Op Twitter beweerde Vlaams Parlementslid Johan Danen (Groen) dat 'nergens ter wereld zo veel kinderen in het BuO (buitengewoon onderwijs, nvdr) zitten als bij ons'. Wanneer we contact opnemen met Danen, bezorgt hij ons een rapport van het European Agency for Special Needs and Inclusive Education (EASNIE), waaruit blijkt dat België koploper is als het gaat over leerlingen met speciale noden in buitengewone scholen. Maar het gaat louter om Europese cijfers. 'Over de rest van de wereld is inderdaad weinig informatie te vinden', geeft Danen toe.
...

Op Twitter beweerde Vlaams Parlementslid Johan Danen (Groen) dat 'nergens ter wereld zo veel kinderen in het BuO (buitengewoon onderwijs, nvdr) zitten als bij ons'. Wanneer we contact opnemen met Danen, bezorgt hij ons een rapport van het European Agency for Special Needs and Inclusive Education (EASNIE), waaruit blijkt dat België koploper is als het gaat over leerlingen met speciale noden in buitengewone scholen. Maar het gaat louter om Europese cijfers. 'Over de rest van de wereld is inderdaad weinig informatie te vinden', geeft Danen toe. In het rapport staan heel wat grafieken met vergelijkingen tussen 32 Europese landen en regio's. Daarin gaat het vooral over de leerlingen met een officiële 'SEN'-erkenning, wat staat voor 'special educational needs'. Als we kijken naar het aandeel leerlingen met zo'n erkenning dat naar speciale scholen gaat, scoort België inderdaad hoog, met ruim 80 procent. Nederland en Zweden scoren nog hoger: respectievelijk 100 en 88 procent. Maar zij hebben een veel lager percentage leerlingen met zo'n SEN-erkenning: in Nederland is dat 3 procent van alle leerlingen en in Zweden 1 procent. In Vlaanderen heeft 7,5 procent zo'n erkenning: in absolute cijfers zitten er bij ons dus inderdaad meer leerlingen in speciale scholen. Maar het wordt nog verwarrender: er is ook een grafiek met het aantal leerlingen met een SEN-erkenning in 'volledig gescheiden onderwijssettings'. Daar scoort Zwitserland 100 procent en IJsland 8 procent, terwijl België niet eens in het lijstje voorkomt. Volgens onderwijsexpert Dirk Van Damme, tot voor kort topman bij de OESO, moeten we voorzichtig zijn met die cijfers. 'Een wetenschappelijke internationale vergelijking is onmogelijk, omdat de verschillen tussen landen zo groot zijn. Er bestaat ook geen internationale consensus over wat buitengewoon onderwijs is en wanneer een leerling zo'n SEN-erkenning moet krijgen. Het klopt wel dat er in ons land relatief veel kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten, dat is historisch zo gegroeid. Maar in heel wat andere landen, zoals de Verenigde Staten, zitten leerlingen met bijzondere noden dan wel op dezelfde campus, maar worden ze bijna constant apart onderwezen.' Professor onderwijskunde Martin Valcke (UGent) beaamt dat het zeer moeilijk is om landen te vergelijken. 'In een publicatie van de Europese Commissie wordt bijvoorbeeld uitgelegd dat er geen algemeen aanvaarde definitie is van SEN binnen de EU. Het ene land telt enkel medische problemen mee, zoals ASS of ADHD, terwijl in andere landen ook gedragsproblemen of sociale problemen worden meegerekend. Bovendien zijn er veel verschillende onderwijssystemen. In steeds meer landen, zoals Noorwegen of Italië, gaat haast iedereen naar dezelfde school: leerlingen zitten zo veel mogelijk samen, maar worden opgedeeld in subgroepen, afhankelijk van hun noden. In België heb je nog altijd sterk gescheiden systemen, iets waar steeds meer andere landen van afstappen. En we weten dat in ons buitengewoon onderwijs niet alleen kinderen met een ernstige beperking zitten, maar bijvoorbeeld ook leerlingen met een taalachterstand, onder meer door een migratieachtergrond.' In Vlaanderen zitten relatief veel kinderen in het buitengewoon onderwijs. Maar de internationale onderwijssystemen zijn onderling zo verschillend, dat het onmogelijk te bewijzen valt dat we de wereldwijde koploper zijn.