Toen Oostende in 2002 onder impuls van Johan Vande Lanotte (SP.A) het Autonoom Gemeentebedrijf Vismijn Oostende (AGVO) oprichtte, kreeg de voordien zwaar verliesgevende vismijn meteen een reeks voordelen. De stad verleende het nieuwe bedrijf een startkapitaal van 6,179 miljoen euro. Ze gaf het gratis garanties voor commerciële leningen. Ze schonk het de eigendom van 57.500 vierkante meter onroerend goed. En wat de andere vismijnen nog het meeste stak: de stad verleende steun aan visserijondernemingen die naar de Oostendse vismijn kwamen om hun vangsten aan te bieden. Ze mochten ...

Toen Oostende in 2002 onder impuls van Johan Vande Lanotte (SP.A) het Autonoom Gemeentebedrijf Vismijn Oostende (AGVO) oprichtte, kreeg de voordien zwaar verliesgevende vismijn meteen een reeks voordelen. De stad verleende het nieuwe bedrijf een startkapitaal van 6,179 miljoen euro. Ze gaf het gratis garanties voor commerciële leningen. Ze schonk het de eigendom van 57.500 vierkante meter onroerend goed. En wat de andere vismijnen nog het meeste stak: de stad verleende steun aan visserijondernemingen die naar de Oostendse vismijn kwamen om hun vangsten aan te bieden. Ze mochten immers gebruik maken van de diensten van de vismijn tegen lagere prijzen dan de marktprijzen. Dat alles staat te lezen in het Publicatieblad van de Europese Unie van 17 september 2008, dat een analyse maakt van de herstructurering van de mijn (2008/238/06). Het rapport laat er geen twijfel over bestaan: de Europese Commissie heeft 'ernstige vragen bij de verenigbaarheid van de steun aan de vismijn met de Europese, gemeenschappelijke markt'. Met andere woorden: als België, dat inmiddels de kans kreeg om te reageren, de Europese Commissie ervan wil overtuigen dat de financiële douceurtjes aan de lokale visserijbonzen terecht waren, zal het over héél sterke argumenten moeten beschikken. Nochtans is overheidssteun volgens Europa niet per definitie onterecht. Hij kan aanvaard worden 'als een onderneming de steun krijgt op een moment dat ze voldoet aan de voorwaarden voor steun aan bedrijven in moeilijkheden'. Maar de Europese Commissie betwijfelt of de steun aan de Oostendse vismijn kan worden beschouwd 'als in overeenstemming met die richtsnoeren'. Dat kan Oostende in nauwe schoentjes brengen. Want artikel 19 van het EG-verdrag (nadere bepalingen) bepaalt dat onrechtmatige steun kan worden teruggevorderd. Dat de 'extralegale voordelen die Oostende biedt' andere mijnen zoals die van Zeebrugge onrechtmatig beconcurreren, zegden leden van de Rederscentrale eerder al in Knack (4 mei 2005). Ook Jean-Marie Dedecker (LDD) laakte in datzelfde artikel het feit dat 'Oostende Zeebrugge wil kapotconcurreren met overheidsgeld.' De Europese Commissie geeft nu alle details van de vermoedelijk onterechte overheidssteun aan de Oostendse vismijn. Zo schrijft ze over het startkapitaal van ruim 6 miljoen euro, dat 'een normale particuliere marktdeelnemer (een privé-onderneming, nvdr) die zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de stad Oostende nooit 6 miljoen zou toekennen aan een bedrijf op basis van een businessplan van slechts twee (!) bladzijden'. Wellicht zou 'een normale marktpartij bovendien nagaan of het niet interessanter is om de vismijn te sluiten en de bestaande gebouwen om te bouwen voor een ander gebruik, of ze te verkopen'. Oostende, dat dat alles overbodig vond, weet binnenkort of en hoeveel de vismijn moet terugbetalen. OP www.knack.be VINDT U HET RAPPORT VAN DE EUROPESE COMMISSIE. Ingrid Van Daele