'Dat ze de oude redactiegebouwen aan de Gentse Forelstraat een aantal jaren geleden afbraken, heeft me dieper geraakt dan het opdoeken van de titel', zegt Leo Marynissen. 'Ondertussen zit de redactie alweer een jaar of tien in Groot-Bijgaarden, waar ook de andere Coreliokranten worden gemaakt. Dat Het Volk nu helemaal verdwijnt, stond al jaren in de sterren geschreven. Het doet me natuurlijk wel iets, maar het is in wezen het sluitstuk van een lang proces.'
...

'Dat ze de oude redactiegebouwen aan de Gentse Forelstraat een aantal jaren geleden afbraken, heeft me dieper geraakt dan het opdoeken van de titel', zegt Leo Marynissen. 'Ondertussen zit de redactie alweer een jaar of tien in Groot-Bijgaarden, waar ook de andere Coreliokranten worden gemaakt. Dat Het Volk nu helemaal verdwijnt, stond al jaren in de sterren geschreven. Het doet me natuurlijk wel iets, maar het is in wezen het sluitstuk van een lang proces.' Marynissen ging al in 1955 bij Het Volk aan de slag. Eerst op de Gentse redactie, dan als chef van de Antwerpse edities en ten slotte 24 jaar lang als Wetstraatjournalist en veel gelezen commentaarschrijver. Marynissen maakte de bloeiperiode van Het Volk mee toen het nog een echte ACV-krant was, maar ook de overname door de VUM (het huidige Corelio), de steeds drastischere versmelting met Het Nieuwsblad, en de niet te stuiten vrije val van de verkoopcijfers vanaf de jaren tachtig. 'Wat wil je ook', zegt Marynissen. 'In nog geen tien jaar tijd passeerden zes, zeven hoofdredacteurs de revue. Dat helpt niet om een goede gazet te maken, hè.' Zelf had hij niet zoveel last van de frequente personeelswissels op het Gentse hoofdkwartier. Sinds de jaren zeventig hield hij kantoor in het Brusselse pied-à-terre van Het Volk naast het befaamde Astoria Hotel aan de Koningstraat. Daar wandelde hij 's ochtends immer grijnzend binnen, schonk zich een kop koffie in, en nam hoofdschuddend de kranten door naast het bureau van zijn collega en latere commentaarschrijver Paul Janssens. Dan liep hij de krakende trap weer af, deed her en der een babbeltje met een collega die uit Gent was komen aanwaaien, en verdween de Wetstraat in. Als hij een paar uur later weer op de redactie arriveerde, gooide hij zijn regenjas op de kapstok, ging achter zijn computer zitten en zette de puntjes op de i in zijn dagelijkse commentaarstuk. Een rasechte tjeef werd hij genoemd, de spreekbuis van voormalig ACV-voorzitter Willy Peirens ook. LEO MARYNISSEN: Als je jarenlang het hoofdartikel van een christelijke vakbondskrant schrijft, is het haast normaal dat ze zulke dingen over je zeggen. Wat hadden buitenstaanders anders moeten denken? De voorzitter van onze raad van bestuur was verdorie de baas van de vakbond. Daarom heb ik ooit voorgesteld om die raad van bestuur door een buitenstaander te laten voorzitten. Iemand uit economische kringen, zoals Jan Huyghe-baert. Maar daar hadden ze geen oren naar. MARYNISSEN: Elke maandagmiddag trok ik met onze hoofdredacteur, Paul De Baere, naar het hoofdkwartier van de christelijke arbeidersbeweging. Daar vergaderden we met BAC-topman Hubert Detremmerie, Jef Houthuys en later Willy Peirens van het ACV, Willy D'havé van het ACW, en Kamiel De Witte van de Centrale Volksverzekering. Maar nooit werd ons daar opgedragen om het een of andere artikel te schrijven. Nooit. MARYNISSEN: Dat waren andere tijden, hè. Na de oorlog waren het de grote takken van de arbeidersbeweging, zoals het ziekenfonds, de BAC-spaarkas en een aantal vakbondscentrales, die het geld hadden samengebracht om Het Volk weer op te starten. Voor de oorlog was het vooral een Gents blad geweest, maar de vakbond eiste dat het een nationale krant zou worden. Toen startte men al die regionale edities op, die later een van de grootste troeven van de krant zouden blijken. We hadden een uitgebreid correspondentennetwerk, en in elke provincie gingen propagandisten van deur tot deur om abonnementen te slijten. We haalden striptekenaar Marc Sleen binnen, en scoorden met onze sterke sportbladzijden en de beroemde speciale edities over de Ronde van Frankrijk. Het ging dus goed met Het Volk, en dat hadden we voor een groot deel aan onze geldschieters te danken. Het sprak voor zich dat we niet lijnrecht tegen onze eigenaar konden ingaan, maar we bedreven wel échte journalistiek. De vakbondstop wou echt niet dat we een propagandablad zouden maken. Integendeel. MARYNISSEN: (denkt na) Als journalist, en zeker als commentaarschrijver, werd je geacht begrip te hebben voor de geest van het ACV en van de CVP. Maar een partijman ben ik nooit geweest. Nooit heb ik partijvergaderingen bezocht, maar ik had wel individuele contacten met politiekers. Met Jean-Luc Dehaene, een zeer interessante mens en politicus, kon ik bijvoorbeeld erg goed opschieten. Maar ik had ook vrienden bij de socialisten. MARYNISSEN: Aanvankelijk spendeerden we vooral veel papier aan het reilen en zeilen in de christelijke arbeidersbeweging. Als er een congres van de een of andere ACV-centrale plaatsvond, werd daar uitgebreid over bericht - ook als onze lezers daar niet op zaten te wachten. Maar we schreven wel wat we wilden; de berichtgeving was echte journalistiek. Begin jaren zeventig, toen de hele samenleving ontzuilde en álle kranten probeerden te verbreden, begonnen we minder aandacht aan zulke gebeurtenissen te besteden. Op de redactie werd toen bijvoorbeeld besloten om de berichtgeving over allerlei prutserijen van ACW-verenigingen te schrappen. Want vroeger gebeurde dat wel, hè: een gepensioneerdenvereniging organiseerde een worstenavond, en wij moesten daar zeker een vierde van een krantenpagina aan wijden. MARYNISSEN: Vooral meer plaats. We schreven nog wel over vakbondscongressen, maar we besteedden er geen volledige krantenpagina meer aan. Daardoor kwam er papier vrij om over andere dingen te berichten. MARYNISSEN: We hadden de bui al zien hangen. Het was Hubert Detremmerie die als eerste in een interview zei dat de beweging geen geld meer had voor Het Volk. Weet je wat het was? De krant had geen nut meer voor de arbeidersbeweging. In de periode na de oorlog had Het Volk een belangrijke rol gespeeld in de heropbouw van de organisaties, van de partij, van de hele zuil. Toen kwam het ACW elders amper aan bod, want elk dagblad had zo zijn eigen imago. De Vooruit was duidelijk socialistisch, Gazet van Antwerpen was een katholieke burgerkrant, Het Laatste Nieuws was liberaal, De Standaard was een cultureel blad enzovoort. Doordat ál die kranten plots gingen verbreden, waren de ACW-verenigingen niet uitsluitend meer op de berichtgeving in Het Volk aangewezen. En dus werd de krant te koop gezet. MARYNISSEN: In elk geval is het goed dat mensen weten wat ze in handen krijgen als ze een bepaalde krant kopen. Net zoals ze graag elke dag een commentaarstukje van dezelfde auteur lezen, omdat ze die na verloop van tijd kennen en weten hoe hij denkt. Ook een krant moet een eigen geluid, een eigen identiteit hebben. Er moet nog altijd een duidelijke reden zijn waarom je de ene krant koopt en de andere niet. Maar dat hoeft niet per se een politieke kleur of sympathie voor een bepaalde zuil te zijn. MARYNISSEN: Tuurlijk. Tot een paar dagen geleden kreeg ik als voormalig personeelslid nog altijd Het Volk in mijn bus. Verder lees ik De Morgen, en van tijd tot tijd koop ik De Standaard. Een krantenabonnement heb ik niet meer, want ik wissel veel te graag af. Als er in ons land iets opvallends gebeurt, wil ik altijd vergelijken hoe de verschillende kranten erover berichten. Een politieke crisis? Tiens, wat zou de commentaarschrijver van De Morgen daarover denken, vraag ik me dan af. Dat is in elk geval minder voorspelbaar geworden dan pakweg twintig jaar geleden. Ann Peuteman