Jan Cox (1919-1980) of het verhaal van de tragische grootsheid van een zwarte panter.
...

Jan Cox (1919-1980) of het verhaal van de tragische grootsheid van een zwarte panter.HET IS EEN BEVALLIGE selectie van vooral litho's, enkele houtsneden en zeefdrukken, daar in het Stedelijk Prentenkabinet van Antwerpen. Dezelfde onderwerpen die hij in weergaloze schilderijen monumentaal uitwerkte, komen er in bijnapoëtische intimiteit naar voren. De kunst van Jan Cox (1919-1980) werd gevoed door de grondslaggevende verhalen van de westerse cultuur. De Ilias het oorlogsepos van Homeros en de mythe van Orpheus, beide geplukt uit de antieke Griekse vijver ; het verhaal van Judith en Holofernes en de Martelgang van Christus uit de joods-christelijke cultuur. Cox beperkte zich niet tot een illustratie van deze mythologische stof. Hij bracht ze vanuit de innerlijke noodzaak om met eigentijds en persoonlijk materiaal in het reine te komen : de Ilias om de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog van zich af te schilderen ; Orpheus om de kunstenaar-zanger in hem te laten zingen, de schepper van de magie van het schone en van de absolute waan (de redding van Eurydice uit de onderwereld) ; Judith om te verbeelden hoe elke vrouw de man die zij verleidt, altijd ook kan doden. Hij vond, net als Leonardo of Wassily Kandinsky, de muziek de hoogste vorm van kunst. Zijn schilderijen kwamen analoog aan muzikale principes tot stand. Componeren vanuit de kleur, het kiezen van tonen en tussentonen, met kleuren direct op het gemoed inwerken, zonder bemiddeling van anekdotische elementen. Cox vertelde zijn grote verhalen niet, hij liet ze inslaan, in dithyramben van licht en kleur, lijn en vlek. Zijn oeuvre beroert kernvragen : Waarom is de mens ? Wie zijn wij ? Vanwaar komen wij ? Waar gaan we naartoe ? Hij begon niet aan een schilderij, als hij niets wezenlijks te zeggen had. In pure beeldsymfonieën. Ze balanceren tussen de verschrikking en de gelukzaligheid, tussen donker en licht. Al naar gelang. Een van de meest fascinerende dingen in de schilderijen van Jan Cox is de ruimte waarin ze zich afspelen. Leegten van grote kleurvlakken meestendeels, zonder perspectivisch ankerpunt, zwevend in het niets. In het niets, of in het water, van een onderwereld. Vergelijkbaar aan de Lethe, bij de oude Grieken de stroom van de vergetelheid. Daar heerst Hades, de Zeus van de onderwereld, met zijn monsterachtige kop. Hij is de schenker van het metaal en de gewassen die de rijkdom van de stervelingen op aarde uitmaken. Kijken naar Cox' ruimte is ook, zich verliezen in het onderbewustzijn, zoals het door Freud doorvorst werd. En er mineralen ontdekken, met of zonder de romantische symboliek die Novalis eraan gaf. Zijn we vertrokken voor een cursus cultuurgeschiedenis ? De grote belezenheid van Cox, zijn voortdurende schriftelijke reflecties over kunst, literatuur, filosofie en maatschappij, bieden een zo breed veld van referenties, dat ze kunnen aanzetten tot beschouwingen die in hun hoge vlucht in alle richtingen tegelijk uitwaaieren. Dat bezorgt de lezer van de nieuwe monografie over Jan Cox af en toe een welhaast oceanisch gevoel, tussen geweldig gegrepen zijn en zeeziekte in. JEUGDZONDE.Het begint kalm aan, met enkele levensfeiten, netjes op een rijtje gezet door de jonge kunsthistoricus Philippe Pirotte. Cox brengt zijn kinderjaren in Nederland door, als zoon van een uit Antwerpen gevlucht activist. Hij maakt een vals paspoort voor zijn vader en smokkelt hem vóór de amnestie in de jaren dertig Vlaanderen binnen. Zelf bezoekt hij voor korte tijd de academie van Antwerpen en de speciale klas van Isidoor Opsomer. Geconfronteerd met de gaten in zijn cultuur, gaat hij in Gent Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde studeren, waarbij hij August Vermeylen, de eerste rector van de Vlaamse Rijksuniversiteit, onder zijn lesgevers telt. Voor het toneelstuk ?Jakob van Artevelde? door Cyriel Verschaeve, ontwerpt hij het decor en de kostuums, een ?jeugdzonde? (Pirotte). Pas in 1941 zou hij afstuderen met de bespiegelende eindverhandeling ?De kunstenaar en zijn werk?, want in 1940 was de familie bij het uitbreken van de oorlog in een oude fiat met enkele kilo's ruwe diamanten naar Frankrijk gevlucht. Cox vond een oude pijpenfabriek om in te schilderen, zijn broer Harry een afgedankte bioscoop om er piano te spelen. De bezetter die schilderijen van hem ziet hangen in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, vindt ze ?ontaard? en laat ze verwijderen, terwijl Cox in zijn Antwerpse atelier aan de Van Dijckkaai een revolver, diamanten en af en toe ook onderduikers verbergt. In 1945 ligt hij in Brussel mee aan de basis van de oprichting van de Jeune Peinture Belge, een platform voor de avant-garde, waarin de invloed van de Franse abstracte en post-kubistische kunst zich doet gevoelen. Hij ontwerpt decors voor ?Les Mouches? van Jean-Paul Sartre en ?De Getuigen? van Hugo Claus. In 1949 is hij voor het eerst in Amerika, waar hij kennismaakt met zijn latere galerist Curt Valentin. Met hem komt hij in 1951 overeen dat hij hem zijn schilderijenproductie tegen een vast maandloon afstaat. In volle voorbereiding van zijn eerste eenmanstentoonstelling in New York, sterft Valentin. Cox' Amerikaanse doorbraak staat plots op de helling. Hij heeft ondertussen al in Parijs gewerkt, waar hij vriendschap gesloten heeft met Pierre Alechinsky. Hij trouwt met Yvonne van Ginniken. In 1954 krijgt hij een studiebeurs voor Rome, waar hij niet alleen schildert maar ook als correspondent voor de radio actief is en leuke beschouwingen neerpent : ?Op de 500 Belgen in Rome zijn er zeker 300 priesters. Enfin, ge kunt het u voorstellen, in het Belgisch College ontvangen, na een afschuwelijk Te Deum ter ere van Boudewijn, vol rokken, walgelijk gesuikerde Martini en koekjes.(...) Terwijl de christenen koekjes aten, was ik het liefst een leeuw van het Colosseum geweest. Dat hygiënisch instituut is helaas nog slechts een ruïne.?Amerika wenkt opnieuw, in 1956 kan hij als docent aan de slag in de Museum of Fine Arts School in Boston. Cox past zich aan de Amerikaanse verwachtingen aan, breidt zijn rol als lesgever uit met die van ?psychiater, vader, moeder en nog veel meer? (Pirotte), en ziet zijn lesopdracht verlengd. Het zijn euforische jaren : een nieuwe vriendin de danseres Marlene Wallin , een creatieve piek : de Orpheus-cyclus (1958-59), én een nieuwe galeriste, Catherine Viviano. Tot een brede erkenning kwam het evenwel niet. In de jaren zeventig is hij weer in België, na een grote eenmanstentoonstelling in het PSK (1969). Hij kiest voor de Antwerpse Galerie De Zwarte Panter van Adriaan Raemdonck, en werkt er door de jaren zijn mythologische thema's verder uit. Na de krachtenslopende ?Ilias?-cyclus, een dramatische verwerking van zijn oorlogservaringen, loopt zijn project rond Mozarts ?Toverfluit? al na enkele schilderijen op de klippen. Hij begint aan zijn zogenaamde ?dagboekschilderijen? en bezoekt twee plaatsen waar respectievelijk de mens en de natuur boven zichzelf uitstijgen : de kathedraal van Chartres en de Grand Canyon in Arizona. Hij schildert Phoenix Arizona en noteert : ?Met opengesperde ogen staar ik naar het natuurfenomeen van ruimte, leegte en licht, en heel ver als een kartelrandje de bergen aan het einde van de woestijn.?Voor wat zijn laatste reeks zou worden, de bijbels geïnspireerde ?Martelgang?, onderneemt Cox in 1979 een reis naar Israël in het gezelschap van zijn nieuwste vriendin, Marleen de Decker. De grootste verrassing van de reis is evenwel zijn kennismaking met de Arabische cultuur. Zijn islam-bad leidt nog tot enkele bewonderende beschouwingen, maar niet meer tot beeldend werk. In de nacht van 8 oktober 1980 maakt hij zich van kant. Speculaties over zijn depressieve toestand, zijn turbulent privé-leven, zijn drankprobleem doen de ronde. Zijn galerist Adriaan Raemdonck kiest de nobelste uitleg : Cox' panische angst voor het heroplevend fascisme. VISIOENEN.In zijn tweede bijdrage voor het Cox-boek glijdt Philippe Pirotte uit over slecht gedefinieerde termen als ?modernisme? en ?postmodernisme?, en slaagt erin om zowat alle tendensen, richtingen of groepen waar Cox van ver of dichtbij mee te maken had (Cobra, lyrische abstractie, colourfield painting, Jeune Peinture Belge) in globalizerend negatieve clichés af te zetten tegen de eclectische visie van Jan Cox. Een pleidooi houden voor een internationaal onderschat kunstenaar is één zaak, hem impliciet boven zijn schilderende tijdgenoten verheffen door hen in gemeenplaatsen onschadelijk te maken, iets heel anders. Claire Vandamme van de Gentse Rijksuniversiteit verkoos de meer arbeidsintensieve, minutieuze analyse van de geschriften en schetsboeken. Gaandeweg plooit zij al de facetjes van Cox' veelzijdige kunstenaarschap mooi open : de klassieke opvatting over de artistieke creatie, de holistische visie, de visionaire dimensie, de muzikaliteit, de mythologische grondideeën, de tekensymboliek, de kalligrafie, het etnische element, de magie... Een fijne pen stelde haar bovendien in staat, haar indringende benadering helder en leesbaar te houden. Een betere coördinatie vanwege de uitgever had zeker kunnen vermijden dat Pirotte in zijn derde bijdrage goeddeels in dezelfde vijver als Vandamme (uitvoerige citaten inbegrepen) vist, zonder haar solide aanpak evenwel. Professor Robert Brown rakelt herinneringen op aan Cox' Amerikaanse periode, en gaat in op de multidisciplinaire, veeleisende methode van Cox als lesgever aan de Museum of Fine Arts School in Boston, 1956. ( ?Hij besliste de studenten bloot te stellen 'aan absoluut alles wat ik kon bedenken'(...) ?waarbij hij een reeks problemen bedacht 'alleen maar om hen steeds weer opnieuw iets onbekends te geven waardoor ze elke keer een nieuwe start te maken hadden' In sommige gevallen waren de resultaten slecht of debiel, maar in andere 'absoluut verbijsterend' en spontaan.?). Filosoof Karel Boullart ten slotte houdt het ?cultuurstichtende? aspect van Jan Cox' mythologisch en religieus geïnspireerde visioenen tegen het licht. Daarbij komt de ?grootsheid van het tragische falen van de mens en zijn cultuur? sterk naar voren. Een gebalder omschrijving van de betekenis van Cox' leven en werken is misschien moeilijk denkbaar. Jan Braet Jan Cox Grafiek, Stedelijk Prentenkabinet, Vrijdagmarkt 22 Antwerpen. Tot 19.1.97, open : 10-16.45. Gesloten op maandag en op 1 en 2 nov. 25 en 26 dec., en 1 en 2 jan.Jan Cox monografie, uitg. Gemeentekrediet en Snoeck-Ducaju & Zoon, 190 blz., 1250 fr. Jan Cox, De onderduikers van de Van Dijckkaai, Antwerpen 1942, olieverf op papier gemaroufleerd op doek, 115 x 175 : revolver en diamanten.