?Bij bewustzijn? : Rob Schouten schrijft zich vakkundig weg uit de eeuwigheid.
...

?Bij bewustzijn? : Rob Schouten schrijft zich vakkundig weg uit de eeuwigheid.IN HAAR essaybundel ?Een verlangen naar ontroostbaarheid? (1993) heeft Patricia de Martelaere het over de stelling van Maurice Blanchot dat de schrijver eigenlijk voortdurend het zuivere niets wil realiseren in zijn werk. Met die stelling in het achterhoofd is het verleidelijk om de gedichten uit Rob Schoutens recentste bundel, ?Bij bewustzijn?, als een metafoor voor zijn dichterschap te lezen. Bij sommige gedichten ligt dat voor de hand, omdat hij expliciet naar zijn inspiratiebronnen verwijst. Als lezer krijg je een soort denker te zien die zapt in zijn gedachtenwereld. De tweede afdeling van ?Bij bewustzijn? kreeg trouwens als titel ?Home-video?. Je kijkt mee naar huiselijke tafereeltjes, maar Schouten hoedt zich voor sentimentaliteit. Hij wijst eerder op het onwerkelijke van de waarneming, zoals iemand die zijn eigen opnames bekijkt en beseft dat hij de werkelijkheid heeft gemanipuleerd door ze gefragmenteerd op te nemen. De situaties worden zelfs arbitrair, zoals hij stelt in de beginregels van het gedicht ?Video? : ?Jullie moeten maar klein zijn en ontroeren, / daarom scheel ook ik een paar jaar.? Zijn gedichten verwijzen naar een wereld tussen zijn en niet-zijn. HEELAL.In zijn vorige bundel, ?Huiselijk verkeer? (1992), beschreef hij de eigen woonst als een bevreemdende plek vol onverwachte gebeurtenissen en emoties. Het huis als plek van procreatie, bijvoorbeeld. Maar hij deed daar niet idyllisch over, want hij wees op de binding die door kinderen ontstaat en op de botsing tussen het realisme van die levensstijl en het losgeslagen dichterlijke denken. De confrontatie met de kinderen hoort ook bij een ander thema : de situering van het ik in het hier en nu ten opzichte van de kosmos en de eeuwigheid. Schouten vindt het noodzakelijk om met die plaatsbepaling bezig te zijn, maar in ?Hoofd? (uit ?Te voorschijn stommelt het heelal?, 1988) wijst hij meteen op de vruchteloosheid : ?Te voorschijn stommelt het heelal en het weerkaatst, / terwijl het nota bene pikkeduister is / en je jezelf onzichtbaar maakt, je inzicht maar.?Toch is Schouten in ?Bij bewustzijn? intensief bezig met de situering van de existentie. De titel van de eerste afdeling, ?Beknopte evolutie?, kondigt dat al aan. De ironie komt hier sterk om het hoekje kijken. In het mooie openingsgedicht daalt hij als een archeoloog af naar de oorsprong van de beschaving. De ironiserende relativering is een procédé dat vooral in de eerste cyclus vaak terugkeert. Het doet denken aan de poëzie van Gerrit Komrij, hoewel de ironie verder gaat dan de gestileerde discrepantie tussen wat er wordt gezegd en wat er wordt bedoeld. Er gaat een vreemde melancholie uit van de gedichten in ?Bij bewustzijn?, alsof Schouten er zich constant van bewust is dat hij onbestaande werelden schept die met andere verwisselbaar zijn. De dichter bedenkt maar wat, lijkt hij soms te willen zeggen. Door de ironie ontstaat er een soort spanning : de dichter kiest nooit voor een bepaald standpunt, omdat hij er altijd een ander tegenover plaatst. Zo ontstaat het soort ironie waarnaar de Amerikaanse New Critics al verwezen : de ideeën die geformuleerd worden, zitten vol dubbelzinnigheden en tegenstrijdigheden. Dat levert weerbarstige, soms baldadige gedichten op in een schrijfstijl die we, binnen een ander concept weliswaar, ook bij jonge hemelbestormers als K. Michel en Arjen Duinker terugvinden. ZELFSPOT.Maar verder lijken niet zoveel dichters in het Nederlandse taalgebied in staat om een gedicht met een Natureingang zo schijnbaar idyllisch op te bouwen en nadien neer te halen als Schouten in ?Lente con moto? : ?(...) Tuinstoelen komen om geluk te wensen, / de boom wordt peren-, het gezichtsveld blad. / Avond leert plotseling welsprekend suizen / in ongebruikte oren, drukverschil // Lente telt, lentes tellen, langzaam raakt / iets opgeteld, het jaarlijkse gevoel / bekoelt, de laatste vorst trekt in de benen / (maar er is geen gevaar voor de bevolking) / en de net afgelopen sterveling, / bedekt men met wat bloemen en een tuin.? Schouten blijft ook een domineeszoon : hij gaat in de derde ( ?Vigilieën en andere waakzaamheden?) en de vierde ( ?Vier bijvelverzen?) afdeling om met religieuze taal en bijbelse motieven. In de derde afdeling schetst hij zichzelf als een soort goddelijke figuur die van zijn dichterlijke bezigheid een solitaire, sacrale bezigheid maakt. Maar hoezeer hij ook benadrukt dat de wereld op zo'n moment veraf ligt, toch blijft er aandacht voor banale voorwerpen in de kamer en is er plaats voor zelfspot. Het l'art pour l'art-ideaal wordt trouwens stevig doorprikt door een vocabularium dat helemaal niet thuishoort in een verheven taalsfeer. Hij legt zo de vinger op de wonde : ?Dezelfde maan nu bruistablet, / haast geen herinnering aan Holst / -who was never awarded the Pulitzer Price- / doch dichter in zulk avondlaat,/ met, alfabetisch : cellotape, giro, / lamp, stemming (in oorspronkelijke staat).?Precies omwille van de vermenging van een classicistisch taalregister met woorden die dit register doorbreken, ingebed in gedichten die een vrij sterk metrum en een rijmschema vertonen, is de afdeling ?Vier bijbelverzen? de overtuigendste uit de bundel, samen met de afdeling met telkens één vertaling van zijn poëtische voorbeelden Rainer Maria Rilke, Delmore Schwartz, John Berryman en Randall Jarrell. Schouten laat er zijn twijfels over een precieze conclusie of rationele ontrafeling van de existentie in doorklinken. In ?Facile Princeps? (een verwijzing naar Cicero) legt hij de betrekkelijkheid van zijn creatieve daden bloot : ?Ik breek een ongeopend dagje aan / en onderscheid daarin mijzelf, hard bezig / met de produktie van het universum. // Algehele schepping. Vaag, spontaan / geritsel. Ding na ding voorgoed aanwezig. / Ik knijp een oog toe en lijk zeer tevreden. // Nu kan ik weer naar bed- en hoor nog juist / mijn naam die lieflijk langs een wolkje ruist.? Er zijn maar weinig dichters die zo overtuigend in nutteloosheid zijn bedreven. Paul Demets Rob Schouten, ?Bij bewustzijn?, de Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 56 blz. Rob Schouten : Ik knijp een oog toe en lijk zeer tevreden.