Veel zal de jonge Britse schrijver Giles Foden (1967) wel niet verzonnen hebben bij het schrijven van de roman "De laatste koning van Schotland", een portret van Idi Amin en van het Oeganda waarin de Afrikaanse dictator in de jaren zeventig de plak zwaaide. Wat er aan fictie bijkwam, diende alleen als bindmiddel om de werkelijkheid te "verdichten". Voor deze roman steunde Foden, die op vijfjarige leeftijd met zijn ouders naar Afrika emigreerde, op eigen ervaringen en op allerlei documentatie en getuigenissen.
...

Veel zal de jonge Britse schrijver Giles Foden (1967) wel niet verzonnen hebben bij het schrijven van de roman "De laatste koning van Schotland", een portret van Idi Amin en van het Oeganda waarin de Afrikaanse dictator in de jaren zeventig de plak zwaaide. Wat er aan fictie bijkwam, diende alleen als bindmiddel om de werkelijkheid te "verdichten". Voor deze roman steunde Foden, die op vijfjarige leeftijd met zijn ouders naar Afrika emigreerde, op eigen ervaringen en op allerlei documentatie en getuigenissen. Foden presenteert Oeganda en het Afrikaanse continent op een manier die sfeer combineert met didactiek. Hij zet het allemaal zo handig in elkaar dat de korte uiteenzettingen over tropische ziekten of Afrikaanse talen niet alleen niét overbodig, maar zelfs onontbeerlijk toelijken. Zo leert de Schotse dokter Nicholas Garrigan van een Oegandese vriend dat de lokale bevolking bij de komst van de blanken naar Oeganda een rivier herdoopten tot "Semuliki", wat in het Luganda "rivier zonder vissen betekent". Daarmee hoopten ze de kolonisatoren van de gedachte af te brengen om erin te gaan vissen. Maar dit is maar klein bier in vergelijking met de manier waarop Idi Amin Schotland op Oeganda projecteert. Naarmate in de loop van de roman Amins betrekkelijk goede relaties met Londen verzuren, gaat de Oegandese tiran de Schotten steeds meer uitspelen tegen de Engelsen. Op een bepaald ogenblik stuurt hij de Britse koningin een boodschap waarin hij waarschuwt voor een Schotse opstand tegen de Engelsen: "Veel Schotse mensen beschouwen mij reeds als de laatste koning der Schotten. Het is mijn taak de Britse regering te vragen haar onderdrukking van Schotland te beëindigen. Als de Schotten mij als hun koning willen, zal ik die wens eerbiedigen."DIERLIJKE AANTREKKINGSKRACHTWaar er moet worden gezorgd voor de veiligheid, het vermaak of de gezondheid van de president, wordt aan Schotten gedacht. Amins lijfwacht is een Schot, de chef van het grote Mulago-ziekenhuis in Kampala ook. En dan is er nog Nicholas Garrigan, Amins Schotse lijfarts, die op een koud eiland in de Noordzee zijn herinneringen aan zijn achtjarig verblijf in Oeganda opschrijft. Amin ziet alle Schotten als moedige vechtersbazen. Maar dat geldt nu net niet voor de jonge dokter Garrigan, die zich liet fascineren door de "rauwe, dierlijke aantrekkingskracht" van de tiran. Later betreurt hij het dat hij de adviezen van de Britse diplomaten in Kampala niet heeft gevolgd. Zij hadden hem aangeraden om de onberekenbare dictator met drugs te versuffen en zelfs te vermoorden. Om humanitaire redenen vanzelfsprekend, met foto's van slachtpartijen en folteringen waaraan Idi Amin zelf deelneemt als overtuigingsstukken. Maar natuurlijk ging het de diplomatie vooral om de Staatsraison. Amin, die ze eerst had gesteund in zijn coup tegen de met het communisme sympathiserende president Milton Obote, verwordt in haar ogen tot een terrorist die de stabiliteit van het Verenigd Koninkrijk in het gedrang brengt. Maar dokter Garrigan is te bang om op de diplomatieke wensen in te gaan. Foden deed het omgekeerde: hij wekte Idi Amin op papier tot leven, tot een twee meter lange zwetser die niet ophoudt zijn omgeving te terroriseren met onsamenhangende praatjes. Zelfs in zijn zwembroek kan Amin het oreren niet laten en raaskalt hij over wat God met de slechte heerser zal uitrichten: "Want dit is de waarheden (sic). Hij gaat treden omhoog en het is veel te goed. Zijn buik is dik en hij leegt vaak zijn ingewanden. Maar er zit een touw om zijn nek en als hij op de hoogste trede komt, trekt God. Hij trekt deze kerel het vuur in aan het eind van dat touw! Want hij heeft nu al zijn werk voor hem gedaan. De wil van God gaat recht op hem af om hem te pakken. En als hij hem pakt, is het een voor een. Speciale bestelling twee kanten op." STEUN AAN LOKALE GEKKENDe lezer weet niet of hij moet lachen of huilen, maar zeker is dat op de duur ook zijn maag omkeert. Als Amins ondergang bijna bezegeld is en de Tanzaniaanse troepen Kampala al veroverd hebben, staat hij in een ondergrondse folterkelder nog te preken tegen het afgehakte hoofd van de aartsbisschop dat op een schaal is gekleefd: "De grote halsaders en zenuwbundels waren duidelijk zichtbaar, hingen in glimmende slierten over de rand. In het haar fonkelden ijsschilfers. Bij de tafel stond een stoel. Op de stoel zat Idi Amin." Fodens boek brengt ook een stuk Oegandese en Afrikaanse geschiedenis weer tot leven: hoe Afrika in de jaren zeventig de speelbal is van de rivaliserende grootmachten, hoe de internationale betrekkingen gekenmerkt worden door de cynismen van de Koude Oorlog, hoe hele volkeren vermalen worden tussen de op elkaar botsende invloedssferen, hoe lokale gekken en machtswellustelingen door de internationale diplomatie met alle egards worden behandeld zolang zij maar beantwoorden aan de verwachtingen van hun beschermheren in Oost en West. Maar Foden is ook iemand die schitterend kan schrijven. "De laatste koning van Schotland" opent met de beschrijving van het banket waarop Idi Amin de diplomaten elk jaar opnieuw de stuipen op het lijf jaagt. De toon is meteen gezet in het tafereel waarin de Amerikaan Nathan Theseus zijn portie geroosterde antilope verorbert. Het is de aankondiging van een onheilsgeschiedenis die druipt van het bloed: "Hij sneed er zo'n groot stuk af dat het donkerrode vlees zijn hele mond besloeg toen hij het naar binnen werkte. In een flits leek het alsof iemand hem een bloederige prop in de mond had gestopt. Of dat hij een nieuw stel lippen had gekregen. Een tweede mond." Giles Foden, "De laatste koning van Schotland", Bert Bakker, Amsterdam, 349 blz., 795 fr.Piet de Moor