INFO
...

INFO Jean-Jacques Cassiman, 'Wat zit er in mijn genen?'Davidsfonds, 2004.Wie goed is voor wetenschap heeft geen verstand van talen. Dat verhaal is bekend. Zo was Albert Einstein schitterend in wiskunde, maar hij had zo veel problemen met taalvakken, dat hij bijna zijn middelbare schooldiploma niet kreeg. Zulke beweringen lijken te kloppen met de in de jaren zeventig gevormde ideeën over de modulaire opbouw van de hersenen. Ergens in de hersenen zit een taalmodule die voor de communicatie zorgt, er is een module voor ruimtelijke ordening waarmee het mogelijk wordt je te oriënteren, er is een rekenmodule en nog veel meer. Toch tonen heel veel ernstige studies aan dat er een duidelijk verband is tussen de verschillende deelaspecten van de intelligentie. Iemand die heel goed is voor taal is gemiddeld ook beter voor wiskunde en mensen met een goed ruimtelijk inzicht, hebben meestal een goed geheugen. Wetenschappers testen daarom momenteel vooral wat ze zelf omschrijven als de 'g'-factor waarbij de 'g' staat voor general intelligence. Op dit ogenblik is de belangrijkste conclusie van grootschalig onderzoek dat 'g' voor 50 procent overgeërfd wordt. De rest wordt bepaald door de omgeving. Wat juist bedoeld wordt met die 50 procent kan duidelijk gemaakt worden door een gedachte-experiment. Een eerste groep bestaat uit volledig willekeurig gekozen personen. Zowel hun genen (die met IQ te maken hebben) als hun omgevingsinvloeden zijn verschillend. In hun scores op een IQ-test zit uiteraard een zekere variatie. Een tweede groep bestaat uit personen die genetisch gelijk zijn, maar die wel in een totaal verschillende omgeving zijn opgevoed. De variaties in hun scores op een IQ-test zijn 50 procent kleiner dan die van de eerste groep. Omdat beide groepen bestaan uit personen met verschillende omgevingsinvloeden, kan die kleinere variatie uitsluitend verklaard worden door genetische factoren. Als genetische factoren en omgevingsinvloeden samenwerken, zijn de IQ-scores van een groep personen zeer gelijkvormig. Zo is er bij eeneiige tweelingen 86 procent minder variatie in het IQ dan bij de doorsneebevolking gemeten wordt. Eeneiige tweelingen zijn 100 procent genetisch identiek en groeien meestal op in hetzelfde gezin. Ook als dat laatste niet het geval is, ontwikkelden ze zich minstens negen maanden samen in de baarmoeder. Je zou het niet verwachten, maar de invloed van de genetische factoren wordt groter naarmate iemand ouder wordt. Ook al heeft een persoon het ouderlijk huis verlaten en gaat hij zijn eigen weg, het lijkt wel of hij onbewust zijn in de genen ingebouwde mogelijkheden, steeds beter benut. Bovendien maakt iemand keuzes in de lijn van zijn genetische voorbestemdheid. Een persoon met een hoog aangeboren IQ zoekt de beste scholen en studierichtingen en zoekt een voor hem uitdagend beroep. Wat hij zelf als omgevingsinvloeden zou omschrijven, zijn eigenlijk factoren die verband houden met wat in de genen vastligt. Er moet nog heel wat onderzoek in deze context gebeuren, maar het effect zelf heeft een naam, het is een genotype-omgevingcorrelatie. Wellicht is het onmogelijk om exact te bepalen welke factoren, omgeving of genetisch materiaal, tot de 'g'-factor van iemand bijdragen. Heel wat vroeger geformuleerde beweringen staan momenteel op de helling. Het is bovendien heel moeilijk om de genen zelf te identificeren die, zowel positief als negatief, invloed hebben op het IQ. Wellicht zijn het er tientallen die met elkaar interageren. Hoe meer inzicht de wetenschap krijgt in de complexiteit van de processen, hoe minder wetenschappers geneigd zijn om het determinerende karakter van zowel de genetische als de omgevingsfactoren aan te houden.