Een kleine tijdspanne was mijn wakend leven tot aan de boord gevuld met een Nederlander van 1 meter 95 groot en wegende om en bij de 220 pond.
...

Een kleine tijdspanne was mijn wakend leven tot aan de boord gevuld met een Nederlander van 1 meter 95 groot en wegende om en bij de 220 pond.Meer dan 25 jaar geleden kruisten onze levenswegen. Hoe kwam deze ontmoeting tot stand ? Herman werkte in een fabriek en mij werd gevraagd een reeks tekeningen te maken voor diezelfde fabriek. Kwam de ontmoeting moeilijk tot stand ? Eigenlijk niet, op voorwaarde dat men de eerste en moeilijkste hindernis kon nemen en die bestond in de persoon van de portier die elke toegang tot de achter hem liggende lokalen bijna lijfelijk verdedigde. De man was voor zijn overdreven ijver niet enkel in België maar ook buiten de grenzen berucht. Toevallig had ik het ?sesam open u? langs een wijde omweg vernomen. Het magische woord bleek ?paard? te zijn, voorwaar een moeilijk in te passen woord als men de eerste maal een portiersloge moet passeren. Ik kon toch onmogelijk verklaren dat ik te paard gekomen was, want een blik uit het raam zou me verraden. Daarom hommelde ik ?er hangt een paardenhoofdstel aan de muur? terwijl hij mijn geloofsbrieven onder de microscoop legde. Meteen werd hij zacht en kneedbaar als stopverf in een koortsige hand, liep over van paardenverhalen en noodde mij uit de productietempel te betreden. Herman behoorde tot de bureelsoort die zo hoog op de evolutieladder geklommen is dat zij de prikklok kan links laten liggen. Hij had een bureau helemaal voor zichzelf en toen ik aanklopte, weerklonk er een ?d'er in?, alsof er een van de kanonnen van Navarone afgeschoten werd. Toen ik daarop binnentrad, zag ik een aardappelkleurige reus met vinnige oogjes die druk bezig was met koffie en koekjes waarvan hij een aanzienlijke massa had weten buit te maken. ?U is Ghoomaar Timmermans, de kunstschilder,? zei hij hartelijk, terwijl hij een macaron en twee langwerpige koekjes in de mond wierp. ?Hier, zet je erbij en deel in de Vlaamse overvloed.? ?Ik ben geen kunstschilder, ik ben tekenaar, meneer Dommelburg,? merkte ik op. ?Prachtig, prachtig !? riep hij. ?Komt goed uit ook, want we hoeven helemaal geen kunstschilder. 't Is zo'n eigenwijs volkje, je kan ze niet van de wijs brengen al schop je ze een jaar onder d'er kont.? Ik schrok toen die eerste keer, een half uur later niet meer. Ik wist dan dat het woord ?eufemisme? in zijn woordenboek doorgestreept was. ?Heb je de ontwerpen van onze publiciteitsdienst gezien ?? vroeg hij. ?Inderdaad, meneer...? ?Ach, laat dat meneer geklets toch achterwege,? donderde hij. ?'t Is allemaal tijdverlies, dat eindeloos overenweer meneren. Noem me Herman, ja gewoon Herman. Jij bent Ghoomaar en ik ben Herman, zo simpel is dat.? Deze vorm van dialoog had ik ooit, lang, lang geleden, in de bioscoop gehoord, daar waar Tarzan en Jane mekaar in het oerwoud vinden en de kennismaking plaatsgrijpt. ?Maar nou aan het werk, we kunnen niet de hele dag op onze luie kont zitten. Wat we aan onze klant op een ludieke manier willen wijsmaken, is dat onze film voor overhead projection beter is dan van de concurrentie en waarmee komen die zeurpieten aandragen ? Met van die ouwe kerels met baarden en japonnen aan (ik wist dat het oude Grieken waren). Zo'n kerel staat aan het strand, stopt keien in z'n mond en wil zo ons product aan de man brengen (Demosthenes of mijn hand in het vuur). Zijn ze daar allemaal mal geworden ? Je zou het wel gaan geloven als je dit onder ogen krijgt : een dikke kerel met zo'n passend maillot aan en een soort keurslijf met pofmouwen, net een vrouw met een baard (dit was Galileo die zijn zon in het centrum met een overhead projector tegenover de inquisitie stond te verdedigen), waar slaat dit in vredesnaam allemaal op ? Wie kent die ouwe rakkers ? En dan dit, een uit de kluiten gewassen Little Lord Fauntleroy die zich de doppen uitkijkt naar een appel die van een boom valt ! (Newton krijgt inzicht in de wet van de aantrekkingskracht) Die jongens van de publiciteit horen thuis in de mallemolen. Je ziet waar je voor staat, Ghoomaar. Jij moet dit allemaal omgooien. Wij met z'n twee moeten dit zootje een halt toeroepen. Maar genoeg voor vandaag (het was drie uur). Een ding nog, je mag maken wat je invalt, jij bent tenslotte de kunstenaar, maar ik wil wel een vlotte kerel met zo'n geruite pet en een kwast erop op het hoofd zien, zo'n onbezorgde knul met een sigaar achteloos tussen de lippen, zo'n sympathiek schoffie die zo langs z'n neus weg met oneliners als ?hé schat, 'k heb die ruiker vergeten maar kijk's piepert,? en dan geef je ze de volle laag met ons product. Ik geloof best dat wij goede maatjes kunnen worden.? Hierbij sloeg hij me vriendschappelijk op de schouder zodat het stof uit mijn schoudervulling wervelde. Op onze weg naar buiten in de richting van een café met terras passeerden wij de portiersloge. ?Ik heb een zeer ernstige en dringende zaak met meneer Timmermans te zijnen huize te bespreken,? zei Herman. De portier boog diep en liet me bij middel van een blik van verstandhouding zijn innigste paardenwensen overmaken. Een kwartier later zaten wij over koetjes en kalfjes te kletsen bij een glas beaujolais nouveau. Gommaar Timmermans