Nadat ze in de Iraanse hoofdstad Teheran het slachtoffer was geworden van een verkrachting, kreeg een personeelslid van de Belgische ambassade geen juridische bijstand van de dienst Buitenlandse Zaken. De socialistische vakbond ACOD spande in 2006 al een rechtszaak aan omdat het voorval niet erkend werd als een arbeidsongeval, maar los van dat dispuut blijkt nu ook dat de ambassade in Teheran zo goed als niets heeft gedaan om de zaak te helpen ophelderen.
...

Nadat ze in de Iraanse hoofdstad Teheran het slachtoffer was geworden van een verkrachting, kreeg een personeelslid van de Belgische ambassade geen juridische bijstand van de dienst Buitenlandse Zaken. De socialistische vakbond ACOD spande in 2006 al een rechtszaak aan omdat het voorval niet erkend werd als een arbeidsongeval, maar los van dat dispuut blijkt nu ook dat de ambassade in Teheran zo goed als niets heeft gedaan om de zaak te helpen ophelderen. Eerst de feiten. In de nacht van 15 op 16 oktober 2004 wordt Brigitte A. in haar appartement in een bewaakte wijk van Teheran zwaar aangerand door een onbekende indringer. A. is op dat moment secretaresse op de Belgische ambassade in de Iraanse hoofdstad. Ze loopt zware fysieke en psychische letsels op. In de daaropvolgende dagen wordt ze verhoord door de Iraanse politie, die de zaak zeer ernstig neemt. De aanranding krijgt ook veel aandacht in de Iraanse media. In de weken daarna logeert het slachtoffer in de residentie van de ambassade en krijgt ze de nodige medische verzorging. De afdeling gerechtelijke bijstand van Buitenlandse Zaken wordt echter niet op de hoogte gebracht van de feiten. Dat is nochtans de standaardprocedure voor alle Belgen die in het buitenland in moeilijkheden raken. 'Omdat mevrouw A. personeelslid van de ambassade was, was het eenvoudiger om de ambassadeur de zaak te laten opvolgen', zegt Marc Michielsen, woordvoerder bij Buitenlandse Zaken. Toch zou de personeelsdienst A. in 2006 alsnog naar de dienst gerechtelijke bijstand verwijzen, waar men verbaasd reageerde omdat men niet onmiddellijk op de hoogte was gebracht. A. was er al die tijd van uitgegaan dat haar collega's op de ambassade haar dossier zouden opvolgen. Volgens het ACOD werd er voor de coördinatie van de zaak met de Iraanse autoriteiten geen advocaat aangesteld, wel een vertaler-tolk die ook als vertaler had opgetreden bij de politieverhoren van A. in Teheran en die daarbij enkele zware fouten had gemaakt. De Federale Overheidsdienst betwist die taakverdeling en zegt dat het wel degelijk de ambassadeur was die de zaak opvolgde. 'Dat er geen advocaat werd aangeduid, komt dan weer omdat er op dat moment enkel een politieonderzoek aan de gang was en geen gerechtelijke procedure.' In de jaren die daarop volgden, informeerde A. regelmatig vruchteloos bij de ambassade in Teheran naar de stand van zaken. Ze keerde in de eerste maanden van 2005 zelfs nog even terug naar haar job op de ambassade, maar ook toen werd ze niets wijzer. Pas toen ze in 2006 - A. werkte intussen op de ambassade in de Ugandese hoofdstad Kampala - op eigen kosten een Iraanse advocate inschakelde, merkte ze dat de Iraanse politie verscheidene keren contact met haar had gezocht, onder meer voor de identificatie van mogelijke daders. Volgens het slachtoffer heeft de ambassade daarover nooit iets laten weten. Buitenlandse Zaken betwist dat en zegt dat de verzoeken wel degelijk zijn overgemaakt aan A. Toen haar advocate zich eind 2006 een eerste keer aanmeldde bij de politie, reageert de bevoegde officier in elk geval uiterst verbaasd. Omdat er nooit een antwoord kwam op zijn vragen, ging hij er al een tijdje van uit dat het slachtoffer en de ambassade niet meer geïnteresseerd waren in de zaak. Dat laatste zal het onderzoek wellicht weinig goed gedaan hebben. Begin vorig jaar besliste de rechter in Teheran de zaak te seponeren bij gebrek aan aanwijzingen. Mede door de foutieve vertaling van het verhoor na de aanranding werd er na de feiten bijvoorbeeld geen wetsdokter aangesteld die de nodige vaststellingen had kunnen doen. A. liet haar advocate beroep aantekenen tegen de uitspraak en vroeg opnieuw de hulp van de ambassade en van de dienst gerechtelijke bijstand in Brussel. Pas twee maanden later werd de advocate door de nieuwe ambassadeur in Teheran ontvangen voor een onderhoud. De dienst gerechtelijke bijstand wachtte even lang om A. vervolgens te melden dat ze zich moest wenden tot de personeelsdienst. Een maand daarvoor had het Hof van Cassatie in Iran het beroep van A. echter al verworpen. Hannes Cattebeke