De schilders Auguste Chabaud, Johanna Kaiser en Frans Piens ? Nooit van gehoord !
...

De schilders Auguste Chabaud, Johanna Kaiser en Frans Piens ? Nooit van gehoord !JAN HOET en zijn ploeg zitten sinds kort in het deel van het Gentse Casino dat al omgebouwd is : de technische ruimten van wat het nieuwe Museum van Hedendaagse Kunst wordt. In 1999 gaat het open. Vanaf 9 november maken ze er echter al een eerste tentoonstelling : ?De Rode Poort?. De vleugel van het Museum van Schone Kunsten waar ze twintig jaar met hun hedendaagse kunst asiel kregen, hebben ze nu verlaten. Ten afscheid laten ze, in een zij- en middenhalfrond, drie solo-tentoonstellingen na. De gemeenschappelijke titel, ?Onbekend is onbemind?, is moeilijk verkeerd te verstaan. Auguste Chabaud, Frans Piens en Johanna Kaiser waren schilders die bij leven nooit spraakmakend waren. Ze zullen het ook nooit meer worden, maar aangezien hun temperament hen ertoe bracht om dingen te doen die hen wellicht pas vandaag in dialoog brengen met wat schilders bezighoudt, verdienen ze de aandacht die ze in Gent nu krijgen. Geen twijfel, alle drie dragen ze de sporen van hun tijd, maar in de eigenzinnigheid die hen naast de roem deed grijpen, worden ze voor ons op het einde van de twintigste eeuw interessant. De grote tenoren op de autostrade van de moderne kunst zijn geboekstaafd en in prestigieuze museummausolea opgebaard. Het omkijken naar de eenzaten op de zijwegen gaat gepaard met de lust om verwaarloosde schilderkunstige mogelijkheden op te sporen en te toetsen aan onze noties van kunst. Hun werken hebben dat bizarre van zaken die lange tijd onbekeken bleven en dus niet inspirerend konden werken op de creativiteit van anderen. Eenmaal vanonder het stof gehaald, stralen ze de frisheid uit van dingen die we voor het eerst bekijken en die toch het patina hebben van een stukje verleden cultuur. Ze brengen er een facet van aan het licht dat de totaliteit rijker maakt. Bovendien voeden zij onze wel onverzadigbare honger naar echte beelden. Niet de digitale, virtuele spookverschijningen op het internet maar de weerbarstige, stoffelijke overschotten van een intense beleving. We hebben ook meer oog gekregen voor de periferie, en voor degenen die daar in zelfgekozen, gedwongen of toevallig isolement hebben gewerkt. De Provençaal Auguste Chabaud (1882-1955) had een Parijse escapade nodig om zijn jonge drang naar seks en kunst te stillen en trok zich voor de rest in de eenzaamheid van zijn wijngaarden in Graveson terug. Johanna Kaiser (1912-1991) leefde nabij Dresden in de DDR, waar het contact met kunst met mondjesmaat en stroef verliep. Voor Frans Piens (1922-1973) anderzijds was het leven gewoon te kort om een grote belofte te kunnen vervullen. BRAVE JONGEN.Met een veertigtal schilderijen en meer dan honderd tekeningen domineert Chabaud de parade van de vergetelheid. Zo helemaal onbekend als de andere twee was hij anders niet. Hij had het geluk, zijn wagentje aan de vertrekkende fauvistische trein vastgehaakt te zien, toen die in 1905 onder dikke stoomwolken en luid gefluit het ?Salon d'Automne? in Parijs innam. ?Ik begon, als een brave jongen, in de Cage aux Fauves te brullen,? schreef hij. Hij bleek te eigengereid om zich in de wielen van Matisse, Derain, De Vlaminck en Van Dongen vast te zuigen, zat mentaal misschien dichter bij het pure expressionisme van Kirchner, maar verkoos tussen de grote bewegingen door te laveren. De serie werken die hij vooral in 1907 als in een roes in Parijs maakte, springen door de broeierigheid van hun motieven hoeren en beklemmende grootstadsgezichten , het nerveuze perspectief, de bewust onbehouwen stijl en de erg donkere tonen, uit de band van een oeuvre dat zich voor de rest met ijzeren consequentie concentreerde op de alledaagse motieven en kleuren van het leven in de Provence. Wèl met behoud van de stilistische bruuskheid uit de Parijse jaren. De selectie in Gent spitst zich vooreerst toe op deze pléiade van hitsige hoeren en benauwende stadsgezichten. Chabaud liet ze lange jaren in het atelier van zijn Mas de Martin slingeren, tot hij eens een galerist uitdagend vroeg of die de ?onbekende Chabaud? niet wilde tentoonstellen. Had hij toen geen geldgebrek gehad, ze lagen er waarschijnlijk nog. (Bij wijze van spreken, want na zijn dood hebben de goede lieden van Graveson een museum voor hem gebouwd.) Het grauwe, groezelige aspect van de grootstad legde hij vast in schilderijtjes die een merkwaardige contradictie van beweging en stilstand, wazigheid en lineaire structuur vertonen. En hij moet tot over zijn oren opgegaan zijn in de schonkige plasticiteit van de borsten en billen van zijn hartsvriendin, de fel opgedirkte straatmadelief Yvette : hij maakte er bij herhaling een karikatuur van, met zwart omrande ogen die uit de kassen rollen en een achterste als een stevige rotspartij uit zijn geliefde Provence. In een soort gedicht schreef hij : ?Maar ik zou, precies zo naakt als de rotsen zijn, jouw witte lichaam willen zien, o wijf.? Terug thuis, trouwde hij met een meisje van de streek en had acht kinderen. In Gent wordt Chabaud als genreschilder benaderd met een uitgesproken hedendaagse bril. De doeken waarin hij het leven in de Provence met enig realisme weergaf, zijn buiten de tentoonstelling gehouden. Dit onderwerp, dat de bulk van zijn oeuvre uitmaakt, wordt hier vooral gestoffeerd met een heleboel voorbereidende of zelfstandige tekeningen én met schilderijen die lapidair, hoekig, slordig of gewoonweg bizar zijn. Met andere woorden, het gaat om het werk waarin hij zich het verst riskeerde, en waarvan de verrassingen hedendaagse gevoeligheden beroeren. Bij het zien van Chabauds Baadsters uit 1912 en 1928 zou Cézanne verschrikt aan zijn eigen jeugdstijl hebben teruggedacht, waaruit hij met zijn Baadsters nu net wist te ontsnappen. Chabaud maakte er dik in de pasta zwemmende donders van ; hier een klauw, daar een stompje, een beroet gezicht, een rare hartvorm op de onderbuik, wild geborstelde wolken en in de verte aan de horizon een strookje helder blauw, van de heuvels. De tekeningen en schetsen van een kerkhof, een winterlandschap, een dodenhuisje, een jager met zijn hond, een ziek paard, een kruis met hun vuile kleuren, ruwe, plastische vormen op goedkoop papier, geven nog het best de scherpte, de onherbergzaamheid en de kilte weer, die diep onder de botten zit. We begrijpen nu dat de Provence ook een onderkant heeft. ZWANGERE BUIK.Op een studiereis in de voormalige DDR werd de Nederlandse kunsthistoricus Carel Blotkamp, in een achterafzaaltje van een museum met officiële kunst, getroffen door enkele vlammende bloemschilderingen van een volslagen onbekende kunstenares. Hij zocht de bejaarde vrouw op in haar huisje in Pirna nabij Dresden en trad met haar in contact. Hij kwam te weten dat Johanna Kaiser op haar zestigste in 1972 plots de muren en de meubels van haar huis met wilde bloemmotieven was beginnen smukken (In Gent is een door haar beschilderde beddenbak te zien). Toen alles vol was, nam ze hardboard of karton en schilderde bloemstillevens en landschappen op kleine formaten. Haar levenslange voorkeur voor natuurpoëzie vertaalde ze in haar oude dag op plastische wijze in diepe, volle kleurenaccoorden van vaak onbestemde bloemen in grote ronde vazen. Van de 350 schilderijen die ze naliet krijgen we er niet meer dan twintig te zien. Hierin kiest ze een heel dicht gezichtspunt zodat ze je bij je neus in een bloeiende, zinnelijke weelde trekt, die alles vult. Nu eens legt ze haar verf er in zo dikke lagen op dat er een uitpuilende korst ontstaat als had ze bloementaart gebakken, ter versterking van de innerlijke mens. Dan weer borstelt ze in gladde brede vegen en doet een zacht deinende choreografische beweging ontstaan, ietwat in de stijl van Georgia O'Keeffe. Maar altijd weet ze het zo aan boord te leggen dat haar bloemen eigenlijk ook sappige vruchten zijn, soms zelfs levende wezens. Ook hier is er een zekere verwantschap met de sensuele bij-beelden die schilderijen van O'Keeffe oproepen, hoewel de brede bedding waarin Kaiser schildert toch wel van Duits-expressionistische oorsprong is, in sfeer en kleuren niet zo ver verwijderd van Marianne von Werefkin en Gabriele Münter. Haar ?Weisse Vase und Blumen? (1975) werd door haar familie als het schilderij met de ?zwangere buik? omschreven. Zelf zagen we er de kop van een koe-ogig wezen in, met roodomstraalde ogen, uitgestulpte muil en volle witte borst. Pot, stengels en kelken van de ?Sonnenblumen? (1974) vormen de buik, armen, handen en kop van een eigenaardig dierlijk wezen. Blotkamp ontwaart hier en daar zelfs humor in het werk, en hij kan het weten. Toen zij eens samen voor een van haar landschapsschilderijen stonden, en hij haar vroeg wat dat huisje boven op de steile bergtop te betekenen had, zei ze dat het een bordeel was waar alleen mannen onder de vijftig konden geraken. Het zal nochtans niet voor haar humor geweest zijn, ja zelfs niet voor de metamorfoserende kracht van haar bloemen, maar voor een wezenlijke vreemdheid die uit sommige van haar stillevens oprijst, dat ze in de eerste selectie voor de Documenta IX van 1992 opgenomen werd. (Toen ze stierf, werd ze van de lijst geschrapt.) De wittig groene, vervlochten verfslangen die aan de zijkanten van ?Blumentopf am Fenster? (1974) kronkelen, zijn duidelijke sporen van een scheppingskracht, gericht op het verwekken van een innerlijke flora en een levensvorm van een geheel nieuw soort. De twaalf schilderijtjes uit het oeuvre van de derde onbekende, Frans Piens, laten ten slotte een glimp zien van een schilderkunst die haar onderwerp en haar koloriet zo onopvallend mogelijk houdt om des te meer aandacht te vragen voor de kleine geheimzinnigheden in het leven van alledaagse objecten en voor het gevoelige patroon waarmee de verf in klodjes als een muzikale partituur over het hele beeldvlak is aangebracht. Dank Mondriaan, Malevitsj en Ryman, dank grote bekenden. Jan Braet Tot 13.10, Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark Gent. Open van 9 u.30 tot 17 u. Maandag gesloten. Auguste Chabaud, Nu devant la glace, 1907 : schonkige plasticiteit. Johanna Kaiser, Blumen in weisser Krug, 1989 : innerlijke flora. Frans Piens, Stilleven met groene plant, 1950 : een patroon van klodjes.