Wetenschappers classificeren om te kennen en te communiceren; voor muziekamateurs en -theoretici is het een parallelsysteem om vriend en vijand, 'goede' en 'slechte' kunstenaars te onderscheiden. Het valt te vermoeden dat wagnerianen en brahmsianen destijds beter de naam van elkaars strekking kenden dan dat ze wisten wat er precies zo fout aan was. Het meest vermaard in de twintigste eeuw is de breuklijn tussen modernisme en postmodernism...

Wetenschappers classificeren om te kennen en te communiceren; voor muziekamateurs en -theoretici is het een parallelsysteem om vriend en vijand, 'goede' en 'slechte' kunstenaars te onderscheiden. Het valt te vermoeden dat wagnerianen en brahmsianen destijds beter de naam van elkaars strekking kenden dan dat ze wisten wat er precies zo fout aan was. Het meest vermaard in de twintigste eeuw is de breuklijn tussen modernisme en postmodernisme (pomo). Misschien heeft pomo ooit, een week lang, iets duidelijks betekend. Vandaag wordt het gebruikt voor wat moeilijk te plaatsen of rabiate onzin is. De Russisch-Duitse, Joodse componist Alfred Schnittke (1934-1998) was misschien wel de reden voor het uitvinden van de term pomo. Hij was een veelschrijver en zijn werken verschillen danig van kwaliteit, maar fundamenteel is dat hij zich ten overstaan van de traditie én het in zijn jeugd oppermachtige serialisme echt vrij voelde. Dat wil zeggen: hij verbrandde ze niet, ze vormden hem. Van de traditie maakte hij dankbaar gebruik, nu eens met heel zijn hart, dan weer mild spottend. Die milde spot is geen hoon of sarcasme; de voortreffelijke violiste Tatjana Grindenko, die hem goed heeft gekend, noemde Schnittke 'een stille hystericus'. Welbeschouwd de meest treffende omschrijving. Mooie illustraties krijgen we daarvan op een opname op het label Fuga Libera, waarop de vroege en de rijpe Schnittke elkaar ontmoeten. De Variaties op één akkoord, opus 39 en Improvisatie en Fuga, opus 38 waren proefstukken (respectievelijk voor het eindexamen van zijn latere vrouw Irina en voor de Tsjaikovskiwedstrijd van 1966). Het Concerto voor piano en strijkers uit 1979 is van de volleerde én meest geïnspireerde Schnittke. Diep-Russisch, met een schitterende Victoria Ljubitskaya en het Russian State Academy Orchestra onder Mark Gorenstein. Echo's van Beethovens Mondscheinsonate en Tsjaikovski's strijkersserenade doemen vaag maar onmiskenbaar op. Eenzame Albertijnse basjes, geïsoleerd en dus ontdaan van hun oorspronkelijke ondersteunende functie, aandoenlijk in de spotlights. Maar evengoed grote muziek. Beluister haar eens. Al was het maar omdat Schnittke dit jaar de hardst vergeten jarige is. Rudy Tanbuyser