Ik was dood,
...

Ik was dood, bevrijd van het aardse verlangen Je gezicht is de zon Kom even van achter de wolk Want Ik verlang naar de warmte Moftaelon moftaelon moftael Ik ben de adelaar Jij bent de koningin Ik hoorde de drum Ik verlang om op je arm te komen zitten. Moftaelon moftaelon moftael. Dit is een vertaling van een deel van een gedicht van de grote middeleeuwse Perzische meester Mola Djalaleddine Rumi. Voor ik deze tekst schreef, was ik met Rumi bezig. Toen pakte ik Het dwaallicht van Elsschot. Het verhaal gaat zo: op een regenachtige novemberavond in 1938 verlaten drie Afghanen hun schip in Antwerpen om in de stad op zoek te gaan naar een zekere Maria van Dam. Deze Maria hebben ze op het schip ontmoet en ze hebben haar geschenken gegeven: zes pakjes sigaretten, een sjaaltje en een pot gember. Op haar beurt heeft Maria hun haar adres gegeven, en ze heeft hen gevraagd om bij haar langs te komen: Kloosterstraat 15. Maar omdat de Afghanen haar huis niet kunnen vinden, laten ze haar adres zien aan Frans Laarmans, een voorbijganger. Opeens ziet Laarmans zichzelf door het hart van Bombay slenteren, lusteloos en gebroken, op zoek naar Fathma die hij nooit kon vinden. Hij beslist met de ontheemde Afghanen mee te gaan om ze de weg te wijzen. Onderweg naar Maria van Dam raakt Laarmans in gesprek met Ali Khan, de leider van het gezelschap, over Jezus en de heilige Maria. 'Heeft Maria nog meer jongens of meisjes?' vraagt Ali Khan verbaasd. 'Neen, slecht één zoon', zegt Laarmans. 'Zeer eigenaardig', antwoordt Ali Khan, 'hij heeft de vorm van een mens en moest dus tastbaar zijn, zodat zij die durfden, de hand konden geven aan de schepper van het heelal. Onze Allah heeft geen zoon, geen vrouw, geen vader en geen moeder. Hij is alleen. En nooit zal iemand hem tekenen, want wie hem zien wil, moet eerst sterven.' De lange zoektocht naar Maria van Dam leidt uiteindelijk tot niets. Voor de Afghanen is zij een parel, onbereikbaar, maar voor Laarmans is zij een 'knap mokkel' dat de Afghanen bedrogen heeft. Een hoer, net als Fathma in Bombay, die onder een rode lamp in een huisje genes-teld moet zijn; de zevenendertigste rechts, vijftiende links, negende rechts, zevende links en dan een bochtige steeg door. Hij zou haar nooit ontdekken. De ontmoeting tussen de Afghanen en de Belg Laarmans heeft zo'n 70 jaar geleden plaatsgevonden, toen er nog bijna geen Afghanen, Turken of Marokkanen in België woonden. De tijden zijn veranderd en de Afghanen zullen niet gauw verdwaald raken in Brussel, evenmin als de westerlingen in Kabul. De Nederlandse taal is al lang niet meer alleen een cultureel erfgoed van Vlaanderen en van de oorspronkelijke Nederlanders. Het Nederlands is ook van hen die van ver komen en van hen die moeite doen om het te leren begrijpen en ervan te genieten. Zij zullen zich thuis voelen in Het dwaallicht, en ze zullen het plaatsen tussen de geheimzinnige Verhalen van duizend-en-een-nacht. Het zou een verhaal kunnen zijn dat Sheherazade in bed aan de sultan vertelde. Ooit haalde een Nederlandse vriend vier dunne oude vergeelde boeken uit zijn boekenkast. Hij zei: 'Je mag ze hebben: Kaas, Het Been, Lijmen en Het dwaallicht van Willem Elsschot.' Hij wist dat ik ze nog niet lezen kon, maar ook dat ik ze op een dag zeker zou lezen, dat ik ze moest lezen. Thuis begon ik meteen aan Kaas. Ik dacht bij mezelf dat als je niets van Elsschot en de inhoud van zijn boeken weet; dat als je nog nooit in België bent geweest of een Belg hebt gezien, je met Kaas moet beginnen. Van dat boek heb ik een paragraaf onthouden, en het werd voor mij België: Laarmans: 'Toen mijn moeder niet meer pluizen kon, zat zij nog een tijdlang met haar blauwe knokkelhanden parallel op haar schoot of urenlang krabbelend aan haar zetel alsof het pluizen nog nawerkte. Zij onderscheidde gisteren van morgen niet meer. Beide betekenden nog slechts 'nu niet'. Kwam het doordat haar gezicht verzwakte of doordat zij te allen tijde door kwade geesten bereden werd? In ieder geval wist zij niet meer of het dag of nacht was, stond op als zij liggen moest en sliep als zij had moeten praten.' De moeder van Laarmans leek op alle Perzische moeders die niet meer wisten of het dag of nacht was en die opstonden als ze liggen moesten en sliepen als ze praten moesten. De Belgische literatuur heeft geen betere boeken kunnen voortbrengen dan Kaas, Het been, Lijmen en Het dwaallicht. Het zijn boeken die alleen een Belg kan schrijven, een Vlaming. Het kan nooit het werk van een Amerikaan of een Nederlander zijn. In deze boeken ruik en proef je België. Hugo Claus heeft Het verdriet van Belgiëgeschreven en ik heb ontzag voor zijn meesterwerk, maar hij heeft nooit de literaire kwaliteiten van Elsschot kunnen overstijgen. Elsschot heeft zijn boeken in een tijd geschreven waarin televisie, satellieten, het internet en de Amerikaanse consumptiecultuur geen invloed uitoefenden op zijn teksten. Zijn werk is puur. Het is België. De Belgische schrijvers mogen wonderen verrichten, maar ze zullen nooit geheimzinniger kunnen schrijven dan Elsschot in Lijmen. Deze vier kleine boeken van Elsschot vormen samen een kasteel met een poort waardoor je de Belgische literatuur betreedt. Zijn werk behoort tot de wereldliteratuur. In mijn kast staat Elsschots Kaas naast The old man and the sea van Ernest Hemingway. Kaas is een lief en overzichtelijk boek dat gaat over Frans Laarmans die een saaie kantoorbaan heeft. Op een nacht komt hij dronken thuis: 'Die avond had ik tot middernacht kaart gespeeld in de Drie Koningen en een viertal Pale-Ales gedronken, zodat ik in de beste conditie was om de hele nacht in één adem door te slapen. Ik probeerde mij zo stil mogelijk uit te kleden, want mijn vrouw sliep al lang en ik houd niet van gezanik. Toen ik echter op één been ging staan om mijn eerste kous uit te trekken, viel ik tegen de nachttafel aan en zij schoot wakker. "Schaam je", begon het. En daarop klonk de straatbel door ons stille huis, zodat mijn vrouw rechtop ging zitten. 's Nachts is zo'n bel plechtig.' Die avond krijgt Laarmans te horen dat zijn moeder overleden is. Op de begraafplaats ontmoet hij mijnheer Van Schoonbeke. Die stelt hem voor om een kaasimportfirma op te richten, waar hij dan als alleen-vertegenwoordiger aan het werk kan. Frans Laarmans meldt zich ziek op zijn kantoor en begint aan een avontuur om kaasimporteur te worden. Hij begrijpt niets van de kaaszaken en niets van de handelscultuur en de bijbehorende corruptie. Hij is ondergedompeld in zijn dromen. Aarzelend geniet hij van het idee om een eigen bureau te hebben, een tweedehands schrijfmachine aan te schaffen en een groep vertegenwoordigers in dienst te nemen om de verkoop van de kaas voor hem te bevorderen. Hij wil voor zichzelf werken. Hij wil mijnheer Frans Laarmans, de grote kaasimporteur van België worden. Terwijl hij door zijn zoete fantasie is opgeslorpt, wordt er een paar duizend kilo kaas in kisten aan huis bezorgd. Hij wordt zelfs benoemd tot vicevoorzitter van de Association Professionelle des Négociants en Fromage, maar de bestellingen blijven uit. Onhandig neemt hij contact op met kaaswinkeliers, maar iedereen heeft zijn eigen contacten en zij hebben zijn kaas niet nodig. Zijn hele huis begint nu naar kaas te stinken. De angst groeit en het hele gezin zit met verdriet. Eigenlijk is Kaas van Elsschot het verdriet van België. De droom van Frans Laarmans is die van vele mensen op aarde die hun alledaagse saaie leven willen inruilen voor hun droom. Frans is toevallig een Belg, maar hij had net zo goed een Afghaan, Afrikaan of Chinees kunnen zijn. Sinds ik het boek gelezen heb, heb ik geen stukje kaas genomen zonder aan Elsschot te denken. Vorig jaar is er in Nederland door het NRC Handelsblad een literaire verkiezing georganiseerd van het beste Nederlandstalige boek aller tijden. Ik vond het jammer dat geen van de boeken van Elsschot bij de nominaties zat. Graag had ik Het dwaallicht tussen de gekozen boeken gezien. Elsschot heeft het verhaal in 1942 geschreven, maar het is nog altijd modern en actueel. Het is 54 bladzijden lang en je leest het, zittend op de bank, in één adem uit. Het is een magisch verhaal waarin een verrassende ontmoeting tussen het Westen en het Oosten plaatsvindt. De westerling Frans Laarmans gaat op zoek naar Fathma en de oosterling Ali Khan is op zoek naar Maria. Het boek is een zoektocht naar iets wat je niet vinden kunt. De middeleeuwse Perzische dichter Rumi heeft dezelfde tocht al duizend jaar geleden als volgt op papier gezet: Op zoek naar een mens Liep ik gisterennacht met een lantaarn In mijn hand door de stad. Iedereen zei: Je kunt het niet vinden. Maar ik verlang juist naar iets wat ik niet vinden kan. Moftaelon moftaelon moftael. KADER ABDOLAH