Nooit is het fin de siècle naargeestiger uitgebeeld dan onlangs op de openbare omroep, overigens een zeer geschikt medium daarvoor. Jan Van Rompaey en Hugo Camps, die samen een nacht doorbrengen in de verlaten mijngebouwen van Zwartberg. Dit overtreft niemand meer. Men kan vrolijk van aard zijn, maar ook de meest levenslustige was in tranen uitgebarsten bij het aanschouwen van zoveel treurnis.
...

Nooit is het fin de siècle naargeestiger uitgebeeld dan onlangs op de openbare omroep, overigens een zeer geschikt medium daarvoor. Jan Van Rompaey en Hugo Camps, die samen een nacht doorbrengen in de verlaten mijngebouwen van Zwartberg. Dit overtreft niemand meer. Men kan vrolijk van aard zijn, maar ook de meest levenslustige was in tranen uitgebarsten bij het aanschouwen van zoveel treurnis. Wij zien Van Rompaey en Camps het verroeste hek van de vervallen mijnsite openduwen, sjouwend met een zware rieten picknickkoffer. Eerste vraag van Van Rompaey: "Hugo, we staan hier tussen de ruïnes van wat ooit bruiste van leven. Inspireert je dat tot iets?" Dat zal wel. Die vraag hoef je uiteraard niet te stellen aan Hugo Camps. Tenzij om al van bij het begin een paar pakken zout in de open wonde van zijn ziel te strooien. Camps staat een beetje te dampen onder een gele sjaal die hij vierentwintig uur zal omhouden, buiten adem van het gesleur met de loodzware mand, die Van Rompaey heeft volgepropt met wijn en lekkernijen. Om het gezellig te maken! Camps neemt een vertwijfelde trek van zijn sigaret, en kreunt: "Ruïnes. Ze weerspiegelen wat ik zelf ben geworden: een ruïne. De afgebrokkelde muren van een zinloos leejven." Hugo heeft nu al spijt dat hij gekomen is. Heimwee naar zijn jonge vriendin, die hij thuis heeft achtergelaten. "Ik weet wel", jankt hij klaaglijk, "dra zal ook zij genoeg hebben van dit wrak." Hij heeft haar van onderweg een bosje bloemen gestuurd. Vierentwintig chrysanten. Van Rompaey besluit er meteen een mep op te geven. "Je wordt een dagje ouder Hugo. Denk je wel eens aan de dood?" Denk je wel eens aan de dood! Aan Camps! Dat is hetzelfde als aan Raymond Ceulemans vragen: kunt u goed biljarten? Camps denkt al aan de dood sinds hij een maand of drie is. Joeg als eenjarige een tante die "Hugootje groot?" had gevraagd, de stuipen op het lijf door te antwoorden: "Hugoowtje doowd." En daarbij rolde hij met zijn oogjes. Leuk baasje voor de rest. Van Rompaey heeft zijn eerste opstelletje te pakken gekregen. Leest het voor, terwijl ze onder hun beidjes bij kaarslicht aan een tafeltje zitten. In de immense en akelig lege mijnhal. Het ging over matroos Camps, want de kleine Hugo wilde graag matroos worden. Wat denkt u? In de vierde paragraaf al overboord gevallen en verdronken. "Men heeft soms een verkeerde indruk van mij", reutelt Camps nadat hij met lange tanden zijn avondmaal heeft binnengewurmd. "Ik ben een monter persoon. Ik hou van het leejven. Maar zal ik je wat zeggen Jan? Ik voel niet de behoefte om de hele dag rond te lopen met een lach van oor tot oor."Van Rompaey, die werkelijk een hond is, acht de tijd rijp om een paar lichtbeelden te projecteren. Camps moet er commentaar bij geven. Wij zien Hugo eerst als communicant. "Ik was net zwaar ziek geweest. De dikoor, zeven weken in bed. In een kamertje zonder venster." Hugo met een jeugdvriendje. "Hij is door een vrachtwagen doowd gereden. Voor de ogen van zijn moeder. En weet je wat er zo tragisch aan was? De chauffeur was zijn eigen vader. Dat zijn trauma's, Jan, die een kind tekenen voor de rest van zijn leejven". Van Rompaey staat aanmoedigend te knikken. Hugo als student. "Ik heb me altijd doowdongelukkig gevoeld op de universiteit. Ik hield niet van die joowligheid." Hugo in een ligzetel op het strand, tweeëndertig graden, in een driedelig pak met gele wollen sokken en dubbelgezoolde schoenen. "Waarom zou een man zich moeten uitkleejden als hij naar het strand gaat? Waarom de vetbanden van een bourgondisch leejven etaleren?" Hugo met zijn twee dochters. "Als vader heb ik gefaald." De jonge Brigitte Bardot! Heel gemeen van Van Rompaey. U weet dat Camps bezeten is van Bardot. Is bij haar gaan logeren, ze telefoneert hem vaak of ze schrijven elkaar brieven. Camps zoekt steun tegen een oude boorbeitel. "Zij heeft lang geleden in mij de lichamelijke erotiek doen opspringen." Van Rompaey, ongenadig: "Nu ziet ze er minder appetijtelijk uit, hé Hugo." Camps wankelt, zuigt een nieuwe wolk rook naar binnen, goed voor vier jaar extra longkanker. "Ik heb bij haar in Saint-Tropez, in de keuken in haar soep staan roeren." "Haar soep", herhaalt Van Rompaey totaal overbodig. Maar wie twintig jaar lang de mensen heeft onderbroken, leert die gewoonte niet in een paar weken weer af. "En toch", prevelt Camps, "haar vlees is verrimpeld en verschrompeld. Waar ooit borsten pronkten, hangen thans paddestoeltjes. Maar haar mond, Jan, haar lippen zijn even sensueel als vroeger gebleven." Einde van de lichtbeelden. Wim Robberechts, de beroemde cameraman, is ingestort. Heeft het bombardement van Beiroet gefilmd, de brand in de Innovation, de gezwollen lijken in de Herald of Free Enterprise, kindertjes met afgerukte benen in de Killing Fields van Cambodja. Zonder een krimp te geven. Maar tegen de ellende van Camps kan hij niet op. Van Rompaey had nog een paar mooie dia's van gestorven vrienden en familieleden van Camps, maar dat zal voor een volgende keer zijn. Hugo gaat slapen. Met zijn sjaal om, met een paar kranten, en een slof sigaretten. "Hier verlaat ik jullie", bromt hij met een verontrustend gerochel in de keel. "Mijn bed en mijn nachtkleejd, dat hoeft een andere man niet te zien. Slaap lekker Jan." En weg strompelt hij, stoot een krakkemikkige deur open, en verdwijnt naar een donkere en tochtige schachtbok, waar hij droevig zijn donsdeken over een versleten matras drappeert.De volgende morgen zit Camps fris gewassen en geschoren aan het ontbijt. Gele sjaal onverminderd om de hals. "Weet je nog Hugo", ontneemt Van Rompaey zijn gezel meteen elk zonnestraaltje dat die eventueel in deze nieuwe dag had kunnen ontdekken, "toen we samen student waren in Leuven? Telkens als het gezellig werd, ging jij weg, roepend dat je zelfmoord ging plegen." Camps sopt een croissant in zijn koffie, neemt een trek van zijn sigaret, en zucht. Koen Meulenaere