Minister Pinxten gelooft niet in een vrije landbouwmarkt.
...

Minister Pinxten gelooft niet in een vrije landbouwmarkt.De graanvoorraden in Europa en in de wereld en in Europa daalden naar een historisch laag peil. Minister van Landbouw en KMO Karel Pinxten (CVP) is evenwel niet verontrust. Europa beschikt nochtans over bijna geen officiële graanreserves meer. Ontstaan er bevoorradingsmoeilijkheden ? KAREL PINXTEN : De interventiestocks zijn inderdaad gevoelig verkleind. Maar het doel van het Europees landbouwbeleid is niet het aanleggen van voorraden om Europa, bijvoorbeeld, bij onverwachte slechte klimaatomstandigheden, van graan te voorzien. Het doel is wel de graanprijs op een aanvaardbaar niveau te stabiliseren. De lage reserves hebben dus niets te maken met bevoorradingsmoeilijkheden. Ze kunnen wel leiden tot hogere graanprijzen in Europa dan op de wereldmarkt. Waardoor Europees graan wordt geëxporteerd en tekorten in Europa ontstaan. Om dat te verhinderen, legde de Europese Commissie een heffing op de export. Dat is zonder voorgaande in de Europese Unie. De kleine voorraden duwen de graanprijs omhoog. PINXTEN : Europa beschikt niet meer over voldoende voorraden om graan op de markt te brengen bij prijsstijgingen of bij kunstmatig gecreëerde tekorten. Bovendien veroorzaken de lage interventievoorraden een gespannen markt. Het minste gerucht, zelfs ongefundeerd, volstaat om paniekreacties en plotse prijsverhogingen te doen ontstaan. Handelaars en grote graanboeren houden bij een stijgende markt hun voorraden in, om een betere prijs te bekomen. Zij scheppen kunstmatig een tekort, met nog sterkere prijsstijgingen als gevolg. En de graanmarkt komt dan in een speculatieve spiraal terecht. De belangen van de grote graanhandelaars en -producenten lopen duidelijk niet parallel met die van de Europese consumenten. Blijven de tekorten op de wereldmarkt bestaan ? PINXTEN : Voor het eerst sedert drie jaar wordt gerekend met een productie die hoger ligt dan het verbruik. Een normale wereldvoorraad bedraagt twintig procent van het jaarverbruik. Volgens schattingen zal de voorraad voor de volgende campagne, 1996-1997, zeventien procent belopen. Nog altijd onder het normale voorraadvolume. De graanmarkt zal dus volgend seizoen nog gespannen zijn, zonder dat werkelijke tekorten voorkomen. Leiden de kleine stocks tot het einde van de braaklegging van landbouwgrond, waarmee Europa sedert 1992 zijn graanbergen kon afbouwen ? PINXTEN : Neen. Het mechanisme van de verplichte braaklegging is, marktregulerend, in omvang aangepast aan vraag en aanbod. Ten gevolge van de permanente daling van de voorraden, was het sedert 1992 steeds noodzakelijk het braakleggingspercentage te verlagen. Zelfs een hypothetisch percentage van nul procent betekent nog niet het einde van het systeem. Het is van belang de braaklegging te behouden als productieregulerend systeem, om te vermijden dat Europa opnieuw opgescheept geraakt met graanbergen. Maar het is nu wel aangewezen op grond van langetermijnstudies een braakleggingspercentage vast te leggen dat niet jaar na jaar op een neer moet als een jojo. Leidt de daling van de graanproductie ten gevolge van de braaklegging, samen met een taks op de invoer, tot hogere prijzen ? PINXTEN : Slechts in indirecte mate. Door de braaklegging beschikt Europa niet langer over interventiestocks en ontstonden speculatie en dus prijsstijgingen. Maar de recente prijsstijgingen waren veeleer een gevolg van ongunstige weersomstandigheden in belangrijke productiegebieden, zoals de Verenigde Staten en Zuid-Europa, plus van de stijging van de vraag, onder meer in China, en van de speculatie. De importheffingen in het raam van de Gatt-akkoorden beliepen de voorbije campagne de facto nul, onder invloed van de hoge wereldmarktprijs. Het Europees landbouwbeleid werkt met restituties, interventieprijzen, heffingen, inkomenssteun. Is een vrije markt, waarin vraag en aanbod de prijs bepalen, ondenkbaar ? PINXTEN : De vrije markt leidt naar de landbouwjungle. Duizenden kleine graanproducenten zouden verdwijnen. Zeer grote graanboeren beheersen dan de wereldgraanproductie. Dat leidt automatisch tot speculatie, waarvan de consument de dupe is. De concentratie in de klimatologisch beste gebieden, maakt de graanproductie erg kwetsbaar voor extreme weersomstandigheden, wat kan leiden tot werkelijke tekorten. Voor de productie van basisvoedsel is het absoluut noodzakelijk dat grotere entiteiten, zoals Europa, Afrika en andere gebieden, zelfvoorzienend zijn. Dat is in het belang van de voedselzekerheid. De handel in basisvoedselproducten mag niet volledig aan de vrije markt overgelaten worden. Kon Europa veel besparen met de braaklegging en de verlaging van de interventieprijs ? PINXTEN : Sinds de landbouwhervorming van 1992 daalde de exportsteun van 150 miljard frank tot 40 miljard frank in 1995. De kosten van het opslaan, krompen in dezelfde periode van 100 miljard frank tot 2,5 miljard frank. Anderzijds verhoogden de uitgaven voor directe inkomenssteun aan de boeren en tuinders gevoelig. Bovendien zijn er ook afgeleide effecten. Lagere graanprijzen betekenen goedkoper veevoeder en lagere productiekosten voor vlees. Met als gevolg lagere restitutiekosten voor vlees. Zo de belastingbetaler gewonnen heeft bij de nieuwe Europese politiek, draait dan de consument niet op voor hogere prijzen ? PINXTEN : Neen, de Europese consument heeft alle belang bij voedselzekerheid en stabiele prijzen voor de basisvoedingsproducten. Het Europees landbouwbeleid gaat het soort speculatie tegen dat, bijvoorbeeld, voortdurend opduikt op de financiële markten. De wereldvoedselvoorraad overleveren aan speculanten is uiterst riskant, zeker voor de 800 miljoen mensen die vandaag lijden aan ondervoeding, onevenwichtige voeding of voedselonzekerheid. Minister Karel Pinxten.