Ouderschap is niet zo oud als het leven, maar wel bijna zo oud als het meercellig leven. Een studie in Current Biology beschrijft een 450 miljoen jaar oud fossiel van een minuscuul planktondiertje van slechts enkele millimeters groot, dat in rotsen bewaard is gebleven terwijl het op eitjes zit. Een vorm van broedzorg die in niets verschilt van wat verwante diertjes vandaag doen. Wetenschappers nemen aan dat het oeroude eencellig leven zo'n 600 miljoen jaar geleden naar meercelligheid evolueerde, wat impliceert dat er - naar biologische normen - niet zo geweldig lang gewacht werd met de ontwikkeling van ouderschap.
...

Ouderschap is niet zo oud als het leven, maar wel bijna zo oud als het meercellig leven. Een studie in Current Biology beschrijft een 450 miljoen jaar oud fossiel van een minuscuul planktondiertje van slechts enkele millimeters groot, dat in rotsen bewaard is gebleven terwijl het op eitjes zit. Een vorm van broedzorg die in niets verschilt van wat verwante diertjes vandaag doen. Wetenschappers nemen aan dat het oeroude eencellig leven zo'n 600 miljoen jaar geleden naar meercelligheid evolueerde, wat impliceert dat er - naar biologische normen - niet zo geweldig lang gewacht werd met de ontwikkeling van ouderschap. De zorg voor eieren en jongen moet de kans op overleving van nakomelingen zo sterk verhoogd hebben dat ze snel de regel werd in het dierenrijk. Veel dieren hebben niet veel beters te doen dan in leven te blijven tot de tijd rijp is voor de voortplanting - zo herleiden ze de biologie tot haar essentie. Dat wil niet zeggen dat zorg voor nakomelingen in alle hoeken van het dierenrijk de regel is. Slechts bij één procent van de insecten komt ze voor, vooral bij sociale insecten als bijen en mieren. Ouderzorg is wel frequent bij het merendeel van de zoogdieren en bijna alle vogels. Hagedissen en slangen zorgen zelden voor het nageslacht, krokodillen altijd. Een derde van de vissenfamilies kent een vorm van broedgedrag, waarbij verrassend veel mannetjes de zorg om de eitjes en het kroost overnemen van de vrouwtjes, die na het leggen van de eitjes energie gaan opdoen om aan een nieuwe eiproductie te beginnen. Bij zeepaardjes leggen de vrouwtjes hun eieren in de buurt van de buidel van een mannetje, die ze met zijn vinnen naar binnen wappert en bewaart tot de jongen klaar zijn om uit te breken - een soort externe baarmoeder dus. Een recent overzicht in Science wijst enerzijds op een grote veelzijdigheid in ouderzorgstrategieën, maar anderzijds ook op uniforme hormonale processen die de zorg sturen. Moederzorg is de regel in het grote dierenrijk, maar vaders worden regelmatig ingeschakeld om de moeders te helpen. De familie van de pijlgifkikkers munt uit in ouderlijke flexibiliteit, met verwante soorten waarvan in het ene geval de moeder alle zorg op zich neemt, en in het andere geval de vader. Alleen bij zoogdieren en reptielen zijn geen voorbeelden gevonden van soorten waarbij alleen de vader voor de kinderen zorgt. Actief vaderschap is uitsluitend algemeen bij soorten waarvan de mannen een voldoende grote zekerheid over hun genetisch ouderschap hebben. Fundamentele veranderingen in de activiteit van de hersenen bereiden dieren voor op het ouderschap. De hormonale en andere veranderingen die daarbij spelen, blijken uniform te zijn in grote delen van het dierenrijk. Dieren die geen jongen hebben, staan meestal erg vijandig tegenover andere individuen, jongen inbegrepen. In veel soorten zonder actief vaderschap vormen mannetjes het grootste gevaar voor jonge dieren - ijsberen zijn er een opvallend voorbeeld van. Maar dikwijls komen er bij de paring al hormonale en andere veranderingen op gang die een vorm van zachtheid introduceren, een overgang naar wat wij zorgzaamheid noemen. Het proces steunt sterk op de flexibiliteit van de hersenen, die anders gaan reageren op prikkels van jongen. De ommekeer is gevonden in soorten variërend van pissebedden en kevers tot muilbroedende vissen en muizen. Een studie in het tijdschrift Nature toonde aan dat feromonen van jongen - dat zijn hormonen met een werking op andere lichamen dan het producerende lichaam - mannetjesmuizen tot zorg kunnen aanzetten. Mannen kunnen onder invloed komen van stoffen gelinkt aan de zwangerschap van hun partner (en bij de mens mogelijk ook aan de borstvoeding), waardoor hun testosterongehalte daalt. Dat werkt zorgend vaderschap in de hand, al was het maar omdat zulke mannen minder geneigd zijn oog te hebben voor andere vrouwen - een euvel dat in de zoogdierenwereld schering en inslag is. Minder testosteron impliceert eveneens dat mannen minder agressief of ongeduldig reageren als een baby veel huilt. Een sleutelrol in het zorgverhaal van gewervelde dieren is weggelegd voor een hormoon met een krachtige sociale werking: oxytocine. Het komt vrij bij de weeën en de melkproductie van vrouwen en creëert zo de misschien wel krachtigste band in de natuur: die tussen een moeder en haar kind. Hetzelfde hormoon versterkt ook de band tussen partners - het maakt dat je na een orgasme gezellig in elkaars armen kunt blijven liggen om nog wat lieve woordjes te fluisteren. Oxytocine zou in de loop van de evolutie geleidelijk meer functies gekregen hebben, van zijn sterke rol in het moeder-kindgebeuren tot het verstevigen van andere belangrijke sociale interacties. Artsen denken er nu zelfs over om het hormoon in te schakelen in de strijd tegen gedragsaandoeningen als autisme. Waakzaamheid is evenwel geboden, want er zijn aanwijzingen dat het alleen werkt om intieme relationele banden te versterken en het agressie kan uitlokken ten opzichte van onbekenden. De menselijke hersenen zijn in de loop van de evolutie zo flexibel geworden dat er zelden eenduidige functies aan een hormoon gekoppeld kunnen worden. Daarenboven groeit de aandacht voor individuele verschillen in reacties op hormonen, waardoor verschillende mensen in dezelfde omstandigheden anders op een vergelijkbare dosis van een hormoon kunnen reageren. Zo heeft niet elke ouder evenveel ankerpunten voor oxytocine op zijn hersencellen, waardoor de zorgzaamheid kan variëren. Het hormoon zou ook minder actief zijn bij vrouwen die met een keizersnede bevallen en die geen borstvoeding geven. Wetenschappers hoeden zich er evenwel voor om daar grote conclusies qua verschillen in kinderzorg aan te koppelen. Hormonen aan de basis van ouderzorg hebben vaak minstens een dubbele functie. Behalve oxytocine zijn er nog oestrogeen en progesteron die bij zoogdieren het inplanten van een embryo in de baarmoeder mogelijk maken. Tegelijk interageren ze in de hersenen met prikkeloverdragers als dopamine om ouders te motiveren om zich in te zetten voor de kinderen. Die inzet vertaalt zich verder in aanpassingen van de hersenen van groeiende kinderen, waardoor zorgzame ouders dikwijls ook zorgzame kinderen produceren - niet alleen bij de mens overigens. Science analyseerde de schokkende gevolgen van sterke verwaarlozing bij kinderen in Roemeense weeshuizen, die in abominabele omstandigheden in leven werden gehouden en geen enkele kans kregen om zich aan een persoon te binden - zero-ouderschap heet dat in het jargon. Een 'doodse stilte' viel op in die weeshuizen, omdat kinderen leren dat het geen zin heeft te huilen of te roepen als er nooit iemand reageert. Een belangrijke conclusie uit het onderzoek tot dusver is dat het voor de ontwikkeling van de hersenen schadelijker is om zonder ouder op te groeien dan met een slechte ouder. Hoewel ook hier de flexibiliteit van belang is, want afhankelijk van de individuele veerkracht is het mogelijk om van verwaarlozing te herstellen. Voor een normale ontwikkeling en groei hebben hersencellen echter regelmatig een positieve stimulans nodig, wat ook is vastgesteld bij muizen en apen die zonder ouderzorg werden grootgebracht. Goed ouderschap begint voor de bevruchting - ook dat wordt steeds duidelijker. Uit het overzicht in Science blijkt glashelder dat zowat alles uit zijn omgeving de ontwikkeling van een embryo (van mensen en andere dieren) kan beïnvloeden. Zelfs tijdens de bevruchting kunnen stoffen uit het voortplantingskanaal van de moeder een invloed hebben op hoe een embryo zijn leven start. Het voortplantingskanaal kan als een soort microkosmos beschouwd worden, die deels de wereld van de moeder reflecteert waarin het embryo later als kind terecht zal komen. De stoffen beïnvloeden de snelheid van celdeling van een beginnend embryo, maar ook de mate waarin sommige genen actief worden. Het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences stelt dat ook het zaadvocht, losgekoppeld van de zaadcellen die erin zitten, informatie draagt die op een of andere manier via boodschappermoleculen een effect heeft op het embryo. Het doet vragen rijzen over mogelijke langetermijneffecten van in-vitrofertilisatie (ivf) op kinderen. Er zijn nog geen duidelijke verschillen met natuurlijk verwekte kinderen vastgesteld, maar sommige wetenschappers wijzen erop dat het cultuurmedium waarop voortplantingscellen en in vitro verwekte embryo's worden bewaard tot alles klaar is voor de inplanting, voor een embryo het equivalent kan zijn van raketbrandstof: extreem krachtig. Er komt ook meer zicht op de rol van epigenetische effecten in de voortplanting: effecten uitgelokt door chemische stoffen die als vlaggetjes op het DNA gehangen worden, en mee bepalen of genen al dan niet in bruikbare kenmerken worden overgeschreven. Zo zou, volgens Nature Communications, wat een moeder eet in de periode van de bevruchting (en waarschijnlijk zelfs tijdens de rijping van een eitje) een rol spelen in hoe de genen van haar embryo tot uiting zullen komen. Iets vergelijkbaars geldt voor de vader. Een studie in Science toonde aan dat het op een hongerdieet zetten van mannelijke muizen een groot effect genereert op de posities van vlaggetjes op de genen van hun jongen: er zijn meer dan honderd verschillen gevonden in vergelijking met muizen die normaal gevoed werden. Hoe dat in zijn werk gaat, is onduidelijk, maar bij mensen is aangetoond dat vaders met overgewicht kinderen kunnen maken die later met ernstige gezondheidsproblemen te kampen zullen krijgen. Er gaan ook signalen van een foetus naar zijn moeder. Het medisch vakblad New England Journal of Medicine rapporteerde onlangs dat losse stukjes DNA uit het embryo een rol kunnen spelen bij het in gang zetten van een bevalling (of in het slechtste geval een premature geboorte). Een moeder zou op het 'vreemde' DNA van haar kind reageren alsof ze een ontsteking moet bestrijden, waardoor er reacties komen die weeën uitlokken, alsof ze haar kind als een vreemd lichaam uit wil drijven. Het is intrigerend dat een baby in de buik kan aangeven dat hij klaar is om geboren te worden. Er is op dat niveau al een vorm van dialoog tussen moeder en kind. Vlak na de geboorte komt bij zoogdieren het wonder van de moedermelkproductie op gang, een vloeistof die volgens wetenschappers het ultieme 'functional food' is: in de loop van de evolutie is ze zo gemoduleerd geraakt dat ze perfect is om een baby een kickstart in het leven te geven. Volgens The Journal of Nutrition kan het maag- en darmkanaal van een baby vlak na de geboorte zo goed als niets, en is het volledig afhankelijk van wat het binnenkrijgt aan bacteriën tijdens de geboorte en aan stoffen uit de moedermelk. Die laatste zijn bijna uitsluitend geschikt voor de voeding van de beginnende bacteriepopulatie in de darm, die zelf voor de vertering en de eerstelijnsverdediging tegen aanvallers zorgt. De dominante bacterie in een pasgeboren baby is een kindervariant van de soort Bifidobacterium longum, die waarschijnlijk parallel met de mens evolueerde om een bloeiende interactie mogelijk te maken. Of om het met de woorden van een analist in Science te zeggen: onze moeders rekruteren een vreemde levensvorm als eerste kinderverzorgster. DOOR DIRK DRAULANSHet voortplantings-kanaal van de moeder kan een soort microkosmos zijn van de wereld waarin haar baby later terecht zal komen. Moedermelk is perfect om de baby een kickstart in het leven te geven. Een baby in de buik kan met stukjes DNA aangeven dat hij klaar is om geboren te worden.