Volgende week begint de bijzondere Senaatscommissie haar onderzoek naar de moord op de Belgische blauwhelmen in Kigali en de genocide die daarop volgde.
...

Volgende week begint de bijzondere Senaatscommissie haar onderzoek naar de moord op de Belgische blauwhelmen in Kigali en de genocide die daarop volgde.Geen echte onderzoekscommissie, wel een ?bijzondere commissie? zal zich van volgende week af inlaten met het onderzoek naar de omstandigheden waarin op 7 april 1994 tien Belgische para's in Kigali werden vermoord, en naar de daarop volgende Rwandese genocide. De familieleden van de vermoorde Waalse para's voeren al meer dan twee jaar campagne om de waarheid over deze gebeurtenis te achterhalen. Vorig jaar heette het dat ze moesten wachten op het proces tegen kolonel Luc Marchal, VN-bevelhebber voor de Kigali-sector waar de para's omkwamen. Het was immers Marchal die de para's met de bewaking van de Rwandese eerste-minister Agathe Uwilingiyimana had belast. Midden vorig jaar werd Marchal vrij gesproken, na een proces dat alleen de militaire omstandigheden op tafel gooide. Over de politieke keuzes die destijds, in november 1993, leidden tot de beslissing van de regering- Dehaene om Belgische soldaten naar Rwanda te sturen in het kader van de Unamir-operatie, werd tijdens het proces-Marchal zedig gezwegen. Zij die hoopten dat het proces-Marchal als een soort veiligheidsklep zou fungeren, kwamen bedrogen uit. De familieleden van de para's bleven bij hun eisen. In het verleden hadden zij altijd al de steun gekregen van de meeste Franstalige partijen, in deze materie aangevoerd door PRL'er Alain Destexhe. Hun vraag naar een parlementair onderzoek genoot verder rugdekking van gewezen premier Wilfried Martens (CVP). Maar met dat standpunt stond Martens binnen de CVP vrijwel alleen. DE WERKLUST VAN SWAELENBij de Vlaamse christen-democraten waren ze er dan ook niet gerust in toen vorig jaar in de Senaat stemmen opgingen om zo'n commissie te installeren. Zelfs de oprichting, midden vorig jaar, van de zogenaamde ad hoc-groep Rwanda van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Aangelegenheden, vond pas genade nadat zo te horen, op aangeven van vice-premier Herman Van Rompuy (CVP) duidelijk werd dat VLD'er Guy Verhofstadt de feitelijke leiding van de werkzaamheden zou nemen en het verslag zou opstellen. Gewezen defensieminister Leo Delcroix zou zich tijdens de ultieme CVP-bijeenkomst hebben laten ontvallen : ?Ik kom als gewezen defensieminister ongetwijfeld het meest onder vuur te liggen voor zo'n commissie, maar met Verhofstadt zal dat alvast op een open en eerlijke manier gebeuren.? Dezelfde Delcroix had destijds, meteen na de dood van de para's, de andere CVP-ministers over zijn eventueel ontslag aangesproken. Een voorstel dat toen van de hand werd gewezen. Twee weken geleden deponeerde Verhofstadt zijn Rwanda-verslag. Volgens de enen was het een verbijsterende cataloog van blunders, anderen vonden het dan weer verre van volledig. De eerste verdienste van het verslag is dat het bestaat, en dat de auteur ervan aanstipte dat hij bij de werkzaamheden niet de minste hinder ondervond. Verhofstadts voorstel tot de oprichting van een onderzoekscommissie in regel, ging de CVP dan weer wat ver. Voor de Vlaamse christen-democraten was zoiets ondenkbaar omdat politieke en strafrechterlijke verantwoordelijkheid niet mag worden verward. Volgens hen zat destijds het proces voor het Krijgshof tegen kolonel Luc Marchal al over de schreef. Met een onderzoekscommissie naar de moord, door Rwandese militairen, van tien Belgische para's dreigden de Senatoren helemaal over de rand te tuimelen. Probleem voor de CVP was dat enkele van hun Senatoren publiekelijk hadden laten verstaan dat een onderzoekscommissie tot de mogelijkheden behoorde. Het wordt Senaatsvoorzitter Frank Swaelen, lid van de ad hoc-groep, in de Tweekerkenstraat zwaar aangerekend dat hij die discussie liet escaleren. ?We hadden het kunnen weten,? zuchten ze in het CVP-hoofdkwartier. ?Werklust is nooit Swaelens eerste deugd geweest.? Een gevolg van de indolentie van de Senaatsvoorzitter was de vertoning van afgelopen week waarbij eerst vice-premier Van Rompuy werd opgevorderd om binnen de meerderheidspartijen de weg naar een compromis te effenen. Want ook daar stond de CVP vrij geïsoleerd. Vooral de Franstaligen met PSC-Senator Joëlle Milquet aan het hoofd, eisten de oprichting van een heuse onderzoekscommissie. Finaal werd ook daar gekozen voor een tussenoplossing, een bijzondere commissie die gelijkt op een onderzoekscommissie. Enkele dagen later, na uren palaveren en dankzij een opvallende bereidwilligheid van Verhofstadt, aanvaardde de oppositie dit compromis. DE AANSLAG OP DE PRESIDENTEen bijzondere commissie dus. Maar dan wel een die zich voor haar onderzoek zal moeten baseren op een dossier dat, voorlopig, onvolledig blijft. Om te beginnen, hebben de Franse en Amerikaanse geheime diensten via hun Belgische collega's van de militaire inlichtingendienst (SGR) laten weten dat ze hun documenten in geen geval zullen prijs geven. In het geval van de Fransen valt die preutsheid te betreuren. Al was het maar om de geruchten over hun rol in de moordaanslag op het Falcon 50 Mystère-toestel van de Rwandese president Juvénal Habyarimana uit de wereld te helpen. Vooral de bevinding van professor Filip Reyntjes over de (Franse) herkomst van de Sam 16-raket waarmee het presidentiële vliegtuig uit de lucht werd geknald, wierp een vreemd licht op de Rwandese affaire. Behalve een simpele ontkenning hebben de Fransen nooit een uitleg verschaft over de manier waarop het wapentuig, dat tijdens de Golfoorlog op de Irakezen werd buit gemaakt, in Rwanda belandde. Over de aanslag op Habyarimana en diens Burundese collega bestaan intussen even veel versies als er in dit conflict kampen zijn. Nu eens worden extremistische Hutu, dan weer Tutsi en in een andere versie de Zaïrese president Mobutu Sese Seko als uitvoerders/opdrachtgevers voor de moordaanslag aangewezen. Twee Belgische advocaten, die in Rwanda actief zijn, colporteren een heel vreemd verhaal over geruchten die voor de moord al liepen in Rwandese kringen in het Luikse en bij sommige Belgische militairen. Wat dan weer de Rwandese versie over de Belgische betrokkenheid moet staven. Er zijn in dat verband ook (Rwandese) getuigenissen over een Belgische Unamir-vertegenwoordiger, die op het moment van de aanslag aanwezig was op de verkeerstoren van Kigali. Dit alles werd nooit grondig onderzocht, ook niet door de Verenigde Naties. Zolang dat niet is gebeurd, blijft een onderzoek naar de Belgische verantwoordelijkheid in het Rwandese drama onvolledig. Zo ook heeft de Belgische regering wellicht om geen bijkomende militaire wrevel te wekken , nooit grondig de falende communicatie uitgevlooid tussen generaal José Charlier, met wie kolonel Marchal veelal in contact stond, en minister van Defensie Delcroix. Noodgedwogen moet de bijzondere commissie met haar onderzoek verder in de tijd terug dan in haar aanvankelijke taakomschrijving is voorzien. Alleszins verder terug dan november 1993, toen de eerste roomsrode regering van Jean-Luc Dehaene het VN-verzoek inwilligde en Belgische para's naar Rwanda stuurde. Want de anti-Belgische stemming werd in Rwanda al veel eerder aangestoken. Meer bepaald eind 1990, na de Tutsi-inval vanuit Uganda, toen de toenmalige eerste-minister Wilfried Martens samen met zijn minister van Buitenlandse Zaken Mark Eyskens (CVP) en defensieminister Guy Coëme (PS) in het gebied van de Grote Meren heen en weer pendelden om er de Arusha-vredesakkoorden in elkaar te flansen. KONINKLIJKE INVLOEDENHet was zelden vertoond dat België een dergelijk driemanschap op diplomatieke missie naar Afrika stuurde. Al snel werd duidelijk dat de demarche mede het gevolg was van de buitengewone belangstelling die wijlen koning Boudewijn voor het Rwandese dossier koesterde. Habyarimana, een katholiek, mocht ten paleize al een teiltje breken. En om die te breken, werden hem wapens beloofd. En daar liep het dan grondig fout. De beloofde wapens, waarvoor de Rwandezen volgens enkele bronnen al betaald hadden, werden door verzet binnen de regering nooit geleverd. Want intussen was het binnen de regering, en eigenlijk binnen de hele Belgische politieke wereld, tot een breuk gekomen tussen katholieken en vrijzinnigen. De eersten werden er door de anderen van verdacht via de internationale van christen-democraten, allerhande katholieke verenigingen, de missies en de koning, een eigen Rwandese agenda uit te voeren. In die mate zelfs dat sommigen de invloed en financiële steun ontwaren van de Internationale van christen-democraten in het opruiende werk van de beruchte Radio Mille Collinnes. Een bewering die de toenmalige vice-voorzitter van de internationale, André Louis, dezer dagen weliswaar met klem ontkent, maar die door missives en bedenkingen van toenmalig ambassadeur in Kigali Johan Swinnen en minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes (SP) wordt gesteund. Hoe dan ook, de weigering om de gevraagde wapens te leveren, heeft de anti-Belgische agitatie geen klein beetje aangewakkerd. Habyarimana heeft in elk geval sindsdien geen goed woord meer gesproken over de Belgen. Het laat zich daarom des te gemakkelijker raden hoe de begeleiding door de Belgische para's van FPR-kopstukken, tijdens een toeristische uitstap, enkele uren na de moordaanslag op Habyarimana, door de extreme Hutu werd uitgelegd. Wellicht kan de bijzondere Senaatscommissie ook eens polsen naar de manier waarop de parlementsleden, die weinige weken voor de moord op de para's defensieminister Delcroix naar Kigali begeleidden, hun huiswerk hebben gemaakt. Geen van hen heeft naderhand een noemenswaardige vraag gesteld over de Belgische aanwezigheid in Rwanda. Mogelijk komen ook enkele voor de para's ontluisterende episodes aan bod. Episodes die ze in Kigali een bedenkelijke reputatie bezorgden en die destijds leidden tot een avondlijk uitgaansverbod vanwege kolonel Marchal. Rik Van Cauwelaert Wijlen koning Boudewijn met gewezen defensieminister Leo Delcroix : een eigen Rwandees agenda ?Belgische blauwhelmen in Rwanda : bedenkelijke reputatie.