Het boek Bastaard is ook naar de vorm een tussengenre, het bevindt zich ergens halverwege tussen een persoonlijke geschiedenis en een politieke analyse. Gatz droeg zijn helder geschreven boek op aan zijn overleden moeder. Een dankbaar personage, want moeder Rousseau, afkomstig uit een Franstalig nest maar getrouwd met de milde flamingant Marc Gatz, was grillig als de stad zelf. Ze veranderde regelmatig van baan, verhuisde van de benedenstad naar le haut de la ville en weer terug, had een turbulent liefdesleven. Ze wilde hogerop en was doorlopend op zoek naar iets wat altijd onbereikbaar zou blijven. Verrassend dat een rationeel en gereserveerd politicus als Gatz zijn politieke beschouwingen over de hoofdstad afwisselt met intieme ontboezemingen en jeugdherinneringen. ...

Het boek Bastaard is ook naar de vorm een tussengenre, het bevindt zich ergens halverwege tussen een persoonlijke geschiedenis en een politieke analyse. Gatz droeg zijn helder geschreven boek op aan zijn overleden moeder. Een dankbaar personage, want moeder Rousseau, afkomstig uit een Franstalig nest maar getrouwd met de milde flamingant Marc Gatz, was grillig als de stad zelf. Ze veranderde regelmatig van baan, verhuisde van de benedenstad naar le haut de la ville en weer terug, had een turbulent liefdesleven. Ze wilde hogerop en was doorlopend op zoek naar iets wat altijd onbereikbaar zou blijven. Verrassend dat een rationeel en gereserveerd politicus als Gatz zijn politieke beschouwingen over de hoofdstad afwisselt met intieme ontboezemingen en jeugdherinneringen. 'Met de meer persoonlijke passages hoop ik ook een breed publiek van niet-Brusselaars aan te spreken,' legt Gatz uit. 'Daarnaast is dit boek waarschijnlijk ook een manier om het verlies van mijn moeder van me af te schrijven. Maar ik wil zeker niet met mijn gevoelens te koop lopen. Ik gebruik ze alleen als ze functioneel zijn - (lacht) functioneel naakt, zeg maar.' De typische Brusselaar is volgens Gatz een bastaard - 'een zinneke maar dan van het assertieve type' - een hybride kruising van talen en nationaliteiten. Brussel of 'het New York aan de Zenne' is de stad 'waar onzuiverheid de norm wordt'. Geen hoogdravende kosmopolitische idealen over het wereldburgerschap, maar een simpel demografisch feit, aldus Gatz, als je weet dat nog maar 10 procent van de Brusselaars Nederlandstalig is, 40 procent Franstalig en maar liefst 50 procent van buitenlandse afkomst. De bestaande tweedeling tussen Nederlandstalig en Franstalig, die door heel wat Brusselse instellingen loopt - de scholen, de jeugdverenigingen, de sportclubs - is volstrekt onaangepast aan deze veranderde bevolkingssamenstelling. 'Die tweeledigheid werkt niet meer', zegt Gatz. In tegenstelling tot radicalere denkers over Brussel wil Gatz de rol van de gemeenschappen in Brussel weliswaar behouden, maar pleit hij er ook voor 'het gewest een stem te geven en mee te laten beslissen over bijvoorbeeld welk onderwijs Brussel nodig heeft'. Daarnaast is Gatz ervoor dat Brusselse kiezers bij verkiezingen een tweede stem zouden kunnen uitbrengen op een kandidaat uit de andere taalgroep. Zo zou er een generatie Brusselse politici opstaan die gesteund wordt door alle Brusselaars. Het is dus zoeken naar manieren om 'het Brusselse feit', zoals Gatz dat noemt, politiek te vertalen. Met zijn analyse laat Gatz de Vlaamse resoluties over Brussel, waarin juist gepleit wordt voor een versterkte rol van de gemeenschappen in het beheer van Brussel, ver achter zich. 'De Vlaamse resoluties, die volgend jaar hun tiende verjaardag vieren, zijn zeker wat Brussel betreft totaal verouderd en aan herziening toe', meent Gatz. Vlamingen blijven intussen Brussel ontvluchten, maar paradoxaal genoeg wel erg hoge verwachtingen koesteren met betrekking tot de positie van het Nederlands in Brussel. 'Tja, zelf uit huis weggaan (ik heb respect voor ieders keuze) en dan voor de achterblijvers een lijstje met huishoudelijke taken achterlaten, erg consequent is dat niet', schrijft Gatz daarover. Tegelijk roept het krimpende aantal Brusselse Vlamingen heel wat vragen op over de doelmatigheid van de ruime financiële middelen die de Vlaamse Gemeenschap voor Brussel veil heeft, met name voor het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. 'Ik huldig hier de stelling dat zelfs als in Brussel geen enkele Vlaming meer zou wonen, je dan nog Nederlandstalige scholen moet subsidiëren. Niet om te proberen nieuwe Vlamingen te creëren, want dat lukt toch niet, wel om een relevante maatschappelijke bijdrage aan deze stad te leveren', aldus Gatz. Ook pleit hij voor meer stedenbouwkundige durf in de hoofdstad en voor een vorm van stedelijk burgerschap. Waarom geen Brusselse inburgeringscursus voor nieuwkomers, vraagt de liberale politicus zich af. Maar in de praktijk blijven vastgeroeste gemeentelijke structuren voorlopig een modern stedelijk beleid in Brussel verhinderen. DOOR HAN RENARD