Er was onlangs een congres over wetenschap en economie, en daar werd lof toegezwaaid aan de Vlaamse wetenschapper. Dat is trouwens een bekend refrein. We gaan er prat op een van de beste onderwijssystemen ter wereld te hebben, culminerend in performante universiteiten waar men struikelt over de topwetenschappers.
...

Er was onlangs een congres over wetenschap en economie, en daar werd lof toegezwaaid aan de Vlaamse wetenschapper. Dat is trouwens een bekend refrein. We gaan er prat op een van de beste onderwijssystemen ter wereld te hebben, culminerend in performante universiteiten waar men struikelt over de topwetenschappers. Ik voel me daar als werknemer van een van die universiteiten op aangesproken. Ik publiceer nogal wat en kom al eens in het buitenland, en ik merk dat wij inderdaad soms het niveau halen van meer prestigieuze buitenlandse instellingen. Proficiat Vlaanderen. Terzelfder tijd wil ik hier niet blijven werken. De wetenschap mag dan al onbegrensd zijn, de wetenschapper is dat niet. Telkens wanneer een Vlaamse wetenschapper een topproduct aflevert, krab ik in mijn haar: hoe is het mogelijk? Het academisch personeel - proffen en assistenten - heeft geen syndicaal statuut. Dat wil zeggen: het valt niet onder de akkoorden die de arbeidsomstandigheden regelen, het is een categorie van onbeschermde werknemers. Er is geen enkele vakbond die het voor ons opneemt want wij bestaan officieel gewoonweg niet. Hoe dit komt, en hoe het komt dat geen minister (of vakbondsleider!) dit ooit heeft opgemerkt, kan niemand mij uitleggen. Het gevolg is dat wij met onze 'eisen' letterlijk nergens terechtkunnen en dat akkoorden over loonsverhoging of arbeidsduurvermindering voor iedereen gelden, maar niet voor ons. Er is voor ons geen groepsverzekering, geen mogelijkheid tot loopbaanonderbreking - alle voordelen van het bediendenstatuut blijven ons bespaard. En wat de lonen betreft: de tijd waarin een prof tot de klasse van de rijken behoorde, is voorbij. We hebben een degelijk bediendensalaris, maar in vergelijking met de buurlanden worden we ronduit slecht betaald. De werkgever kan dan ook in beginsel eender wat eisen van het academisch personeel. Zaterdagwerk, avondvergaderingen: het hoort er allemaal bij. De vijfdaagse werkweek is voor ons nog niet uitgevonden. Onderbestaffing, geen punt: het aanwezige personeel klopt wel een dubbele shift, ook al heeft dit tot gevolg dat de eigenlijke werklast 60 uur per week bedraagt, en ook al wordt uiteraard geen enkel overuur betaald of gerecupereerd. Tien, twaalf universitaire cursussen doceren? Moet kunnen, en let op! Al die cursussen moeten op topniveau zijn en aangedreven worden door wetenschappelijk onderzoek, anders haalt men de kwaliteitsnormen niet. Dertig thesisstudenten begeleiden? Veertig thesissen in één maand lezen en beoordelen? Pak het er vlug bij. Stachanov is ons idool, en Arbeit macht frei. Wij hebben geen enkel instrument om daartegen te protesteren. Navraag bij alle ombudsdiensten leverde enkel de suggestie op een brief te richten aan de minister of naar een rechtbank te stappen. Alle andere probleemoplossers in dit land verklaren zich onbevoegd, wij zitten in een no man's land als het op onze arbeidsvoorwaarden aankomt. Telkens wanneer een Vlaams wetenschapper een wetenschappelijke topprestatie levert, voltrekt zich dan ook een klein mirakel. Die topprestatie is immers geleverd in erbarmelijke omstandigheden. In het internationale wetenschappelijke peloton zijn wij de Flandriens die rijden op een glas bruin bier met een geklutst ei erin. Maar mirakels zijn zeldzaam, en de Flandriens worden na een zekere tijd ook heel erg moe. Men springt in dit land slordig om met wetenschappers, en men verliest ze dan ook in een snel tempo. Het systeem kreunt, en overbelasting, depressies en andere klachten zijn zeer frequent bij academici. Kan men zich inbeelden hoe onze wetenschappelijke status in de wereld er zou uitzien als men Vlaamse wetenschappers onder arbeidscondities zou laten werken die de wetenschappelijke activiteit niet beperken maar stimuleren? En kan iemand daar nu eens wat aandacht aan besteden? De auteur is hoogleraar sociolinguïstiek aan de Universiteit Gent.Jan Blommaert