Zijn ontzielde lichaam werd gedumpt in een moeras. Of nee: zijn hoofd werd van zijn romp gescheiden. Zijn lijk werd in een blok beton gegoten en begraven in de buurt van de luchthaven van Orly, waar later een moskee werd gebouwd. En zijn hoofd werd per diplomatieke post naar koning Hassan II gestuurd. Of nee: zijn stoffelijk overschot werd in zijn geheel naar Marokko overgevlogen, waar het in een kuip met zuur werd opgelost. Zesendertig jaar nadat hij op klaarlichte dag in het hartje van Parijs ontvoerd werd, is er nog altijd geen spoor van Ben Barka. Geen misdaad zonder corpus delicti: officieel wordt Ben Barka nog altijd vermist. En nog altijd duiken nieuwe theorieën op over een complot dat de Franse Vijfde Republiek op zijn grondvesten deed daveren.
...

Zijn ontzielde lichaam werd gedumpt in een moeras. Of nee: zijn hoofd werd van zijn romp gescheiden. Zijn lijk werd in een blok beton gegoten en begraven in de buurt van de luchthaven van Orly, waar later een moskee werd gebouwd. En zijn hoofd werd per diplomatieke post naar koning Hassan II gestuurd. Of nee: zijn stoffelijk overschot werd in zijn geheel naar Marokko overgevlogen, waar het in een kuip met zuur werd opgelost. Zesendertig jaar nadat hij op klaarlichte dag in het hartje van Parijs ontvoerd werd, is er nog altijd geen spoor van Ben Barka. Geen misdaad zonder corpus delicti: officieel wordt Ben Barka nog altijd vermist. En nog altijd duiken nieuwe theorieën op over een complot dat de Franse Vijfde Republiek op zijn grondvesten deed daveren. Maar wie was Ben Barka? Mehdi Ben Barka (1920-1965) heeft als leraar wiskunde aan het college van Rabat kroonprins Hassan onder zijn leerlingen. Hij is actief in de Istiqlal, de Marokkaanse nationalistische beweging die ijvert voor volledige onafhankelijkheid (Marokko was van 1912 tot 1956 een Frans protectoraat). Na de onafhankelijkheid richt hij een linkse partij op, de UNFP ( Union Nationale des Forces Populaires). Zijn openlijke kritiek op het 'feodale regime' dat voor het Franse bestuur in de plaats is gekomen, maakt Ben Barka tot de bloedvijand van sultan Mohammed V en diens zoon, de latere koning Hassan II. In 1962 ontsnapt hij op het nippertje aan een moordaanslag. In 1963, bij het uitbreken van de grensoorlog tussen Marokko en Algerije, vlucht hij naar Algiers. Hij wordt door koning Hassan van hoogverraad beschuldigd en bij verstek ter dood veroordeeld. Met Ernesto 'Che' Guevara, die hij in Algiers heeft leren kennen, staat Ben Barka aan de wieg van de Tricontinentale, een samenwerkingsverband van bevrijdingsbewegingen uit Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Zijn internationaal prestige is groot: hij bemiddelt tussen de Egyptische president Gamal Abd el Nasser en het Ba'ath-regime in Syrië. Als een soort handelsreiziger van de wereldrevolutie pendelt hij tussen Rome, Algiers, Caïro en Genève - altijd reizend onder een valse identiteit, altijd vermomd, altijd beducht voor een aanslag. In 1965, na bloedige onlusten in Casablanca, kondigt de Marokkaanse koning een generaal pardon af voor alle opposanten. Ook Ben Barka krijgt gratie. 'Ik heb mijn oude leraar Algebra nodig,' zegt Hassan, 'want ik moet een moeilijke vergelijking oplossen.'AFSPRAAK IN BRASSERIE LIPPEen vergelijking met veel onbekenden, zo zal blijken. Hoe bestaat het dat een door de wol geverfde revolutionair als Ben Barka zich erin heeft laten luizen? Hoe kon hij met open ogen in de val lopen? Het moet ongeveer zo zijn gegaan. Op 29 oktober 1965 bevindt Ben Barka zich in Parijs. In Brasserie Lipp aan de drukke boulevard Saint-Germain heeft hij een lunchafspraak met de journalist Philippe Bernier, de cineast Georges Franju en ene Georges Figon. De drie willen hem overhalen om als adviseur mee te werken aan de film Basta! (naar de beroemde uitspraak van Fidel Castro: 'Yankees, de mensheid zegt u: Basta!') over Leven & Werken van derdewereldleiders als de Ghanees Kwame Nkrumah, de Malinees Modibo Keita en de Guinees Sékou Touré. Ben Barka vertrouwt het zaakje maar half: de man die de afspraak heeft gearrangeerd, Georges Figon, staat bekend als een voyou. Figon heeft er ruim tien jaar gevangenisstraf opzitten en frequenteert het milieu van de barbouzes - de zogenaamde 'baardmannen' die het vuile werk opknappen voor de gaullistische partij. Maar hij is ook een geziene figuur in het kunstenaarswereldje van Saint-Germain-des-Prés. Figon heeft Ben Barka een paar keer in Genève en Caïro opgezocht om over het filmproject te praten. Het feit dat de linkse romancière Marguerite Duras bereid is gevonden om het scenario voor Basta! te schrijven, trekt Ben Barka uiteindelijk over de streep. Hij heeft zijn voorzorgen genomen als hij zich naar zijn afspraak rept. Hij is vergezeld van een Marokkaanse student en vrijwel onherkenbaar met zijn Tiroler-hoedje, zijn leren jas en zijn dikke brillenglazen. Op de stoep voor Brasserie Lipp wordt Ben Barka door twee politieagenten in burger staande gehouden. Ze legitimeren zich en Ben Barka stapt gewillig in een zwarte Peugeot 403 - daarna verdwijnt hij in het niets. Van nu af wordt het gissen. Waarschijnlijk verkeert Ben Barka in de overtuiging dat hij zal worden uitgewezen. Of misschien is hem verteld dat hij meegenomen wordt voor een audiëntie bij generaal Charles de Gaulle op het Elysée. Hij heeft de Franse president immers al eerder ontmoet. Hoe dan ook: Ben Barka biedt geen weerstand. Aan het stuur van de Peugeot 403 zit Antoine Lopez, topman van Air France en tipgever van de Franse geheime dienst SDECE ( Service de documentation extérieure et de contre-espionnage). Het gaat richting Fontenay-le-Vicomte, zo'n vijftig kilometer van Parijs, waar de beruchte gangster Jo Boucheseiche een villa heeft. Boucheseiche - bordeelhouder van zijn vak, voormalig medewerker van de Gestapo - wacht er Ben Barka op in gezelschap van drie kompanen. Hij belt naar Rabat om te zeggen dat 'het postpakket' gearriveerd is. TE VEEL JAMES BONDNog geen vierentwintig uur later landt op de luchthaven van Orly een vliegtuig uit Rabat met twee Marokkanen aan boord, die 'het postpakket' in ontvangst komen nemen: generaal Mohammed Oufkir, de Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken, en zijn vleugeladjudant Ahmed Dlimi, de chef van de Marokkaanse geheime diensten. Oufkir en Dlimi worden door Lopez naar Fontenay-le-Vicomte gebracht. Daar moeten Ben Barka en Oufkir een gesprek hebben gehad dat op een flinke ruzie uitdraaide. Volgens verschillende getuigen zou de generaal buiten zinnen zijn geraakt en Ben Barka hoogstpersoonlijk de keel hebben afgesneden. Het duurt drie dagen voor de Franse autoriteiten gealarmeerd worden. De Marokkaanse student die getuige was van de ontvoering doet, curieus genoeg, geen aangifte bij de politie. Maar bij de krant France-Soir loopt een telefoontje binnen van Abdelkader Ben Barka, de broer van de ontvoerde politicus. Algauw gonst het in Parijs van de geruchten: dat het bezoek van Oufkir aan Parijs samenvalt met de verdwijning van Ben Barka kan geen toeval zijn. Premier Georges Pompidou wil koste wat het kost een diplomatieke rel met Marokko vermijden en doet alsof zijn neus bloedt. President De Gaulle moppert dat de journalisten te veel naar James-Bondfilms kijken. Op 3 november is Oufkir de eregast op een receptie op het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij het glas heft met zijn Franse collega Roger Frey (een persoonlijke vriend) en de Parijse politieprefect Maurice Papon. Op 4 november mag hij ongestoord naar Marokko terugvliegen. En pas op 5 november start het onderzoek van de Franse justitie. De eerste die wordt opgepakt, is Antoine Lopez. Hij houdt vol dat hij te goeder trouw heeft gehandeld: hij verkeerde in de overtuiging dat Ben Barka geen haar zou worden gekrenkt. Dat is ook het verhaal van de twee politieagenten die Lopez terzijde stonden. De vier gangsters die bij de ontvoering betrokken waren hebben inmiddels een veilig heenkomen gevonden in Marokko, en de autoriteiten in Rabat weigeren in te gaan op een uitleveringsverzoek van de Franse onderzoeksrechter. Eén kroongetuige kan de politie maar niet vinden: Georges Figon, de man die Ben Barka naar Brasserie Lipp heeft gelokt. Dat is merkwaardig, want journalisten hebben daar minder moeite mee. Minute en Paris-Match melden dat Figon gesignaleerd is in een nachtclub op Pigalle en op een concert van Sacha Distel in de Olympia. Er verschijnen fotoreportages van Figon, flanerend langs de Seine. In interviews steekt hij de draak met de speurders die hem op de hielen zitten. Op 10 januari 1966 publiceert het weekblad L'Express de 'biecht' van Georges Figon onder de kop: ' J'ai vu tuer Ben Barka'. Een week later krijgt de Parijse politie een anonieme tip over de verblijfplaats van Figon. Het pand wordt omsingeld, maar nog voor hij op zijn onderduikadres gearresteerd kan worden, zet Figon een revolver tegen zijn slaap en haalt hij de trekker over. Zelfmoord 'zonder hulp van buitenaf'. Zo komt het althans in het rapport van de onderzoeksrechter te staan. DE LAATSTE GETUIGENFigon is de eerste babbelzieke getuige die voor eeuwig het zwijgen wordt opgelegd - maar niet de laatste. Het verhaal dat hij aan L'Express heeft opgedist, hangt met touwtjes en spuug aan elkaar, maar de Franse justitie wil zijn versie van de feiten maar al te graag geloven. Volgens Figon heeft Oufkir immers op eigen houtje gehandeld, zonder medeweten van de Marokkaanse koning, en zijn verhaal maakt geen melding van een mogelijke betrokkenheid van westerse geheime diensten. Dus kan het onderzoek worden afgesloten. Op 5 juni 1967 veroordeelt een assisenhof de Marokkaanse generaal Oufkir en de vier Franse gangsters die bij de ontvoering geholpen hebben bij verstek tot levenslange opsluiting. Dlimi, die zich vrijwillig bij de Franse autoriteiten gemeld heeft 'om de eer van Marokko te verdedigen', wordt vrijgesproken - en vervolgens door koning Hassan tot kolonel bevorderd. De vier Franse gangsters hebben in Marokko een luizenleven: aan de Atlantische kust exploiteren ze bordelen voor rekening van de Marokkaanse geheime dienst. Maar in 1971 worden drie van hen opgepakt en vermoord, de vierde zal in 1976 sterven 'aan een hartaanval'. Generaal Oufkir wordt, na een mislukte putsch tegen Hassan (straaljagers van de Marokkaanse luchtmacht nemen het koninklijke vliegtuig onder vuur), in augustus 1972 in het koninklijk paleis van Skirat door zijn voormalige adjudant Dlimi eigenhandig geliquideerd, in aanwezigheid van Hassan. Officiële versie: 'zelfmoord'. Dlimi zelf zal later op mysterieuze wijze bij een auto-ongeval om het leven komen. Als Bachir Ben Barka op 29 oktober 1975, tien jaar na de ontvoering van zijn vader en vlak voor het verstrijken van de verjaringstermijn, de Franse justitie vraagt een nieuw onderzoek te openen naar de affaire-Ben Barka, zijn de meeste hoofdrolspelers dood. En het deksel zit stevig op de beerput.STAATSGEHEIMEr kan weinig twijfel over bestaan dat de ontvoering van Ben Barka vanuit Rabat is georchestreerd. Maar de operatie had nooit kunnen lukken als de Marokkaanse geheime diensten daarbij niet een handje geholpen waren door hun Franse, Amerikaanse en Israëlische collega's. Was de Franse president Charles de Gaulle op de hoogte? Dat is weinig waarschijnlijk. De internationale politiek van De Gaulle was erop gericht Frankrijk los te weken uit de Amerikaanse invloedssfeer en toenadering te zoeken tot de beweging van niet-gebonden landen, waarvan Mehdi Ben Barka een van de meest eminente vertegenwoordigers was - daarom ook had de president Ben Barka op het Elysée ontvangen. Bovendien stonden er in november 1965 in Frankrijk presidentsverkiezingen voor de deur en het schandaal rond de verdwijning van Ben Barka kwam voor De Gaulle buitengewoon ongelegen. Om die reden probeerde hij de hele affaire dan ook zoveel mogelijk te bagatelliseren. Maar De Gaulle had natuurlijk ook vijanden, zelfs binnen zijn eigen partij. Zowel in het politieapparaat als bij de inlichtingendiensten was een lobby actief, die de dekolonisatiepolitiek van De Gaulle op alle mogelijke manieren probeerde te dwarsbomen. En dan waren er nog de knokploegen van de SAC ( Service d'Action Civique), een aan de gaullistische partij gelieerde paramilitaire organisatie, die zo hun eigen agenda hadden. Een van de topmensen van de SAC was de gaullistische volksvertegenwoordiger Pierre Lemarchand, die ook de advocaat was van een van de hoofdrolspelers in de ontvoering van Ben Barka, Georges Figon. Na de 'zelfmoord' van Figon werd op diens appartement een handgeschreven vragenlijstje aangetroffen, bestemd voor het 'verhoor' van Ben Barka. Het handschrift was onmiskenbaar dat van Lemarchand, bleek uit grafologisch onderzoek. Maar tegen Lemarchand is nooit vervolging ingesteld. Als de Franse geheime diensten al niet rechtstreeks betrokken waren bij de affaire hebben ze toch op zijn minst een oogje dichtgeknepen. In de archieven van de SDECE bevinden zich honderden dossiers over de affaire-Ben Barka, maar geen onderzoeksrechter die ze ooit heeft mogen inkijken. Daarvoor is een speciale toestemming van de premier of de president vereist. Om die toestemming te weigeren, hebben de opeenvolgende presidenten Valéry Giscard d'Estaing, François Mitterrand en Jacques Chirac zich beroepen op het in Frankrijk nog altijd heilige principe van de raison d'état. (Van Dale: 'Staatsraison - de idee dat de staat bij de uitoefening en handhaving van zijn macht zich niet aan het bestaande recht of de zedelijke normen gebonden hoeft te achten.') LOGISTIEKE STEUNVolgens het Amerikaanse weekblad Time hebben de Marokkaanse autoriteiten in april 1965 al officieel de hulp van de Verenigde Staten ingeroepen om Ben Barka uit te schakelen. De bewijzen daarvoor zouden zich in de archieven van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA bevinden. Een advocaat van de familie Ben Barka deed een beroep op de Freedom of Information Act om die documenten boven water te krijgen, maar ook hij kreeg nul op het rekest. De Amerikanen hadden in ieder geval een motief om aan de ontvoering mee te werken. Ze sloegen zelfs drie vliegen in één klap: ze verlosten hun bondgenoot koning Hassan van een lastige tegenstander, ze destabiliseerden generaal De Gaulle (die op het punt stond Frankrijk los te maken uit de militaire structuur van de NAVO) en ze torpedeerden de Tricontinentale Conferentie, die in januari 1966 in Havana moest worden gehouden. Binnen de beweging van niet-gebonden landen was Ben Barka immers zowat de enige politicus die de ideologische tegenstellingen tussen de aanhangers van Moskou en die van Peking kon overbruggen. De meeste agenten van de Marokkaanse geheime dienst - Ahmed Dlimi op kop - hadden stage gelopen bij de CIA. Maar er was ook een structurele samenwerking met collega's van de Mossad, de Israëlische geheime dienst. Ben Barka stond op de zwarte lijst van de Mossad sinds hij op een colloquium in Caïro het Israëlische leger ervan had beschuldigd samen te werken met het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime om de bevrijdingsbewegingen in Angola en Mozambique te counteren. En de Israëli's waren koning Hassan en diens tweede man Oufkir wel wat verschuldigd. Voor wat hoort wat: generaal Oufkir had bijvoorbeeld de emigratie van 130.000 Marokkaanse joden naar het Beloofde Land aangemoedigd en in 1965 gaf hij de Mossad zelfs toestemming afluisterapparatuur te installeren op de pan-Arabische topconferentie in Rabat. Israëlische kranten zagen in de ontvoering van Ben Barka de hand van de Mossad, die op zijn minst logistieke steun zou hebben geleverd om Ben Barka op te sporen. En Bachir Ben Barka is er vandaag nog altijd van overtuigd dat de Mossad weet waar het gebeente van zijn vader zich bevindt. Als de Marokkaanse koning Hassan II het al wist, heeft hij het geheim inmiddels meegenomen in zijn graf. 'De affaire-Ben Barka was een louter Franse aangelegenheid', heeft hij altijd volgehouden, 'Marokko was er alleen bij betrokken omdat het slachtoffer toevallig de Marokkaanse nationaliteit had.' Volgens Hassan was Ben Barka 'een martelaar': in de Marokkaanse hoofdstad Rabat is zelfs een van de belangrijkste boulevards naar hem genoemd. Maar pas onder Hassans opvolger, koning Mohammed VI, kreeg de familie van Ben Barka de toestemming uit ballingschap terug te keren. Een van Ben Barka's strijdmakkers van het eerste uur, Abderrahman Youssoufi, werd in 1999 premier van Marokko. Hij beloofde dat de affaire nu eindelijk 'tot op het bot' zou worden uitgezocht. Affaire à suivre. Bronnen: Jacques Derogy & Frédéric Ploquin, 'Ils ont tué Ben Barka', Fayard 1999; Douglas Porch, 'Histoire des services secrets français', Albin Michel 1997; Stephen Smith, 'Oufkir. Un destin marocain', Calmann-Lévy, 1999.Piet Piryns