Eeuwenlang werden doden in of rond de kerk begraven. Vandaar het woord kerkhof, een afgesloten ruimte rond de kerk. Tot halfweg de 19e eeuw waren die kerkhoven eigendom van de kerkfabrieken.
...

Eeuwenlang werden doden in of rond de kerk begraven. Vandaar het woord kerkhof, een afgesloten ruimte rond de kerk. Tot halfweg de 19e eeuw waren die kerkhoven eigendom van de kerkfabrieken. In 1857 trad een liberale regering aan, waarin de radicalen de toon voerden. Aangevoerd door de professoren van de toen fanatiek antikatholieke ULB verwoordden ze hun programma zelf als 'de kerk is onze enige vijand'. Ze wilden de invloed van de kerk op alle terreinen terugdringen. Processies werden verboden, bedevaarten uiteengeknuppeld. En er kwam een indrukwekkende lijst wetten. Zo werden studiebeurzen die bij testament waren ingesteld voortaan toegewezen aan leerlingen van het officiële onderwijs, al besliste de overledene daar anders over. De diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan werden opgeschort, er barstte een schoolstrijd los en een kerkhovenoorlog die bijna veertig jaar aansleepte. De aanleiding was simpel. De regering bepaalde dat alleen gemeentebesturen en niet de kerkfabrieken gronden mochten aankopen om de kerkhoven uit te breiden. De liberale besturen eisten meteen dat niet-katholieken en katholieken op hetzelfde kerkhof begraven werden. De bisschoppen protesteerden tegen de inbreuk op de oude gewoontes en wetten. Al in de 16e eeuw was vastgelegd dat: 'Van de kerkelycke sepulturen worden depriveert de publique Simonisten, Ketters, Schismatique, Vergifters, Tooveraers, Waerseggers ende Woeckeraers, oock degene die hun selven hun Leven hebben benomen ofte in duel zyn gedoodt ende die hunnen Paeschen niet en hebben gehouden'. Zelfs de Oostenrijkse keizer Jozef II, een bemoeial die de kerkhoven uit de steden had proberen te bannen, had dat niet veranderd. En in 1804 had Napoleon bevestigd dat 'chaque culte doit avoir un lieu d'inhumation particulier et dans le cas où il n'y aurait qu'un cimetière, on le délimitera par des murs, haies ou fossés'. De kerk waarschuwde voor de gevolgen. De Franse sansculotten probeerden al eens de godsdienst te bestrijden en iedereen wist hoe dat was afgelopen. Het kon niet baten. De wet ging door en de bisschoppen weigerden de nieuwe begraafplaatsen te wijden, zodat katholieken niet meer begraven konden worden. Van de weeromstuit kwamen er rellen bij de begrafenissen van vrijmetselaars. De kerken weigerden ook vaak om de berries, eigendom van de kerkfabrieken, ter beschikking te stellen, zodat de burgemeesters op zoek moesten naar materiaal. De vrijdenkers organiseerden zich dus, kochten een lijkbaar en met het vaandel en de harmonie voorop stapten ze naar het kerkhof. Het debat sleepte tientallen jaren aan. In 1864 besliste het Hof van Cassatie dat de gemeentebesturen wel degelijk verantwoordelijk waren voor de kerkhoven. In 1882 stelde datzelfde hof dat begraven op een afgescheiden perceel een schending was van het gelijkheidsbeginsel. Pas in 1891 raakte de kwestie opgelost. Paus Leo XIII, die al dat Belgische extremisme beu was, liet kardinaal Petrus Goossens weten dat elk perceel apart gewijd kon worden. Maar daarom werd de maatregel nog niet toegepast. In 1907 moest Cassatie nog eens wijzen op het gelijkheidsbeginsel, in 1975 herhaalde de Raad van State dat. Nog niet zo lang geleden kwam de hele zaak weer naar boven. Bij de bespreking van de wet op de begraafplaatsen vroegen de moslims in ons land een eigen afgesloten begraafplaats. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte (SP.A) zag dat niet zitten. In de praktijk kwamen er wel aparte moslimpercelen en paste de Vlaamse regering, sinds 2000 bevoegd voor de begraafplaatsen, de wet aan. De argumenten daarvoor werden onder meer door de ULB geleverd, die respect voor de geloofsovertuiging van iedereen eiste. Er is dus toch iets veranderd. M.V.Liberale besturen eisten dat niet-katholieken en katholieken op hetzelfde kerkhof begraven werden.