Niemand begrijpt ooit een ander, leest Mike Panofsky in de memoires van zijn vader Barney die aan de ziekte van Alzheimer gestorven is. Inderdaad is het leven van de directeur van de filmmaatschappij Volledig Onnodige Producties, die gespecialiseerd is in het leveren van "rommel" voor de Canadese televisie een aaneenschakeling van misverstanden. Hij trouwt om de verkeerde redenen en raakt zijn echtgenotes kwijt om de verkeerde redenen.
...

Niemand begrijpt ooit een ander, leest Mike Panofsky in de memoires van zijn vader Barney die aan de ziekte van Alzheimer gestorven is. Inderdaad is het leven van de directeur van de filmmaatschappij Volledig Onnodige Producties, die gespecialiseerd is in het leveren van "rommel" voor de Canadese televisie een aaneenschakeling van misverstanden. Hij trouwt om de verkeerde redenen en raakt zijn echtgenotes kwijt om de verkeerde redenen. Uit liefde voor de literatuur vertrekt hij in 1950 als jongeman naar Parijs, maar in plaats van schrijver wordt hij handelaar in kaas en gestolen Egyptische oudheden. Als hij weer in Canada is, tracht hij in het gevlij te komen bij de leden van de betere stand, waarmee hij in hun ogen slechts bewijst dat hij zijn lage afkomst nooit is ontgroeid. Auteurs van wie hij meende dat het vrienden waren, geven in hun boeken een weinig fraai beeld van hem, zodat Barney Panofsky zich aan het eind van zijn leven verplicht ziet zijn versie van de feiten aan het papier toe te vertrouwen. Het resultaat zijn de memoires van een onbegrepen zuiplap met artistieke pretenties, die er niet in slaagt zijn verkeerde keuzes te rechtvaardigen, maar en passant wel veel andere mensen in hun hemd zet. Een politiek hoogst incorrect, maar heel geestig boek. Hoewel geen auteur graag zou willen lijken op een personage als Barney Panofsky, vertoont het leven van de Canadees-joodse auteur Mordechai Richler bepaalde overeenkomsten met dat van zijn romanfiguur. Ook hij vertrok in 1950 op negentienjarige leeftijd naar Parijs en bracht daar twee jaar door tussen de aankomende auteurs en hun semi-artistieke entourage. In de meer dan honderd bladzijden die Richler aan Panofsky's Parijse jaren spendeert, schetst hij twee verschillende types van auteurs: de man van de geniale inzichten en de noeste ploeteraar. Geen van beiden komt volgens Richler tot belangwekkende prestaties. Mordechai Richler: Barneys vriend Bernard "Boogie" Moscovitch is zo'n schrijver die barst van de leuke ideeën. Hij publiceert bijvoorbeeld een verhaaltje over een man die in 1912 met de Titanic de Atlantische oceaan oversteekt en bij aankomst door een journalist wordt geïnterviewd. De reporter vraagt hem hoe de reis was. "Saai", antwoordt hij. Boogie is echter zo druk bezig met leven, in zijn geval vooral reizen en enorme hoeveelheden drugs gebruiken, dat hij nooit veel op papier zet. Hij int riante voorschotten van uitgevers voor de Ultieme Amerikaanse Roman, maar levert nooit een manuscript in. Terry McIver is het tegenovergestelde. Hij gaat naar Parijs met de uitdrukkelijke bedoeling over zijn belevenissen daar te schrijven, maar zit slechts te lezen en te schrijven in zijn goedkope hotelkamer en beleeft niets. Het enige waarover hij kan schrijven, is over het feit dát hij schrijft, wat weinig boeiende lectuur oplevert.Tot welke categorie schrijvers behoorde u destijds zelf?Richler: Ik vrees veeleer tot die van Terry McIver dan tot die van Boogie Moscovitch. Ik vind mijn eerste romans niet goed. Mijn debuut, "The Acrobats", heb ik zelfs nooit meer laten herdrukken. Ik was destijds nog te jong en had te weinig meegemaakt om goede literatuur te kunnen schrijven. Pas toen ik aan het eind van de jaren vijftig als freelance journalist ging werken, leerde ik de maatschappij kennen. Tien dagen optrekken met een groep worstelaars was uiteindelijk een ervaring die me meer verrijkte dan tien dagen in een kroeg hangen op de Rive Gauche. Frankrijk was in de jaren veertig en vijftig echter niet alleen in literair, maar ook in financieel opzicht een paradijs voor Canadezen en Amerikanen. Van twee dollar per dag kon je er rondkomen, zij het dat je je niets bijzonders kon permitteren. Velen kregen een uitkering omdat ze tijdens de oorlog in de Royal Air Force hadden gediend. Die beurs bedroeg 123 dollar en was, omgerekend in Franse frank, zo royaal dat ze er zelfs een studie van konden betalen. Canadezen die uit Quebec of Montreal afkomstig waren, zoals ikzelf, hadden dan nog het voordeel dat ze min of meer tweetalig waren en al redelijk goed Frans spraken. Ik heb een fantastische tijd gehad in Parijs en heb er veel Canadese en Amerikaanse auteurs leren kennen, maar literair heeft het me veel minder opgeleverd dan ik had gedacht, althans destijds. Nu kan ik natuurlijk op die ervaringen teren.Afgaand op een aantal denigrerende opmerkingen van Barney Panofsky gelooft u dat het uw collega's ook niet zoveel heeft opgeleverd.Richler: Och, laten we zeggen dat ik Terry McIver heb gebaseerd op enkele Canadese collega-auteurs die ik in Parijs heb leren kennen en die ook nadien nauwelijks het stadium van de obscuriteit zijn ontgroeid, maar over het algemeen vind ik dat de schrijvers die daar destijds rondhingen toch wel goede prestaties hebben geleverd. Ik geloof dat de regisseurs en scenarioschrijvers die in diezelfde jaren door de communistenjager Joe McCarthy uit Hollywood zijn verjaagd en die vooral in Londen hun heil zijn gaan zoeken in artistiek opzicht weinig voorstelden. Barney zegt op een gegeven moment in een interview voor de BBC dat McCarthy misschien wel de scherpste filmcriticus was. Dat is natuurlijk een buitengewoon botte opmerking, maar voor de gedachte erachter - die Barney overigens van een collega heeft gepikt - valt wel iets te zeggen. Ik heb in de tweede helft van de jaren vijftig lang in Londen gewoond en daar een aantal van die verbannen Amerikanen leren kennen. Ik heb ook een roman over dit gezelschap geschreven, "A choice of enemies". Mij viel op dat ze meer met de politieke boodschap van hun films bezig waren dan met de kwaliteit van het script of het camerawerk. Hun engagement zat hun werk dus min of meer in de weg. Wanneer Barney Panofsky zijn memoires schrijft, heerst er angst onder de joodse inwoners van Montreal dat de Franse separatisten het referendum over afscheiding van Canada gaan winnen. Velen denken erover te verhuizen naar Toronto. Is het zo erg gesteld met het antisemitisme onder de Frans-Canadezen?Richler: Het is lang niet meer zo erg als vroeger, maar het is erg geweest. In de jaren dertig en veertig bestond er bijvoorbeeld een numerus clausus voor joodse studenten aan de McGill-universiteit van Montreal. Joden moesten minimaal een zeveneneenhalf gemiddeld hebben, niet-joden slechts een zeseneenhalf. Er was ook een invloedrijke Frans-nationalistische beweging die opriep vooral niet bij joden te kopen. Die beweging stond onder leiding van een zekere abbé Groult, net als de meeste andere Franstalige priesters geen verfijnde jezuïet, maar een product van het meest achterlijke katholicisme. Tegen nieuwkomers waren de aanhangers van deze abbé zo mogelijk nog harder gekant dan tegen al genaturaliseerde joden. In 1939 werden duizenden Duitse en Oostenrijkse joden die naar Engeland waren gevlucht geïnterneerd als mogelijke spionnen. Vervolgens werden ze naar Canada gedeporteerd, waar ze direct weer werden geïnterneerd. In de naoorlogse jaren hebben velen van hen lang ver onder hun niveau gewerkt. De joodse tandarts die de straat stond te vegen, zoals je dat aanvankelijk ook in Israël zag met de Russische kerngeleerden en violisten die de Sovjet-Unie waren ontvlucht, was in Canada geen onbekend verschijnsel. De nationalisten waren overigens niet alleen tegen joden, maar tegen iedereen die niet Angelsaksisch of Noord-Europees was. Canada stond open voor Nederlanders, Ieren, Zweden of Duitsers, maar heeft zijn deuren lange tijd gesloten gehouden voor Chinezen, Italianen of Pakistanen. Dat is pas in de jaren zeventig radicaal veranderd. Alleen, onder joden bestaat de reflex om direct te reageren op de dreiging van antisemitisme nog altijd.De "fundraiser" Irv Nussbaum maakt daarvan gretig misbruik. Bij elk antisemitisch incident belt hij Barney Panofsky op met de verheugende mededeling dat er weer fors is gestort in zijn fonds voor steun aan Israël. Als dergelijke incidenten te lang uitblijven, maakt hij zich zorgen. Een weinig ethische man, die Nussbaum.Richler: Maar zo werken fundraisers nu eenmaal. Nussbaum zorgt ervoor dat hij precies weet hoeveel omzet en winst de bedrijven die hij benadert maken. Hun directeuren en aandeelhouders zet hij tijdens een lunch in een restaurant stevig onder druk. Als ze te weinig willen geven, dreigt hij aan de grote klok te hangen dat het blijkbaar niet zo goed gaat met hun firma of hij insinueert dat iedereen te weten zal komen hoe gierig ze zijn en hoe weinig ze "voor de goede zaak" over hebben. Het heeft eigenlijk meer weg van afpersing dan van het zoeken van sponsors. Ik weet er alles van, want ik ben vaak genoeg benaderd door dit soort kerels. Uw joodse lezers en critici zullen wel niet blij zijn geweest met een personage als Nussbaum.Richler: Die kritiek heb ik al jaren geleden over me heen gekregen, bij het verschijnen van mijn roman "The apprenticeship of Duddy Kravitz", in 1959. Duddy Kravitz, die overigens ook nog in "De bekentenissen van Barney" voorkomt, is het type selfmade miljonair. Hij is de Oost-Europese joodse shetl nauwelijks ontgroeid. Dankzij zijn geld wordt hij opgenomen in de betere kringen, maar daar wordt hij nauwelijks geaccepteerd vanwege zijn onbehouwen manieren. Zijn vrouw is tot de ontdekking gekomen dat ze voor de high society acceptabeler zullen worden wanneer ze een caritatieve stichting kunnen oprichten. Maar ja, voor elke ziekte bestaat al een stichting. Kravitz loopt bij een arts langs, die hem de naam van een zeldzame darmziekte aan de hand doet, waarop hij woedend reageert: "Ik kan toch geen stichting voor rufters in het leven roepen! Ik zie het al voor me: doneer een scheet!" Zo'n type man is het. Toen "The apprenticeship of Duddy Kravitz" net uit was, reageerden veel joodse lezers geïrriteerd. Dat waren vooral mensen die uiterlijk zo Brits zijn, dat ze zelfs een omhoogkrullend snorretje laten staan. Ze zijn niet langer "joods", maar "van joodse afkomst". Duddy Kravitz was hen veel te joods en herinnerde hun aan hun sociale afkomst of aan hun ouders. Toch waren die boze reacties soms ook weer typisch joods: "Het klopt allemaal wat u zegt, maar had u hem geen Italiaanse naam kunnen geven?" vond ik de leukste daarvan, want dan had niemand geweten dat het om een jood ging. Sindsdien geld ik in sommige joodse kringen een beetje als een stoute jongen, maar ik kan niet zeggen dat ik daarvan ooit heb wakker gelegen.U drijft in uw roman de spot met de raciale overgevoeligheden van joden, maar het blijft toch een feit dat je, zoals een van Barneys ex-schoonbroers zegt, nooit zeker kunt weten of iemand, ondanks al zijn vriendelijkheid, in zijn hart toch op je neerkijkt?Richler: Natuurlijk. In mijn roman geef ik als voorbeeld het bezoek dat Barney en zijn derde echtgenote, Miriam, aan de ouders van hun toekomstige schoondochter brengen. De vrouw vraagt of er iets is dat ze niet eten. Miriam denkt dat ze wil weten of zij iets niet lusten of een dieet volgen, maar Barney is ervan overtuigd dat ze wil weten of ze al dan niet varkensvlees eten, dus of ze kosjere joden zijn of niet. Hoe aardig en ruimdenkend de ouders van de aanstaande schoondochter ook zijn, Barney weigert ze sympathiek te vinden en volhardt in zijn wantrouwen. Misschien hebben ze ook diep in hun hart iets tegen joden, al is het veel waarschijnlijker dat Barney een minderwaardigheidscomplex heeft. Ik vind zelf dat we tegenwoordig overdrijven in het rekening houden met raciale overgevoeligheden. Je attendeert daarmee blijvend op het bestaan van raciale vooroordelen en, zoals gezegd, als iemand in wezen toch een verstokte racist is, verandert dat voorzichtige gedrag niets aan diens gedachten en de onzekerheid daarover bij zijn gesprekspartner.Barney wil in zijn memoires een antwoord geven op de aantijgingen van ex-vrouwen, ex-collega's en ex-vrienden, maar het feit dat hij aan Alzheimer lijdt, maakt hem er niet geloofwaardiger op. U vond dat waarschijnlijk een factor die de roman, literair gezien, nog wat complexer maakte?Richler: Ik heb een aantal artsen geraadpleegd om ervoor te zorgen dat ik het verloop van de ziekte zo waarheidsgetrouw mogelijk kon beschrijven, maar ik moet toegeven dat ik al snel ontdekte welke literaire grapjes je met een dementerende autobiograaf kunt uithalen. Barney weet bijvoorbeeld niet meer met welk woord je het ding aanduidt waarmee je de spaghetti laat uitlekken en blijft zijn best doen, via tal van mentale bruggetjes, alsnog op het woord te komen. Dat vergeten woord achtervolgt hem tot in zijn erotische fantasieën. Toch denk ik niet dat Barney door Alzheimer zo ongeloofwaardig wordt gemaakt in de ogen van zijn omgeving. Heel zijn levenswandel spreekt nu eenmaal tegen hem. Voor iedereen is hij een leugenaar en een zuiplap, een man over wie zijn tweede echtgenote beweerde dat het drinken hem niet hinderde bij zijn werk, maar dat, integendeel, het werken hem hinderde bij zijn drinken. Het meest typerende is misschien wel de handelwijze van zijn zoon Mike. Steeds als Barney een pracht van eenoneliner ten beste geeft, zet Mike in een voetnoot van wie zijn vader deze uitspraak heeft gestolen. Eén keer staat er onderaan de pagina: "De herkomst van dit citaat heb ik niet kunnen vinden." Die ene keer dat hij dan misschien werkelijk eens origineel is, wordt hem de vondst nog niet gegund.Mordechai Richler, "De bekentenissen van Barney", Prometheus, Amsterdam, 361 blz. 800 fr.Jeroen Kuypers Piet de Moor