Het verslag van de gesprekken van een tafelend gezelschap.
...

Het verslag van de gesprekken van een tafelend gezelschap.Ik zat aan een tafel van vijf tijdens het driejaarlijks banket van een vereniging waarvan ik als zwalpend lid beschouwd word. Driejaarlijks is voor een eetsamenkomst een vreemd getal, want over deze tijdspanne zijn er ettelijke baarden en snorren gegroeid of afgeschoren zodat men telkens weer moet aftasten wie wie is. Bovendien is een tafel van vijf ook al een vreemd getal want wat men ook doet, nooit ofte nimmer bereikt men een evenwicht, tenzij de meningen zodanig gestroomlijnd zijn dat men van unanimiteit kan spreken. Dat is echter zo onwaarschijnlijk dat men eerder nog een salpicon van witte raaf voorgediend krijgt eer zoiets zich zou voordoen. Bij welke discussie dan ook is er iemand die op de wip zit, voorwaar een hachelijke positie als men een gezelschap getroffen heeft van recht-voor-de-vuist-sprekers die niet graag rond de pot draaien en een kat een kat durven te noemen. Toch moet er geconverseerd worden want het betaamt niet dat men tijdens een driejaarlijks banket trapistzwijgend de heerlijkheden uit de keuken binnenlepelt, na de zes gangen mekaar de hand drukt en voor duizend dagen huiswaarts keert. De soep kwam en ging zonder dat er ook maar iets merkwaardigs over de lippen kwam tenzij het feit van de grote droogte die gevolgd werd door de overvloedige regen. Plots doorbrak iemand het weerpraatje en verklaarde zomaar dat ik er gezien mijn pensioenleeftijd goed uitzag. Ik weet een compliment naar waarde te schatten, maar ik weet ook hoe voorzichtig men er moet mee omgaan een keer dat het heet in uw handen gegooid wordt. Begint men u te pauwen en beschrijvingen te geven van uw uithoudingsvermogen op de fiets, het zwemmen in koud water, het uren houthakken en meer van die Tarzanstaaltjes, dan zal uw krediet zeer snel slinken en u wordt de schietschijf van het gezelschap. Langs de andere kant mag men ook geen verraad aan zichzelf plegen en zijn kwaliteiten aftakelen, verscheuren, fijnmalen en op de composthoop werpen. Veiligst van al is het op de geestige toer te gooien, daarom antwoordde ik : ?Maar ja, mijn vrouw heeft ook gisteren speciaal voor deze gelegenheid mijn haren geknipt.? Bij het zien van enig ongeloof op hun gelaatstrekken voegde ik eraan toe : ?Als u me niet gelooft dan stuur ik u morgen een paar haarlokken als bewijs, die kunt u dan wegwerpen of in uw uurwerken opbergen, maar ik vermoed dat jullie in de plaats van een pluk haar liever het juiste uur zien.? De vier tafelgenoten die in een ruwgeschetste parallellogram opgesteld zaten, wisselden zowel snelle als onzekere blikken, blikken die zovele signalen waren of mijn geestelijke gezondheid wel over de lat kon. Het voorgerecht, lauwe eendenlever met roomsaus, werd stilzwijgend en door mij met gemengde gevoelens opgegeten, een zeker welzijn om de delicate smaak van het gerecht, diepe bezorgdheid omdat de lever dezer roeipotigen uw cholesterol als een raket laat naar omhoog schieten. Ik verwijderde me even om in de vestiaire waar een spiegel hing, te controleren of ik er inderdaad nu nog goed uitzag als mijn tafelgenoot me wilde doen geloven en ik moest opmerken dat er zich tijdens het verloop van twee gangen vele rimpels hadden gevormd. Met schrik zag ik de vier overblijvende gerechten tegemoet, want als de conversatie op de ingeslagen weg voortging, dan zou ik de tafel verlaten als de mummie uit de horrorfilm ?De Mummie?. Toen ik terugkwam, was er een levendig gesprek gaande. Mijn rechtse tafelgenoot had gelezen dat een Maoriprins de wereld en de volkenkundige musea afreisde om het hoofd van zijn grootvader, dat door een vijandige stam was afgehakt, gekrompen en verkocht, terug te vinden. Maar hoe zou hij dit okkernootgrote grootvaderhoofd herkennen ? Het weer vergroten door er met een verrekijker naar te zien ? Aan de familietatoeëring misschien ? Het zijn troetelhond voorhouden en op het staartgekwispel letten ? Mijn inziens toch een raar gesprek om ondertussen lamshersenen met gebrande botersaus te genieten. Tijdens de kwartels met aardappelkroketten verklaarde een overigens intelligent uitziende jongeman dat een donspluimpje, een schrijfmachine en een aambeeld in het luchtledige even snel vallen. Ik meende nog te vragen of het een quertz of een azerty moest zijn, maar na het geval met de haarlokken zweeg ik liever. ?Een hele klus om zo'n groot vacuüm te creëren,? zei mijn overbuur. ?Men kan de voorwerpen uit het ruimteveer stoten,? was het antwoord. Ik zag het trio zestig jaar later broederlijk langs Uranus de onpeilbare ruimte instuiven. Droef te moede at ik de ijsroom, terwijl ik vernam dat het zuidpoolijs afkalft en tijdens de taart met koffie mocht ik vernemen dat spinazie niet gezond doch ongezond is, een hele schok want dan is Mathurin een levende leugen. Toen wij afscheid namen, zat ik boordevol delicatessen, cholesterol, en raar-maar-waar-kennis. In de vestiaire bekeek ik me in de spiegel. Ik zag er gelukkig niet uit als de mummie uit de horrorfilm ?De Mummie? maar ik voelde me zo. Gommaar Timmermans