Toen Winston Churchill, over de tachtig, op zo'n emblematische Engelse zomerdag in de tuin van Chartwell was ingedommeld, vroeg iemand in het gezelschap zich hardop af hoe deze grootverbruiker van spiritualiën en tabak in hemelsnaam zo gezond was gebleven. Hierop opende de staatsman één oog en verklaarde: 'Above all no sports.'
...

Toen Winston Churchill, over de tachtig, op zo'n emblematische Engelse zomerdag in de tuin van Chartwell was ingedommeld, vroeg iemand in het gezelschap zich hardop af hoe deze grootverbruiker van spiritualiën en tabak in hemelsnaam zo gezond was gebleven. Hierop opende de staatsman één oog en verklaarde: 'Above all no sports.'Toch ben ik vorige zomer met Kit naar een cricketmatch gaan kijken. Ik aanschouwde de absolute hoogmis van het Engelse plattelandsleven, een ode aan de gemoedelijkheid, een ode aan... niet aan de ingeslapenheid, maar aan de bezigheid van het inslapen zelf. Alles was onvertaalbaar jolly. Alles was groen en wit, en werd gestaag groener en witter, op het abstract vlekkerige af. De bomen geurden naar thee en sandwiches. Iedereen was 103. Ik raakte volledig doordrongen van deze Engelse eeuwigheid, ik werd een met zoet vergif bedwelmd insect, zacht deinend in een web van clichés, dat door de vijanden van Albion geweven was. En mijn liefde voor het cricketspel gold deze hele trage roes - minus het spel zelf. Mijn zoon was inmiddels onder een boom een voetbal aan het hooghouden. In de herfst nam ik hem mee naar een avondwedstrijd van Rye United. De maan steeg op in een purperen veld. Het voetbal was van een erbarmelijke kwaliteit en de tegenstander scoorde. Om mij heen gebruikten volwassen mannen woorden als poofters ('janetten'). Engelse bourgeois zijn veelal verbaal-retentief in het sociaal verkeer, maar de arbeidersklasse koestert bij het schelden het excrement en de anale regio, een fascinatie die als zodanig overigens niet klassengebonden is. Ik herinner me wat een bevriende praktiserende poofter mij in beschonken toestand over zijn wederhelft meedeelde: 'Hij veegt dus staande zijn reet af... zo... een beetje voorovergebukt... en dan gebruikt hij belachelijk veel pleepapier... hele proppen...' De monoloog nam vele minuten in beslag: in het holst ervan stond die noodlottige minnaar van Falstaff almaar te vegen. De vader van de huidige vorstin, George VI, was een stotteraar, maar toen de toeschouwers tijdens een bekerfinale op Wembley in de jaren dertig iets te nadrukkelijk werden, sprak hij zijn onderdanen door de microfoon van de stadionspeaker toe, en al bij zijn openingswoorden ( 'This is your King speaking...') werd het muisstil, want het was de hiërarchische Oude Tijd, die de eeuw nog in de factoren totalitarisme en democratie moest ontbinden. Al die hooligans avant la lettre hielden hun adem in van pure tribale schaamte. Ik vertelde dit verhaal aan Kit, nadat ik hem had uitgelegd wat een poofter was; hij, verlicht, welopgevoed, begreep niet goed waarom dat een bruikbaar scheldwoord zou zijn. Niet lang nadien overleed George Best aan drank en vrouwen. De kranten vulden zich met anekdotes, die ik in gecensureerde vorm voor hem samenvatte, want al na een paar weken was hij door een professionele trainer gescout bij de zevenjarigen van datzelfde Rye United. Maar het hielp niet, hij moest en zou in Hastings gaan voetballen; en daar zie ik hem nu op zondag zijn pirouettes draaien en kappen, op een drassig veld, onder een oostenwind als een mes, huiverend en roepend te midden van andere voetbalouders, die eendrachtig uit de lagere klassen afkomstig zijn, met alle sigaretten, tatoeages en obesitas van dien. Maar ergens tussen het drama van die ledematen bevindt zich ook altijd een prachtige boezem; en bij die jonge moeder denk ik steevast aan de jonge Auden, die arbeidersjongens betaalde voor seks. Dat waren nog lagere mensen, onder een geruite pet van Lancashire-wol. Werkelijk ontspannend is voetballen op het kerkhof. Eerst iets over kerkhoven. De Engelsen zijn volgens mij het enige volk dat erin geslaagd is sommige daarvan zo intiem te maken, dat je er best een paar dagen van de eeuwigheid zou willen doorbrengen. Idealiter staan raaigras en zuring er in een zomers briesje te wiegen, terwijl de heilige taxus van de Saksen, die de onder- en bovenwereld met elkaar verbindt, bij de zuidelijke deur van de kerk ritselt dat hij Willem de Veroveraar nog heeft gekend: er zijn novocentenary yew trees, las ik in een brochure van de National Trust. In Rye groeien ook majesteitelijke rode beuken, vertakt tot een hogere ingewikkeldheid, als die van de oudste families; en in het warme seizoen kun je in deze dodentuin de thee gebruiken, terwijl verliefden er bij het getierelier van de nachtegaal wijn drinken. Er wordt al haast tweehonderd jaar niemand meer begraven, maar hier zou ik te zijner tijd wel willen blijven liggen, zij het ook niet de komende dertig jaar. Het zijn vooral dit soort kerkhoven die maken dat ik het concept van de Staatskerk schouderophalend aanvaard, zoals schoonheid me wel vaker verzoent met het irrationele. Ik ben het trouwens eens met Lord Bolingbroke, de minister van Buitenlandse Zaken van koningin Anna, die Engeland verliet toen George I aan de macht kwam en vriendschap sloot met Voltaire: de eminentie verkondigde dat het idee van een door God gegeven ambt alleen maar leidde tot tirannen in mozetta en superplie; je kon je geestelijkheid beter door het parlement laten benoemen. Aan al deze dingen denk ik, vaag, fragmentarisch, terwijl ik in de februarizon met Kit op het middenpad voetbal, tussen de middeleeuwse stenen, waarop de namen zijn uitgewist en de korstmos zelf ook versteend lijkt - en terwijl de bal heen en weer springt van steen naar voet naar steen, als in een enorme flipperkast, strooien de klokken van St. Mary hun gebeier over ons uit, er wordt getrouwd vandaag. Dan komt de vicar naar buiten (in romans wordt dat altijd met 'dominee' vertaald, maar dat is een belachelijk woord, de aanspreekvorm van het Latijn voor 'heer'). 'Hallo,' zegt hij opgewekt. 'Spelen jullie met onderaardse elftallen?' 'Wat betekent subterranean, Father Hugh?' vraagt Kit. 'Ah', zegt de geestelijke stralend. 'Onder de grond, m'n jongen. En dat spel van jullie heet gotisch voetbal.'Benno Barnard