Er was eens een president die ervan overtuigd was dat alles wat zijn voorganger gedaan had stompzinnig, corrupt, onbezonnen en slap was. En dus draaide hij elke maatregel en beslissing terug. Wit werd zwart, voorzichtigheid werd agressiviteit, sparen werd uitgeven. Zijn aanhangers waren opgetogen en applaudisseerden bij elke gedurfde maatregel.
...

Er was eens een president die ervan overtuigd was dat alles wat zijn voorganger gedaan had stompzinnig, corrupt, onbezonnen en slap was. En dus draaide hij elke maatregel en beslissing terug. Wit werd zwart, voorzichtigheid werd agressiviteit, sparen werd uitgeven. Zijn aanhangers waren opgetogen en applaudisseerden bij elke gedurfde maatregel. Die president heette George Walker Bush. Nadat hij acht jaar lang alles wat ook maar van ver aan zijn voorganger Bill Clinton deed herinneren, had afgeschaft en omgedraaid, bleek zijn land een puinhoop. Ook de burgers wisten dat. Nooit tevoren eindigde een president zijn ambtsperiode met zo'n lage en steeds maar afkalvende populariteit. Een week voor de presidentsverkiezingen vond maar een kwart van de Amerikanen dat hij het goed deed. Het gevolg is dat de nieuwe president opnieuw belooft de politiek van zijn voorganger volledig te veranderen. Maar moet dat? En vooral: kan dat? In de buitenlandse politiek moet de Amerikaanse houding tegenover de rest van de wereld veranderen. Dat is zeker en dat moet snel. Want de basis ervan - een wereldwijde war on terror - was slecht doordacht en nog slechter uitgevoerd en heeft gevolgen die nog jaren, of zelfs decennia, zullen meegaan. Maar. De regeringsploeg die voor die keuze door iedereen - ook door de Republikeinen - met kritiek overladen werd, bestaat niet meer. De politiek waartegen zo heftig werd betoogd, is veranderd. De grootste fouten maakte Bush tussen 2001 en 2005, de eerste vier jaar van zijn presidentschap. Die fouten zijn bekend: de invasie van Irak, Bush' verzet tegen internationale verdragen, de diplomatieke blunders, het onnodig schofferen van bondgenoten en het opzeggen van de samenwerking met andere landen. De laatste jaren zijn al die fouten in de buitenlandse politiek afgezwakt, verlaten of helemaal omgedraaid. De buitenlandse politiek die nu wordt gevoerd, is verstandiger geworden, gematigder ook. Die lijn zou in de toekomst beter worden gevolgd in plaats van ze (alweer) grondig te wijzigen. Want al bleef de retoriek dezelfde, de realiteit werd anders. Wat critici van Bush al helemaal de gordijnen injaagt, is dat alles geruisloos, bijna stiekem gebeurde. De gewijzigde buitenlandse politiek is niet het gevolg van een veranderd inzicht, maar van een erkend falen. Enkele voorbeelden. Bush koos Paul Wolfowitz als voorzitter van de Wereldbank. Wolfowitz was een harde neoconservatief die bijzonder weinig wist van economie. Nadat Wolfowitz had moeten aftreden, koos Bush toch voor kennis in plaats van ideologie en benoemde hij de ervaren en gerespecteerde Robert Zoellick in die functie. Vicepresident Dick Cheney was ooit de gevierde medicijnman van de regering, maar vandaag is de politiek in handen van pragmatici als buitenlandminister Condoleezza Rice, minister van Defensie Robert Gates, veiligheidsadviseur Stephen Hadley en minister van Financiën Hank Paulson. De regering-Bush voert vandaag een andere politiek dan ze belijdt. Niet op alle terreinen, en vaak te laat of te weinig, maar niemand kan ontkennen dat de belangrijkste buitenlandse kwesties anders worden aangepakt. Kijk maar naar Irak. Heel veel mensen - de meerderheid, als we de opiniepeilingen mogen geloven - stellen vandaag dat ten oorlog trekken tegen Irak een verkeerde beslissing was. Zelfs de voorstanders van die oorlog moeten erkennen dat de regering in 2003 en 2004 de blunders opstapelde. Washington stuurde te weinig soldaten, ontmantelde het Iraakse leger, ontsloeg de ambtenaren en privatiseerde de staatsbedrijven. Tienduizenden Irakezen werden gearresteerd en mishandeld. Vele werden gemarteld. Nog meer werden hard aangepakt simpelweg omdat vermoed werd dat ze gevaarlijk waren. De gevolgen? Chaos. Woedende, verarmde en bewapende soennieten. Boze en opstandige sjiieten. Geweld en oproer. Oproepen tot terreur en jihad. Wijdverbreid sektarisch geweld. Daarenboven destabiliseerden de buitenlandse milities het land nog meer, omdat de invasie en de bezetting er kwamen zonder dat de Arabische landen om steun gevraagd werd of de internationale gemeenschap om advies. O ja, de invasie verjoeg het regime van Saddam Hoessein maar veroorzaakte een internationale diplomatieke orkaan, die alleen in windkracht toenam. Jarenlang, zelfs toen een blinde kon zien dat de aanpak in Irak niet werkte, hield de regering vast aan haar strategie. Pas in 2005, toen niemand nog naast de fouten kon kijken, werden enkele tactische, kleine veranderingen aangebracht. Er werd gezocht naar meer representatieve sjiitische leiders dan de door Washington in de watten gelegde opposanten, de jacht op partijleden van Saddam werd teruggeschroefd en lidmaatschap van Saddams Baathpartij was niet langer een reden om in de gevangenis te belanden. Enkele Amerikanen waren er ondertussen zelf mee begonnen de zaak recht te trekken, tegen de orders van Washington in. Terwijl Bush nog elke Iraakse soenniet als terrorist bestempelde, onderhandelde de Amerikaanse ambassadeur in Irak, Zalmay Khalilzad, vanaf 2006 met de soennieten. Ook het leger leerde van zijn fouten en wilde spreken over een nieuwe aanpak. Maar pas toen de tussentijdse parlementsverkiezingen in 2006 voor de Republikeinen op een nederlaag uitdraaiden, werd defensieminister Donald Rumsfeld de laan uit gestuurd en veranderde de aanpak. Het duurde lang, té lang, maar de bocht die de regering uiteindelijk maakte in Irak, is indrukwekkend. Vandaag steunen de Verenig-de Staten soennieten en sjiieten in hun strijd tegen de milities. Ze verlieten het vrijemarktdenken en proberen de staatsbedrijven weer op te starten. Ze vragen zelfs aan de buurlanden om ambassades te openen in Bagdad en te helpen bij de heropbouw en daarmee de stabilisering van Irak. Veel heeft het allemaal nog niet uitgehaald. De hoogopgeleide Irakezen trokken massaal naar het buitenland en keren vooralsnog niet terug. Hele buurten worden nog steeds door milities geterroriseerd. Inefficiëntie en corruptie blijven alomtegenwoordig. Maar de Iraakse regering zelf spreekt voorzichtig over een terugtrekking van alle buitenlandse troepen tegen december 2011. Vergeleken met de kostprijs - Irak kost de Amerikaanse schatkist zo'n 300 miljoen dollar (238 miljoen euro) per dag - is het resultaat pover. Maar vergeleken met de ronduit desastreuze toestand in 2005 gaat het de goede kant op. Afghanistan is een nog beter voorbeeld. De kritiek dat Washington onterecht soldaten en geld weghaalde van Afghanistan om de oorlog in Irak te voeren, is correct. Maar dat is maar zo tot 2003. Ondertussen is de strategie ook in Afghanistan veranderd. Afghanistan is een bijzonder complex land, geen enkele regering slaagde er ooit in het hele land te controleren. De bergachtige streken zijn altijd stamgebied gebleven. Het analfabetisme en de werkloosheid zijn er ontstellend hoog. Pashtun-nationalisme en islamextremisme gaan er hand in hand. Defensieminister Robert Gates wil meer soldaten naar Afghanistan sturen en Washington begint eindelijk te investeren in het land. Maar het kan dat niet alleen aan. De Europese landen lagen en liggen dwars. Ze stuurden en sturen niet voldoende soldaten en op het terrein leggen ze hun soldaten vaak absurde beperkingen op. Misschien klopt het dat nog meer soldaten de zaken daar niet zullen oplossen, vooral omdat de taliban zijn basissen heeft in buurland Pakistan. Maar de opleiding van het Afghaanse leger kan wel helpen. En dat is wat nu gebeurt. Het kost - alweer - tien miljard dollar (7,6 miljard euro) per jaar. Maar het is de enige weg. Noord-Korea dan. Toen de eerste buitenlandminister onder Bush, Colin Powell, voorstelde om de toenaderingspolitiek van Bill Clinton voort te zetten, werd hij door Bush publiek gedesavoueerd. Sinds juli 2005 onderhandelen de VS met het regime van Kim Jong Il. Zelfs China zit nu mee aan tafel. Terecht overigens, China is het enige land dat ook maar enige invloed heeft op Noord-Korea. In 2001 noemde Bush Noord-Korea - samen met Iran en Irak - nog een deel van de 'As van het Kwaad'. Vandaag biedt hij het land economische hulp. Iran, idem dito. Ondanks de forse en vooral voor de achterban bestemde uitspraken - 'We beginnen een oorlog' - zijn de onderhandelingen aan de gang. Tegen de zin van de neoconservatieven, maar Washington zit samen met de Europese landen aan de onderhandelingstafel. Ook hier weinig vooruitgang. Maar elk plan botst op Iraanse belangen, twijfels en argwaan. Voor het Midden-Oosten geldt dezelfde evolutie. Bush begon zijn presidentschap met de dure eed dat hij zich niet zou verliezen in vredesgesprekken tussen Israëli's en Palestijnen. Had Clinton niet voldoende bewezen dat dat een verkeerde aanpak was? Daarom bleef de Amerikaanse regering ver weg van het conflict, liet ze zo toe dat het nog erger werd en dat de haat tegen alles wat Amerikaans is in de regio nog groter werd. Omdat Washington liet begaan, was de weg voor alle partijen vrij om de meest onverantwoordelijke stappen een kans te geven en gevaarlijke avonturen stilzwijgend aan te moedigen. Een hoogtepunt werd bereikt toen Israël Libanon aanviel. Een onvergeeflijke en gevaarlijke aanval die Israël verzwakte, Libanon verwoestte en de Hezbollah vleugels gaf. Dat ook de Israëlische buitenlandminister Tzipi Livni er niet in slaagde een nieuwe regering te vormen, is bijzonder slecht nieuws. Vooral omdat Washington dit jaar dan toch eindelijk ingreep. Tijdens een internationale conferentie in Annapolis (Maryland, VS) aanvaardden Israëli's en Palestijnen voor het eerst dat het resultaat uiteindelijk de creatie van een echte Palestijnse staat moet zijn. Sindsdien pendelt Rice op en neer in de regio. Echte resultaten zijn er nog niet, daarvoor kwam de ommezwaai zeven jaar te laat, en ook hier is het misschien niet de juiste oplossing (kent iemand die eigenlijk?), maar slechts weinige waarnemers zeggen dat Washington op de verkeerde weg is. De kritiek komt, interessant genoeg, van misnoegde conservatieve hardliners. Bijvoorbeeld van John Bolton, een superhavik die door Bush ooit tot VN-ambassadeur werd benoemd. Bolton beschrijft de nieuwe politiek inzake Noord-Korea als capitulatie à la Jimmy Carter en Bill Clinton. De nieuwe Israëlpolitiek noemt hij verraad en de onderhandelingen met Teheran een rode loper voor de Democraten. Er zijn meer politieke veranderingen, die minder kritiek kregen. In de beginjaren leek de regering-Bush overtuigd van het conservatieve archetype dat arme landen niet geholpen moeten worden. Vooral niet als die hun geld toch maar uitgeven aan de verzorging van aidspatiënten. In 2001 en 2002 gaf de regering minder dan 1 miljard dollar (760 miljoen euro) uit aan alle hiv-projecten wereldwijd. In het voorbije jaar is dat bedrag opgelopen tot zes miljard dollar (4,6 miljard euro), geld dat vooral naar Afrika gaat. Het naar Bush genoemde noodplan Pepfar ( President's Emergency Plan for Aids Relief) kreeg de steun van alle politieke partijen. Het is een succesverhaal, hoewel de voorwaarde dat een deel van het geld gebruikt moet worden om seksuele onthouding te propageren, het minder efficiënt maakt. Maar toch: dat Bush overal ter wereld investeerde in ziektepreventie en hulp bracht figuren als Bono en Bob Geldof ertoe hem te prijzen. De immer kritische The New York Times schreef zelfs dat 'Bush meer deed voor Afrika dan Bill Clinton'. Politiek gesproken is Afrika geen onverdeeld Amerikaans succes. Bush spendeerde tijd en geld aan een oplossing voor de burgeroorlog in Sudan. Hij stuurde zelfs een presidentiële afgevaardigde naar de vredesonderhandelingen tussen Noord- en Zuid-Sudan. Dat er ook hier weinig echte resultaten werden geboekt, kan niet alleen de Amerikaanse regering worden verweten. Algemeen geldt in Afrika dat de regering-Bush te sterk gefocust was op alles wat naar terrorisme rook. Elk regime - van Ethiopïe tot Centraal-Afrika - dat beweerde tegen Al-Qaeda te vechten, kreeg geld en wapens. Alsof het zich niets meer herinnerde van de trieste lessen uit de Koude Oorlog, koos Washington de kant van dictators en regimes die zich de newspeak over de war on terror eigen hadden gemaakt. De obsessie met wereldwijd terrorisme veroorzaakte een andere blinde vlek. Terwijl de regering geld en tijd stak in haar speurtocht naar terroristen, verwaarloosde ze een nieuw element van de zogenaamde 'Nieuwe Wereldorde'. Er was geen tijd en geen aandacht voor de nieuwe politieke en economische zwaargewichten: China, India, Brazilië en Rusland. En al evenmin voor tijgers als Zuid-Afrika, Nigeria, Mexico en Kazachstan. Soms, bijvoorbeeld tegenover Rusland, volgde de regering een zigzagkoers die iedereen in de war bracht. Op andere terreinen was de aanpak gevaarlijker. Daarvan is China het beste voorbeeld. De bilaterale relaties tussen de Volksrepubliek en de Verenigde Staten worden de belangrijkste van de 21e eeuw. Bush startte slecht. Nog gedurende de presidentiële campagne maakte hij brandhout van de door Clinton gevoerde politiek tegenover China. 'De zittende president heeft de verhouding met China een strategisch partnerschap genoemd', stelde Bush. 'Ik zie dat land eerder als een concurrent.' In de eerste maanden van zijn bewind leek Bush regelrecht op een openlijke confrontatie met Peking af te stevenen. Onder luid applaus van veel neoconservatieven. Maar dan, in april 2001, Bush was net vier maanden president, schoot het toeval te hulp. Een Amerikaans spionagevliegtuig moest een noodlanding maken na een botsing met een Chinees gevechtsvliegtuig. Om het vliegtuig en de bemanning terug te krijgen, kon Washington niet anders dan met China onderhandelen. Terwijl de neoconservatieve haviken tandenknarsend toekeken, moest Bush officieel zijn excuses aanbieden voor het incident en de dood van de Chinese piloot. Maar dat veranderde wel de Amerikaanse politiek tegenover China. Partnership was ineens geen taboewoord meer. Als China echt zal meespelen op het politieke toneel, kan dat de wereldvrede alleen maar bevorderen. Bush houdt dan wel vast aan zijn retoriek, zijn missie is de democratie te bevorderen in elk land ter wereld, in zijn relatie met de Chinese regering is hij in de eerste plaats pragmatisch. In de belangrijkste kwestie, namelijk de verhouding tussen Taiwan en de Volksrepubliek, koos hij de kant van Peking. Hij deed dat op een veel directere manier dan welke Amerikaanse president ooit. Hij verklaarde heel duidelijk aan de Taiwanese president Chen Shui-Ban dat Taiwan elke Amerikaanse steun zou verliezen als het ook maar één initiatief tot onafhankelijkheid zou nemen. Ook bij de Olympische Spelen in Peking maakte hij zijn steun aan China duidelijk. In tegenstelling tot veel Europese staatshoofden was Bush aanwezig op de openingsceremonie. Dat levert Washington alleen maar goodwill op bij de Chinese regering en het Chinese volk. Natuurlijk weet de regering ook dat de opkomst van China het delicate strategische evenwicht in Azië verstoort. Washington haalde daarom de banden met Japan aan en zette een strategische relatie op met India. Vooral met dat laatste land kon Bush scoren. Ten tijde van Clinton was de verstandhouding met India goed, ondanks de vele reserves over het nucleaire programma. Clinton weigerde India als atoommacht te erkennen, terwijl India zijn raketten levensnoodzakelijk acht. Bush daarentegen accepteerde India als een kernmacht die kan en zelfs moet toetreden tot het non-proliferatieverdrag. India en de Verenigde Staten werken nu op verschillende terreinen samen. Dat is goed nieuws, hoe de machtsverhoudingen in Azië ook evolueren. Als de VS zich te weinig inlieten met deze opkomende landen, dan deed de rest van de wereld dat nog veel minder. De regering-Bush wil China, India en Brazilië meer gewicht geven in internationale instellingen als de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de G8 en andere internationale vergaderingen. Niet alleen als erkenning, maar ook om die landen mee verantwoordelijk te maken voor de wereldeconomie. Met de internationale kredietcrisis, die in grote mate door de VS werd veroorzaakt, wint een dergelijk initiatief aan belang. Europa ligt echter volkomen dwars. De Europese landen weten maar al te goed dat een herverdeling van de stemmen - bijvoorbeeld op basis van het bbp - hun invloed en macht zal verminderen. Als de VN-Veiligheidsraad nu pas opgericht zou worden, zouden de Europese landen dan nog wel veertig procent van het vetorecht toegewezen krijgen? Moeten we dan aannemen dat Bush toch enkele dingen goed deed? De kiezers zijn daar allerminst van overtuigd. En het klopt dat Bush in zijn eerste vier jaar de ene fout na de andere maakte en dat de gevolgen daarvan in de hele wereld voelbaar zijn. Door die eerste jaren hebben de VS nu het imago van de egoïstische boeman, niet dat van de leider van de democratie. De moslimwereld ziet Washington als haar vijand. In eigen land groeide de zogenaamde homeland security, een duur en contraproductief apparaat dat visa weigert en mensen arresteert. De erfenis van Bush is zwaar, loodzwaar. Incompetentie en arrogantie hebben Irak en Libanon vernield en voor decennia gedestabiliseerd. Het toelaten van marteling en andere onwettige ondervragingsmethodes heeft het blazoen van een democratisch Amerika zwaar geschonden, zonder dat het overigens iets heeft opgeleverd. Op binnenlands gebied is het rapport nog slechter. Bush was financieel de minst verantwoordelijke president ooit. Hij verlaagde belastingen, vooral voor de superrijken, liet toe dat vriendjespolitiek bij de heropbouw van Irak het land miljarden kostte en schiep het kader voor de graaipolitiek die het land en de wereld in een recessie stortte. Bush begon met een begrotingsoverschot van 2,5 procent van het bbp en eindigde met een tekort van drie procent of 4000 miljard dollar (meer dan 3000 miljard euro). Dat is het grootste deficit sinds 1986 en de voodoo-economie van Ronald Reagan. Met de huidige internationale economische en financiële crisis voorspellen experts dat het tekort in het komende jaar zelfs kan oplopen tot zeven procent van het bbp. Met een buitenlandse schuld van 38 procent van het bbp is dat geen fraai toekomstbeeld. De grootste economische uitdaging, het milieu, werd op een rampzalige manier verknoeid. Tegen alle wetenschappelijke bewijzen in bleef Bush koppig de argumenten van de industriële lobbyisten herhalen. Nee, op het eerste gezicht is Bush een ramp geweest. En toch. Bush trad aan met de vaste wil om de hele Clintonerfenis weg te vagen. Dat is de basis van de ramp die hij creëerde. Want zo werkt politiek niet, toch niet in de echte wereld. Hopelijk wordt in de volgende jaren een groot deel van de Busherfenis opgeruimd, maar blijft wat werkte overeind. De Verenigde Staten en de rest van de wereld kunnen er maar wel bij varen. © NEWSWEEK/VERTALING EN BEWERKING MISJOE VERLEYENDOOR fareed zakaria