Van Abbemuseum, Stadhuisplein 1, Eindhoven. Open van di. t/m zo. tussen 11 en 17 u. Ma. en feestd. gesloten.
...

Van Abbemuseum, Stadhuisplein 1, Eindhoven. Open van di. t/m zo. tussen 11 en 17 u. Ma. en feestd. gesloten.De Dommel liep, zijn naam waardig, in een smalle bedding tot achter het oude museum, onder een brugje door. Vandaag komt hij als een krachtige, kwikzilveren stroom het nieuwe museum binnen, om er een tintelend grijs binnenmeer te vormen, een beweeglijk diafaan verbindingselement tussen de veelkantige vlakken en volumes van wat pas gebouwd is. De Utrechtse landschapsvormgevers HNS legden vistrappen en ecologische oevers voor de herboren Dommel aan. Ook zichtbaar vanuit de glazen erkerkamertjes in het museum, is hij er voor het oog een punt van rust en contact met het natuurlijke. Het is een uitlaat voor de veeleisende concentratie moderne en actuele kunst in de zalen, maar in de erker op de begane grond wordt vooreerst de rivier zelf betrokken in een kunstwerk, bedacht door Lawrence Weiner. Wanneer immers in de stroom van beeldende zinnen - die volgens Weiner geschreven of gesproken, geschilderd of gesculpteerd kunnen zijn - bij herhaling de zin 'Gedragen over grote afstand, dichterbij gebracht...' weerklinkt, wordt de voorbijstromende Dommel zintuiglijk uitgestippeld als het lokale natuurelement dat de wezenstrekken van alle rivieren van de wereld meevoert. Niemand ontgaat die plotselinge verbreding in de perceptie van aquatische associaties, op dat moment, op die plek conceptueel gerealiseerd in het werk van Weiner. (In 1989, op de tentoonstelling Bilderstreit in Keulen, legde hij een soortgelijke beeldassociatie met de machtige Rijn, als we ons dat goed herinneren.) Maar in het geval van het slechts na jaren van slopende strijd tot stand gekomen, nieuwe Van Abbemuseum klinkt de zinsnede 'Gedragen over grote afstand' ook als een hommage aan het uithoudingsvermogen van haar directeur sinds 1989, de langeafstandsloper Jan Debbaut (53) uit Temse aan de Schelde. Bangelijk lang zag het er immers naar uit dat het nieuwe Van Abbe een doodgeboren kind was. Tegen het eerste plan van bouwmeester Abel Cahen, om de nieuwbouw te realiseren bovenop de uit 1936 daterende oudbouw van Alexander Kropholler, was een krachtige weerstand gerezen omdat het de architecturale integriteit van het bestaande gebouw zou hebben aangetast. Zo had het bevallige torentje boven het bakstenen museum van Kropholler eraan moeten geloven, en zou het symmetrische gebouw zelf voor een groot deel aan het gezicht onttrokken zijn. Het verzet vroeg en verkreeg er het statuut van rijksmonument voor, zodat Debbaut en Cahen vanaf nul mochten herbeginnen. Met vertwijfelde moed werkten ze nu aan een uitbreiding naar achteren toe, wat uiteindelijk uitmondde in een complex, asymmetrisch en gefragmenteerd bouwgeheel met twee vleugels, verschillende etages en een massieve, 26 meter hoge toren, voorzien van rechte en schuine zijden, een overhellende oostgevel en een afhellend dak. Dat het veelkantig uitgespreide bouwwerk niettemin een mooie visuele eenheid bereikt, heeft het te danken aan de menselijke maatvoering, de discreet geritmeerde glaspartijen, de in- en omspoelende Dommel en de uniforme gevelbekleding in Laplandse Flammet-leisteen die varieert van lichtgrijs tot donker antraciet, naar gelang van het weer. De geheel gerenoveerde oudbouw waarin negen in elkaar overlopende zalen met natuurlijk bovenlicht een tiende, centrale zaal als het ware omarmen, is sinds zijn bouw in 1936 tot vandaag een ideaal van tentoonstellingsarchitectuur. Mee dankzij de hoge graad van geïntegreerde ruimtelijkheid vonden hier aanhoudend tentoonstellingen van een zeldzame concentratie en coherentie plaats. Maar de gestaag groeiende collectie van internationaal niveau - goeddeels de weerspiegeling van het gevoerde tentoonstellingsbeleid - moest er al lang in ontoereikende voorwaarden (haastig bijgebouwde annexen) geëxposeerd worden, zo ze al niet zo goed als helemaal in het depot verdween. Een groot museum voor Eindhoven ontwerpen veronderstelde ook het onderbrengen van de indrukwekkende boekenschat in een ruime bibliotheek, het uitbouwen van een auditorium, een shop en een restaurant. Wie met de inrichting ervan belast werd, hoorde trouw te blijven aan de huisstijl, een koel en elegant minimalisme. De Belgische ontwerper Maarten van Severen had daar het patent op. Vertrekkend in de hall van Krophollers klassieke bouw, met zijn bijna ascetische geslotenheid, leidt Abel Cahen de bezoeker naar het hart van zijn open, postmoderne labyrint, de 26 meter hoge toren waar de circulatieruimtes van alle etages op uitkomen. De blik van helemaal beneden naar helemaal boven kan de duizelingwekkende structuur van de 'kerkers' van Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) oproepen, god zij dank niet in het Piranese stikdonker, maar in een weldadig natuurlijk licht. Voor de gelegenheid dragen de smetteloos witte muren van de torenhal losgerukte fragmenten uit een narcistische monoloog van Doug- las Gordon, bevallig en kleurrijk van opdruk, maar letterlijk en figuurlijk in het ijle gelanceerd. In Cahens circuits van zalen zitten suites met natuurlijk bovenlicht en dimensies die aan Kropholler doen denken, alleen hoger zijn. Daarnaast zijn er ook kleinere ruimten zonder licht van buiten, zalen met verstelbare tussenwanden die zich lenen tot videoprojecties. Allicht vanwege de overvloed aan wanden in de circulatiezones rond de vide van de toren, zijn ook deze muren geschikt gemaakt om er schilderijen aan te hangen, in principe een riskante onderneming omdat ze buiten de intimiteit van een tentoonstellingsruimte vallen, als het ware 'op straat' geëxposeerd worden. Maar op de openingstentoonstelling Over Wij/About We, de eerste van een reeks wisselende collectiepresentaties, schijnen vooral de exuberante en extraverte doeken van Karel Appel, Pierre Alechinsky en Jean Dubuffet in hun brutaal geformuleerde picturale oprechtheid bijzonder in hun schik op deze plekken van drukke passage en grote zichtbaarheid. Even hebben we eraan gedacht, mijmert Debbaut, om de vaste collectie te verankeren in de nieuwbouw. Dan zou er ook nooit meer met de klassiek-moderne 'iconen' uit de verzameling - Picasso, Braque, het hele 'Proun'-complex van El Lissitzky, inclusief de 'Prounenraum', Mondriaan, Chagall, Delaunay - rondgezeuld hoeven te worden, en konden zij voor eeuwig en een dag, als relikwieën in een schrijn, door hun talloze aanbidders blind teruggevonden worden. Ten slotte werd aan een meer flexibele opstelling de voorkeur gegeven, overeenkomstig de grote verscheidenheid van de nieuwe zalen. Ze maken het mogelijk om dezelfde werken op een andere manier te bekijken. Niet alleen door ze met altijd andere werken te confronteren, maar ook door ze nu eens in de intimiteit van een klein kabinet, dan weer in een monumentale context te tonen. Bovendien maakt de gevoelige vergroting van de tentoonstellingsoppervlakte - 4000 m2, of viermaal meer dan voorheen - nog niet dat de bulk van de collectie het depot heeft kunnen verlaten. Naar schatting tien tot vijftien procent staat opgesteld in About We. Het Van Abbe beschikt nu eenmaal over 2500 werken - van schilderijen, sculpturen, werken op papier tot audiovisuele werken en installaties. Het gevaar is klein dat er willekeurig zal worden geschoven met kunstwerken om een kortstondig spectaculair effect te bereiken. Dat ligt helemaal niet in de lijn van het sérieux waarmee alle aspecten van een modern museumbeleid in Eindhoven altijd ter harte zijn genomen. (Bij zoverre dat een dosis humor er met evenveel 'ernst' wordt behandeld als de rest. De HI HA HI-installatie van John Kormeling in het water, met zijn aan- en uitfloepende kermislichtjes, is van een superieur uitgekiende lichtheid.) Het Van Abbemuseum heeft een wereldwijde reputatie verworven voor de kwaliteit en de consistentie van zijn keuzen, zijn volhardende houding van grondig afwegen, onderzoeken, tentoonstellen en aankopen van exemplarische actuele kunst. Er wordt niet op modieuze tendensen gesprongen, evenmin als er wordt gewacht tot vernieuwende kunst overal elders gecon- sacreerd is. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat Eindhoven stevig overeind is gebleven toen in grotere steden in Europa prestigieuze huizen van hedendaagse kunst uit de grond verrezen. De eenmanstentoonstellingen van kunstenaars van internationaal niveau in het Van Abbe horen bij de degelijkste die ooit zijn gemaakt, niet het minst vanwege de intense voorbereiding en samenwerking met de geïnviteerde kunstenaars. Daarbij komt dat het museum vanaf 1936 onafgebroken stabiliteit, continuïteit en kwaliteit heeft gekend op directeursniveau. Achtereenvolgens Edy De Wilde, Jean Leering, Rudi Fuchs en Jan Debbaut hebben stuk voor stuk een sterk persoonlijke kijk op de kunst van hun generatie ontwikkeld en getoond, zonder het door hun voorganger gerealiseerde werk uit te rangeren. Een opvallende constante is ook de verantwoordelijke opstelling die zowel de stadsoverheid - het Van Abbe is een stedelijk museum - als de museumdirectie inzake de prioriteiten van het te voeren beleid door de jaren hebben aangenomen. Het is de stad zelf die altijd uitdrukkelijk de noodzaak van een publiek museum van moderne en actuele kunst aan de orde gesteld heeft, een opdracht waarvan ze de invulling in volle autonomie aan de vaklui overlaat. Binnen een overeengekomen budget worden de concrete beleidslijnen uitgewerkt door de conservatoren, die verantwoording verschuldigd zijn tegenover de stad. Daaruit is beiderzijds een stevige vertrouwensrelatie gegroeid, die in moeilijke tijden zoals de afgelopen acht jaar, van onschatbare waarde is gebleken. Een belangrijke lijn in de collectie bestaat uit hard core moderne kunst, waarin het aandeel van constructie en reflectie overwegend is. Dat gaat van kubisme, constructivisme en minimal art tot de conceptuele kunst in de breedste zin. Met Vlaams en Nederlands expressionisme, Ecole de Paris, materieschilderen, Cobra en de Duitse 'nieuwe' schilders uit de jaren zeventig en tachtig, is ook een uitgesproken ges- tuele schilderkunst goed vertegenwoordigd. Met de toenemende vervlechting, kruisbestuiving en uitbreiding van de deelgebieden binnen de beeldende kunst sinds de jongste decennia, en het gelijktijdig wegvallen van grote bewegingen en richtingen, is een coherent tentoonstellings- en aankoopbeleid er op het eerste gezicht niet makkelijker op geworden. Het Van Abbemuseum onder Jan Debbaut heeft zich, steunend op de lijn van constructie en reflectie (de hard core) in de eigen verzameling, voor een groot deel toegelegd op sleutelensembles van individuele kunstenaars die op een complexe, maar beslist ook poëtische manier het proces van vervlechting, kruisbestuiving en uitbreiding van de deelgebieden hebben beïnvloed. Zo is het schilderkunstige oeuvre van René Daniels doordrongen van reflecties over taal en ruimtelijk waarnemen. De sculpturale installaties van Jan Vercruysse zitten vol referenties naar schilderkunst. De sculpturen van Harald Klingelhöller worden als taal verbogen. Om maar enkele voorbeelden te noemen. Zeker passend binnen de Van Abbe-attitude van openheid en afweging van nieuwe tendensen en (technologische) mogelijkheden, is de recente verwerving van alle 26 werken, gemaakt door 18 kunstenaars, rond AnnLee. Deze, door een Japans spelsoftwarebedrijf geproduceerde, avatar (virtueel wezentje) waarvan de rechten werden opgekocht door de kunstenaars Pierre Huyghe en Philippe Parreno, kreeg in de artistieke context een nieuwe 'identiteit' aangemeten, zo multipel als haar breingevers maar konden bedenken. In velerlei vormen waart AnnLee door Van Abbes nieuwe museumlabyrint, waarvan zij het - ongetwijfeld goedaardige - eerste virus is. Jan BraetBangelijk lang zag het ernaar uit alsof het nieuwe Van Abbe een doodgeboren kind was.Een belangrijke lijn bestaat uit 'hard core' moderne kunst, van kubisme tot conceptuele kunst.