegen ze werden ingeënt. Daardoor krijgen die ziekteverwekkers geen kans om zich te vermenigvuldigen: ze worden meteen vakkundig uitgeschakeld door de antistoffen van het gealarmeerde immuunsysteem. Als gevolg daarvan zijn gevaccineerde personen niet meer of veel minder besmettelijk voor anderen in hun omgeving. De kans dat ze de microbe overdragen is zeer klein. Als voldoende personen gevaccineerd of immuun zijn tegen een bepaalde infectieziekte, dan heeft de desbetreffende ziektekiem geen kans meer om zich te verspreiden. Op die manier vormen alle gevaccineerde en immune mensen samen een 'buffer' tegen de verspreiding van de ziektekiem (virus of bacterie) binnen een groep. Om die buffer te creëren is een minimale vaccinatiegraad nodig. Die is afhankelijk van de besmettelijkheid van de ziekteverwekker en van de doeltreffendheid van het vaccin. Om het zeer besmettelijke mazelenvirus te stoppen moet bijvoorbeeld 95% van de bevolking gevaccineerd of immuun zijn (met 'immuun' wordt bedoeld dat je de ziekte ook kunt hebben doorgemaakt; dan heb je eveneens antistoffen). Om het coronavirus te stoppen moet minstens 70% gevaccineerd of immuun zijn. Het is ook een vorm van solidariteit: je beschermt eveneens je medemensen.