'Al die mensen die voor Khatami stemmen, kiezen niet eens voor het minste kwaad', zegt Musa S. Dibadj. 'We hebben niet meer het gevoel van vier jaar geleden, dat we iets aan de gebreken van de islamitische staat gaan doen. Die mensen stemmen niet voor de man en niet voor zijn politiek, die stemmen tégen. Tégen het hele project van de islamitische staat.'
...

'Al die mensen die voor Khatami stemmen, kiezen niet eens voor het minste kwaad', zegt Musa S. Dibadj. 'We hebben niet meer het gevoel van vier jaar geleden, dat we iets aan de gebreken van de islamitische staat gaan doen. Die mensen stemmen niet voor de man en niet voor zijn politiek, die stemmen tégen. Tégen het hele project van de islamitische staat.' Daar zijn redenen voor. Twee jaar geleden had Musa Dibadj het over de Iraanse ontevredenheid over het religieuze bewind. Na twintig jaar islamitische republiek had niet alleen de jeugd, maar de hele bevolking zich gekeerd tegen diegenen die ze verantwoordelijk achtte voor de puinhoop waarin het land zich bevond: de mollahs. Ook de geestelijke stand was diep verdeeld. Wellicht een meerderheid van de clerus dacht dat het er met de godsdienst in Iran slechter voorstond dan twintig jaar geleden onder de sjah. 'Maar nu blijkt dat de noodzakelijke hervormingen hier niet alleen groter zijn dan het establishment zich kan voorstellen, maar dat ze ook veel te duur voor hen zijn', aldus Dibadj. Musa Dibadj: 'De mensen trekken zich terug. Maar niet uit hun geloof, want dat wordt weer helemaal privé. Kleine moskeeën zitten vol biddende mensen. De grote moskeeën zitten vol vrienden van de staat. De staat kan niet langer voor religieus doorgaan. Is dat het einde van de islamitische republiek? Dat weet je niet. Vóór de revolutie in Iran hadden mensen hier geen notie van religieuze versus niet-religieuze staten. En je vindt die ook niet in de klassieke teksten. Maar kijk, twintig jaar na onze revolutie zul je in heel de islamitische wereld niemand vinden die zich de vestiging van een tweede islamitische republiek als die in Iran inbeeldt. En zie onze geschiedenis: eeuwenlang, tot onze revolutie, was het evident dat een sjiiet, in zijn hart, nooit een staat boven zich kon aanvaarden tot de Mahdi zou komen, de messias. En nu zijn wij op basis van datzelfde sjiisme iets totaal anders, tegengestelds aan het projecteren. De centrale idee daarin is heel zwak. Maar een zuivere lekenstaat, vrij van alle religie, is ook onmogelijk in Iran. Zelfs socialistische en communistische groepen hebben nu die les geleerd, en stellen zich voor als islamitisch. Na twintig jaar zijn de meeste mensen leugenaars geworden. Dat is het fundamentele probleem in Iran: de morele verwarring. De mensen houden van hun land, maar vertrouwen de staat niet. En iedereen tracht voor zichzelf te zorgen.'