'In februari verschijnt een verzameling van de poëzie die ik tussen 1975 en 2005 heb geschreven; ik ben nu 54 en heb dat totnogtoe altijd afgehouden. Maar de uitgever trok me over de streep. Bij dichters als Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens of Hugo Claus zag het publiek dankzij zo'n overzicht dat hun verspreide bundels samen een project vormden. Daar valt wat voor te zeggen, vind ik nu. Tot mijn eigen verbazing bleek het om ruim 700 pagina's te gaan. Een dergel...

'In februari verschijnt een verzameling van de poëzie die ik tussen 1975 en 2005 heb geschreven; ik ben nu 54 en heb dat totnogtoe altijd afgehouden. Maar de uitgever trok me over de streep. Bij dichters als Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens of Hugo Claus zag het publiek dankzij zo'n overzicht dat hun verspreide bundels samen een project vormden. Daar valt wat voor te zeggen, vind ik nu. Tot mijn eigen verbazing bleek het om ruim 700 pagina's te gaan. Een dergelijke uitgave is steeds minder een teken van fin de carrière en steeds meer een stand van zaken: "Hier staan we nu." Het hoeft niet langer een grafsteen te zijn waaronder je mag gaan slapen. Sommigen vinden het een daad van ijdelheid. Maar als je 30 jaar aan 700 pagina's her en der gepubliceerde gedichten hebt zitten werken, is het voor de lezer ook handig alles een keer samen te zien. Ik ben pas gedebuteerd toen ik 30 was, mede omdat ik na mijn filologische studie meteen een baan als leraar in een probleemschooltje had aangenomen. In die tijd was er minder prestatiedwang, wat de faalangst voor jonge schrijvers draaglijker maakte. Tegenwoordig is de druk enorm om toe te geven aan de heersende tendensen, en zéker geen tendens te volgen die als not done wordt beschouwd. Terwijl literatuur toch dwars hoort te zijn. Die druk raakt me minder, omdat ik als docent aan de Hogeschool Gent financieel onafhankelijk ben. In de dertig jaar dat ik in het onderwijs sta, heb ik vaak halftijds gewerkt. Door armer te worden, koop je vrije tijd om te kunnen schrijven. Onder meer om die reden werken steeds meer schrijvers tegenwoordig voor het theater. Een auteur krijgt voor een boek van 20 euro ongeveer 2 euro royalty's, waarop hij nog tot 55 % kan worden belast. Dan hou je per boek 80 cent over; daar kun je dus niet van leven. Theater betaalt iets beter. Je kunt een vergoeding onderhandelen die je toelaat om vier maanden lang één dag per week minder te werken om je tekst te schrijven. Stoppen met schrijven kun je niet, maar op een bepaald moment is het publiek sommige schrijvers blijkbaar moe. Vergeet niet dat er nog een generatie leeft waar we niets meer van horen - Jos Vandeloo, Ward Ruyslinck, Hubert Lampo - maar waarvan ik vermoed dat ze nog schrijft. Wat kun je ook anders als je alle dagen zes uur alleen zit te denken? Dat geef je niet op. Zelfs wanneer je uitgever je zegt dat het niet meer hoeft.'